Westerlingen zijn niet gemaakt om te lijden. Dat leerde ik als kind al, toen ik voor het eerst op een Nederlandse basisschool zat. We speelden ‘Ik ga op vakantie en neem mee’. Het was een van de eerste kringgesprekken waar ik aan mee mocht doen. We bedachten voorwerpen die we mee zouden nemen naar een onbewoond eiland en fluisterden die giechelend het ene na het andere oor in.

Zakdoeken, knikkers, konijnen en een tovenaar: dingen waar je op een onbewoond eiland niets aan zou hebben , maar die opvielen en makkelijk te onthouden waren. Het spel was niet bepaald een kwestie van leven of dood. Zoiets zou het merendeel van de kinderen in de kring nooit hoeven meemaken.

Tastbare herinneringen

Al zolang ik me kan herinneren ben ik een verzamelaar. In mijn oude kinderkamer en op de zolderkamer van mijn ouders ligt een wereld aan tienerherinneringen stof te vangen. Ook tijdens mijn studietijd verzamelde ik een hele berging vol: oude notities, tweedehands mobiele telefoons en kleine souvenirs die me doen denken aan gelukkige levensgebeurtenissen of semi-verre reizen. Zonder die voorwerpen zijn mijn herinneringen voortvluchtig. Net als ik dat zelf ooit was.

Ontheemde mensen vinden troost in herinneringen. De voorwerpen die we bewaren zijn de tastbare verbinding aan die herinneringen. Mijn eerste bruine Barbie herinnert mij aan een vijftien jaar jongere ik, die de pop cadeau kreeg van haar moeder, zodat ze haar dezelfde vlechtjes aan kon meten als de grote meiden op televisie. De foto van mijn eerste grotemensenfiets toont mijn enige bezit als kind dat gloednieuw uit de winkel kwam en dezelfde dag nog gestolen werd: mijn eerste les in onrecht.

Verzamelde voorwerpen maken de levensfases waar ik doorheen ging tastbaar. Dankzij hen kan ik me ervan verzekeren dat die herinneringen echt onderdeel van mijn leven zijn geweest. Volgens mijn psycholoog heeft dat alles te maken met hoe ik mijn eerste levensjaren doorbracht, als oorlogskind en later asielzoeker in Nederland. Mensen die bekend zijn met vluchttrauma’s zal dit vast niet vreemd in de oren klinken: onbewust altijd voorbereid op de mogelijkheid van een crisis.

Mijn normaal in de praktijk

Mijn eerste dagen quarantaine voelden op een wrange manier vertrouwd. Ik sprak familieleden die verspreid wonen over de wereld op dezelfde afstand als voorheen en met vrienden die een vluchtelingenachtergrond hebben lachte ik zo nu en dan de spanning eraf: komt die duizend euro die we onder ons matras verstoppen voor noodsituaties toch nog eens van pas.

Nu heel Nederland steeds langer in quarantainetoestand leeft, word ik mij pijnlijk bewust van hoe ongewoon mijn normaal al die tijd is geweest. Voor mensen uit mijn omgeving die in hun leven weinig ervaring hebben met crises, is er veel veranderd sinds de uitbraak van Covid-19. Een diepgewortelde overtuiging, dat onze manier van leven in het Westen nooit verstoord zou kunnen worden, is plotseling op losse schroeven komen te staan. Daarvoor in de plaats kwam het soort collectieve rampspoed dat sinds de wereldoorlogen geen onderdeel meer was geweest van de West-Europese realiteit.

Premier Rutte had het schijnbaar niet tegen de mensen die recent nog midden in een leven-of-doodsituatie zaten

Ook politieke commentatoren zijn ontluisterd: ze beklagen zich erover dat de uitbraak in het Westen meer weg heeft van een rampgebied in een ontwikkelingsland dan één in een welvarende wereldmacht. Hardop speculeren ze over de reden achter het uitblijven van soortgelijke rampscenario’s op het Afrikaans continent, waar we dergelijke beelden van gewend zijn. ‘Kloppen de cijfers wel?’ vragen we ons stiekem af. Onze eigen premier sprak in een persconferentie van ‘een van de grootste, meest ingrijpende en meest bedreigende periodes die ieder van ons ooit zal meemaken’.

Vanuit zijn rol doet Rutte een belangrijke poging het gewicht van de bewogen tijden waarin Nederland leeft onder woorden te brengen. Toch vraag ik me af: tegen wie had onze premier het? Schijnbaar niet tegen de mensen die recent nog midden in een leven-of-doodsituatie zaten, zoals een oorlog in Syrië of een dictatuur in Eritrea. Voor deze landgenoten is dit niet de eerste humanitaire ramp van hun leven. Toch krijgen zij ook te horen dat dit het ergste is wat zij ooit zullen meemaken.

Wat onze taal over ons zegt

Op de piek van onze onzekerheid, onze wanhoop en ons verdriet onthullen we meer over onszelf dan we denken. Van onze taal en onze berichtgeving over de maatschappelijke effecten van Covid-19 druipt onze uitzonderingspositie in de wereld af. Met de taal die we collectief, via de media en onze leiders, bezigen, vertellen we de wereld als het ware welke positie we vinden dat we in deze tijd verdienen: een betere, waarin we ook nog eens het beste slagen in het vinden van een oplossing.

Mensen met een vluchtelingenachtergrond hebben deze staat van chaos, extreme voorzichtigheid en dagelijkse onzekerheid al eerder in hun leven gezien. Voor sommigen is dit zelfs het normaal waar ze hun hele kindertijd in verkeerden. Anderen dreigen tot de dag van vandaag nog uitgezet te worden. Daarmee vergeleken is wekenlang in quarantaine doorbrengen vervelend, maar met een dak boven je hoofd, stromend (en warm) water uit de kraan en eten op de plank zijn dat relatief luxe omstandigheden. Vanuit mijn eigen comfortabele quarantaine vraag ik me dan ook af wat een aankondiging dat we nooit iets ergers mee zullen maken zegt over de ervaringen die wij – als Nederland – wel of niet rekenen tot ‘onze pijn’.

Of het nu Ebola is in West-Afrika of de varkensgrieppandemie in Midden-Zuid-Amerika en elders, de strijd tegen grootschalige virusuitbraken, crises en pandemieën is voor de rest van de wereld helaas wél iets van alle tijden. Tijdens de coronacrisis leek de westerse wereld even te zijn vergeten dat goede oefening op crises kunst baart, schreef Rufaro Samanga op Okay Africa. Crisismanagement, of dat nu dagenlang in quarantaine zitten is of het neerzetten van geïmproviseerde ziekenhuisbedden in stadions, is een vaardigheid die niet-westerlingen al decennialang bezitten.

Onze taal, met zijn dagelijkse stereotypen over Afrikaanse landen en andere landen buiten het Westen, heeft ons dat tot nu toe doen vergeten. Wij zijn niet gemaakt om te lijden, zeggen we, om een ontoereikend zorgsysteem te hebben of geen toegang tot levensnoodzakelijke vaccins. Die lijdensweg schrijven we liever toe aan andere werelddelen. Dat het Westen zich niet zo moeiteloos als verwacht door deze humanitaire ramp loodst is een pijnlijke realisatie: dit is niet wat we besteld hadden.

Dit is een bewerkte versie van een column die eerder verscheen in OneWorld-magazine.

We leven in onzekere tijden door het coronavirus. Er is behoefte aan betrouwbare informatie én verdieping. We hopen dat je dit bij ons vindt en wil bijdragen aan onze onafhankelijke journalistiek.

Dit kan je doen door te doneren of je te abonneren op ons magazine. Alvast bedankt!

A man walks a past a begger

Niet corona, maar ongelijkheid doodt de meeste mensen

'Het is tijd voor een eerlijker zorgsysteem.'

veDIyR3Q

‘Ben je ongesteld ofzo?!’

Het gebrek aan bewustzijn over validisme irriteert me, schrijft Munganyende Hélène.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
veDIyR3Q

Over de auteur

Columnist

Munganyende Hélène Christelle (1993) is schrijver, sociaal cultureel commentator en medepresentator van de podcast Fufu & …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief