Het ergste wat je in Indonesië kunt zijn is een homoseksueel, zo blijkt uit een recent onderzoek. 83,4 % van het volk heeft nog liever een ‘ongelovige moslim’ dan een homo als buur. Het is schokkend om te concluderen dat de bevolking er niet verdraagzamer op wordt. Het land zegt te staan voor een pluralistische samenleving met de Pancasila, de filosofische grondwet, die ooit door de vader des vaderlands Soekarno werd bedacht. 

Ik spreek af met Sri Augustine, van het Ardhanary Instituut dat niet alleen onderzoek doet naar intolerantie, maar ook een crisiscentrum heeft opgericht voor jonge lesbische vrouwen. Het centrum krijgt al jarenlang financiële steun van de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Hivos, die verschillende minderhedenprojecten in Indonesië financiert.

Volgens directeur Jan-Jaap Kleinrensink van Hivos in Jakarta helpt zijn organisatie Indonesische partners zo’n tien jaar met een project. Dan moeten ze op eigen benen staan. Maar volgens hem is de seksuele onverdraagzaamheid dusdanig dat het nog decennia kan duren voordat Hivos stopt met ondersteuning.

Niets aan het kantoor van Sri laat zien dat het gaat om een organisatie voor lesbische vrouwen. De buurt denkt dat het een grafisch bedrijf is. In de kamer die het verst van de hoofdingang is verwijderd, hangen enkele strijdbare posters van de vrouwenbeweging. Zelfs travestieten, die in de problemen zitten, worden gevraagd niet op het kantoor te verschijnen. Uit angst dat de buurt er achter komt en de stenen door de ruiten vliegen.

Sri was zeven toen ze verliefd werd op haar juffrouw. Haar vader schrok van haar bekentenis en mishandelde haar jaren. Haar moeder keek huilend toe. “Wat kon ze doen? Ze was een huisvrouw. Mijn vader was de baas. Hij bracht het geld binnen”. Haar ouders huurden een psycholoog in. Maar toen die haar niet kon bekeren, gingen de mishandelingen verder.

Sri liep op haar zeventiende weg van huis en kwam in een fabriek terecht. Een universitaire studie kon ze vergeten. Ook in de fabriek werd ze gepest. Elke dag at ze in haar een eentje haar lunch. Iedereen negeerde haar. Tot ze een artikel in een tijschrift over lesbische vrouwen las. Het schudde haar wakker en maakte haar assertief. Ze besloot voor het Ardhanary vrouweninstituut te gaan werken. Ze vangt in haar crisiscentrum, veelal online, medeslachtoffers op. “De meeste meisjes die langs komen worden thuis mishandeld, of gepest op school”. Het heeft geen zin om de politie in te schakelen. “Als we met een slachtoffer naar het bureau gaan, wordt er een rapport opgemaakt. Maar weer verscheurd als de ouders langs komen en zeggen dat ze haar sloegen omdat ze lesbisch is”.

Sri probeert met de ouders van de slachtoffers te bemiddelen. Dat doet ze niet zelf. “Als ik bij de familie verschijn, beginnen ze tegen me te schreeuwen. Ik krijg de schuld ervan dat de dochter lesbisch is”. Dus huren ze de Organisatie tegen Vrouwengeweld in die een psycholoog op de ouders afstuurt.
Lesbische vrouwen hebben het in Indonesië nog zwaarder dan homoseksuele mannen, stelt Sri. “Homo’s worden door vrouwen niet als een bedreiging gezien. Vrouwen denken al snel dat een lesbische vrouw met ze flirt en seks van ze wil”.

Volgens de Hivos neemt de onverdraagzaamheid in Indonesië toe. Het zijn vooral de fundamentalistische organisaties die de jacht op homoseksuelen hebben geopend en met knuppels de kroegen binnenvallen om ze eruit te slaan. Sri vertelt dat ze onder dictator Soeharto meer rechten had. 

Sri is inmiddels over de veertig. Ze woont gelukkig samen met een vriendin. Maar de buren denken opnieuw dat de vriendin haar zusje is. Het zijn volgens haar vaak de buren die stoken. Ook in de relatie met haar ouders. Dat bevestigde haar vader. Ze heeft hem nog een keer voor zijn dood gezien. Hij omhelsde haar en bood zijn excuses aan. Hij vertelde dat de buren hadden gezegd dat hij en zijn dochter in de hel zouden komen als hij Sri niet kon bekeren.
Ze was in Nederland toe hij stierf. Maar niemand belde haar. Ook haar moeder wilde niet dat ze op zijn begrafenis verscheen uit angst dat ze de familie te schade zou zetten.

wilma2

Over de auteur

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief