Het zouden hun laatste uren in Kirkuk zijn, maar zo staan ze er niet bij. Peshmerga zitten op een viaduct in de Koerdische stad in het noorden van Irak ontspannen op de grond. Twee vrouwelijke strijders staan met hun rug naar het zuiden. Iets verder, op een heuveltje, kijkt een groepje Peshmerga met verrekijkers juist wel in zuidelijke richting. Ze weten dan nog niet dat ze algauw geen verrekijker meer nodig zullen hebben, om de oprukkende Iraakse troepen te zien.

In het centrum van Kirkuk is het intussen een opgewonden sfeer. Officiële en minder officiële mannen met wapens roepen dat ze de stad zullen verdedigen. Duizenden extra Peshmerga-strijders zijn er de afgelopen dagen gearriveerd. Met wapens. En grote woorden. Ook een groepje PKK-strijders hangt er rond, trots zwaaiend met een vlag met daarop de beeltenis van hun gevangen leider Ocalan.

Maar dan. Bij een kruispunt onder een fly-over, klinken plotseling schoten. Erg dichtbij. Auto’s stuiven weg. Een groepje Koerdische journalisten komt aan gescheurd, twee van hen helemaal onder het bloed. “Het is niet ons bloed, we hebben een paar gewonden geëvacueerd,” zegt een van hen, als hij met flesjes water het bloed van zijn armen begint te spoelen. Er klinken steeds meer schoten.

Enorme rijen auto’s, volgepakt met families – de kinderen soms in de imperiaal op het dak – proberen de stad uit te rijden. Een gewone uitvalsweg wordt een chaotische vijfbaans vluchtroute. De meest opvallende onder de vluchtelingen zijn dezelfde mannen met wapens die even daarvoor riepen dat ze Kirkuk zouden verdedigen.

Peshmerga-2
Beeld door: Kurdishstruggle

Oliestad Kirkuk kwam in 2014 in Koerdische handen, nadat Iraakse troepen op de vlucht waren geslagen toen IS oprukte. Maar nu is het de beurt aan de Koerden om te vluchten.

Baiz, een twintiger, ziet het vreselijk zenuwachtig aan. “Ik ben bang voor de sjiitische Hashd al Shabi (volksmilities die meevechten met het reguliere leger van Irak). Ik ben half jezidi. Ik ben geen moslim, ze zullen mij doden.” Zijn telefoon gaat. Zijn moeder roept in zijn oor: “Baiz, je moet of terugvechten, of vluchten. Wij gaan nu zelf de stad uit.” Maar Baiz heeft geen wapen. De man van zijn zus had er wel een, maar die is een paar uur eerder ten zuiden van Kirkuk doodgeschoten. Volgens Baiz door een militie. Hij heeft nog steeds veel ongeloof in zijn ogen, over hoe snel alles gaat. “We zijn verraden. Ook door Amerika, waar zijn ze nu? Wij hebben toch gevochten tegen IS?” Hij stapt in een auto van een vriend en voegt zich bij de duizenden anderen die vertrekken.

 

“Baiz, je moet of terugvechten, of vluchten. Wij gaan nu zelf de stad uit.”

Bijna alle voertuigen zijn helemaal volgestouwd. Er rijdt zelfs een ijscokar tussen. Uit het ronde gat waar normaal het ijs zit, steekt nu het hoofd van een meisje van een jaar of tien.

Een groepje van tien koerden met wapens blijft op de weg staan. Ik sta tussen hen in, totdat ik besluit aan de zijkant van de weg een kleine sanitaire stop te doen. Precies als ik klaar ben, nog net vijf meter van de weg, wordt er dwars door de straat geschoten. Vanaf zeer korte afstand. Deels met groot kaliber.

De Koerdische mannen stuiven weg. Ik ren langs de dichte winkeltjes richting een huis waar ik eerder een man buiten zag staan en duik de tuin in. Mijn huurauto blijft achter op straat. Tareq, die hier woont, pakt mijn autosleutels. Hij rent naar de glimmende witte SUV en rijd keihard achteruit, tot bij zijn huis.

Vanuit de tuin zie ik een paar zwarte gepantserde humvees verschijnen van de speciale antiterreureenheid van het Iraakse leger. De eenheid die voorop reed in de strijd tegen IS. Een jeep heeft een geluidssysteem. “Handen omhoog, geen rare dingen.” De paar burgers die nog op de stoep staan, houden hun armen in de lucht.

Ik houd mij nog steeds verborgen in de tuin van Tareq. Hij en zijn vader zijn achtergebleven, terwijl een deel van de familie is gevlucht. Pas als het donker wordt, ga ik de poort weer uit. Een humvee met een paar militairen er omheen staat 20 meter verder. Ze letten niet op als we de auto verplaatsen, dieper de wijk in, naar een huis waar ik zal slapen.

Ik bel met een contact binnen de Peshmerga. Die zegt hetzelfde wat de regering van Iraaks Koerdistan ook roept. “Dit zal Bagdad duur komen te staan.” Maar iedereen blijft vaag over wat dat betekent. “Een tegenaanval?” vraag ik mijn contact. “We zullen het zien,” zegt hij.

Als ik dinsdagochtend wakker word, is het stil in de stad. De plek waar ik logeer is onzichtbaar vanaf de straat. De binnenkant van de poort is in de kleuren van de Koerdische vlag beschilderd. Het is symbolisch voor de Koerden in Kirkuk. Naar buiten toe zullen ze in deze stad nu moeten leven onder de vlag van Irak, maar in hun harten wappert de groen-wit-rode Koerdische vlag.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Hans Jaap Melissen is een oorlogsjournalist, schrijver en spreker. Hij werkt onder andere voor de NOS. In 2012 werd hij verkozen tot …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief