“Er is niks mis met homo’s, maar ik hoef geen zoenende mannen te zien.” “Vandalisme slaat natuurlijk nergens op. Maar dat homoseksualiteit zo expliciet in het openbaar getoond wordt, slaat ook nergens op.” Ik praat met een aantal mensen over de vernielde posters van SuitSupply. Ik begrijp de reacties wel. Ik kom uit een christelijk milieu en daar worden beelden van intimiteit al snel immoreel gevonden. Mijn gesprekspartners willen niet met naam en toenaam in dit artikel. “Internet onthoudt alles,” zegt de een. Een ander maakt zich zorgen over de reputatie van zijn bedrijf en zal nog laten weten of hij meewerkt. Het blijft stil.

Het maakt dat ik me afvraag wat ik zelf eigenlijk vind van zulke ‘expliciete’ beelden van homoseksualiteit. De eerste keer dat ik de posters zag, betrapte ik mezelf op licht ongemak. Anderzijds maakten de afgeplakte beelden me heel verdrietig: die wekken de indruk dat homo’s er niet mogen zijn. Alsof mijn liefde voor mijn vriendin niet mag worden gezien. Ik heb zelf een relatie met een vrouw, dus kan ik niets tegen homo’s hebben.

Toch?

Hoe we discrimineren zonder dat te willen

Nederland heeft niet veel op met homofobie. Een onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau wijst uit dat meer dan 90 procent van de Nederlanders vindt dat homo’s hun leven moeten kunnen leiden zoals zij dat willen. Een concretere vraagstelling leidt echter tot een heel ander geluid: een op de drie vindt zoenende mannen aanstootgevend, en een kwart van de Nederlanders vindt homoseks zelfs walgelijk. Acceptatie is de norm, maar zichtbare homoseksualiteit kan op aanzienlijk minder steun rekenen.

Is dat vergelijkbaar met de discrepantie die ik zelf ervaar? Ik kan me niet voorstellen dat mijn uitgesproken steun voor de vrijheid van homoseksualiteit onbewust niets meer is dan een sociaal gewenste overtuiging. Dat hoeft ook niet zo te zijn, stelt Hanneke Felten (projectleider effectiviteit en diversiteit bij Movisie) me gerust. Dat ik niets tegen homoseksualiteit heb, is mijn expliciete houding, legt ze uit. Die hangt af van wat ik denk dat de norm is en van wat ik denk dat anderen vinden. Daarnaast heb ik ook impliciete vooroordelen. Die twee liggen niet altijd op één lijn, maar zijn allebei realiteit.

Felten illustreert dat met een voorbeeld over huidskleur. “Witte mensen die een trein binnenstappen, kiezen vaker een zitplaats naast witte mensen. Vraag je ze vervolgens of ze minder graag naast zwarte mensen zitten, dan reageren ze vaak verontwaardigd.” Toch blijft het feit dat ze eerder naast een wit iemand plaatsnemen. Dat is hetzelfde principe als geen zoenende mannen op een poster willen zien, terwijl je er tegelijkertijd van overtuigd bent dat homofobie slecht is.”

12871971574_1a9abb43e0_o
© prin_t op Flickr

De negatieve associaties van ons brein

Waar komt dat door, zulk non-verbaal negatief gedrag dat indruist tegen je positieve opvattingen over homo’s? Felten legt het uit: “Vooroordelen draaien om – al dan niet negatieve – gevoelens die je hebt ten aanzien van homo’s. Stereotypen zijn de denkbeelden die je over homo’s hebt. Bijvoorbeeld dat homo’s van theater houden, of modeontwerpers zijn. Beide bestaan op impliciet en op expliciet niveau.”

Impliciete vooroordelen en stereotypen zijn de associaties die ik heb met een bepaalde groep mensen. Die houding wordt gevormd door mijn ervaringen. Als ik in de media homo’s steeds gekoppeld zie worden aan uitbundige seksfeesten, maakt mijn brein automatisch negatieve associaties. Hoe vaker ik zo’n associatie leg, hoe sterker hij wordt. Zo worden ze uiteindelijk automatische reacties.

Hoe vergroot je homo-acceptatie?

Op sociale media zie ik dat mensen die hun ongemak over de posters uitspreken, met de grond gelijk worden gemaakt. Is dat terecht? Mogen we mensen afrekenen op hun impliciete vooroordelen? Kunnen zij iets aan hun gevoelens doen? Volgens Felten zijn we nooit vrij van vooroordelen, maar kun je je impliciete houding wel degelijk bijsturen. “Probeer je bewust te zijn van je impliciete vooroordelen. Handel naar je expliciete overtuiging.” Concreet: ga als wit persoon juist eens naast die zwarte treinreiziger zitten.

Ook Frans Blokhuis (24, masterstudent Gender Studies) gelooft daarin. Hij schreef een bericht op Facebook dat ruim vierduizend keer werd gedeeld. Een citaat daaruit: “Aan iedereen die die posters afplakt, er een smerig gezicht bij trekt, er homofobe grappen over maakt: jouw walging is het probleem. (…) Doe er iets aan.” Wat moeten die mensen er volgens hem aan doen? Blokhuis: “Ik veroordeel niet wat iemand voelt. Maar ik zou zeggen: denk eens na over hoe hetero-normatief je je leven inricht. Kijk je weleens films waarin twee mannen verliefd op elkaar worden? Heb je LHBT+ vrienden of sta je daarvoor open?”

9215267876_114f088161_o
© BIllie Yadie op Flickr

Mijn eigen relatie zou me toch positieve associaties met homoseksualiteit moeten hebben opgeleverd?

Hoe fijner je ervaringen met individuele homo’s zijn, hoe positiever je automatische associaties naar alle homo’s namelijk worden. Wat ik dan toch niet helemaal kan rijmen, is mijn eigen ongemakkelijkheid bij die zoenende mannen. Mijn eigen relatie zou me toch voldoende positieve associaties met homoseksualiteit moeten hebben opgeleverd? “Dat je niet negatief bent naar lesbiennes, wil niet zeggen dat je hetzelfde ervaart bij mannenkoppels. Dat is een andere groep,” verklaart Felten. “Eigenlijk moet je dus in al die ‘groepen’ ervaring opdoen.”

Wat beeldvorming met vooroordelen doet

Ik vertel Niels Spierings (politiek- en gendersocioloog aan de Radboud Universiteit) over mijn religieuze en bi-culturele achtergrond. Dat doe ik omdat ik mijn ongemak wil verklaren, misschien vanuit een soort schaamte. “Waar je in je jeugd aan wordt blootgesteld, blijf je je hele leven meedragen,” reageert Spierings. “Dat betekent niet dat je niet verandert, maar het bepaalt je startpositie. Als je opgroeit in een omgeving waar niet veel over seksualiteit gesproken wordt, homo’s niet openlijk aanwezig zijn of zich enorm conformeren aan het beeld van een ‘normaal’ persoon, dan ben jij minder in aanraking geweest met openlijke beelden van homoseksualiteit. Dan is het logisch dat je daar terughoudender op reageert of van schrikt. Je bent ze gewoon niet gewend.”

Uiteindelijk draait het dus om beeldvorming. Hoe vaker ik mannen zie die elkaar lichamelijke affectie tonen, hoe normaler ik die vind. Hoe normaler ik ze vind, hoe minder ongemakkelijk ik me voel. Dat verklaart ook de ophef over de posters van SuitSupply: dergelijke beelden zijn zeldzaam in de publieke ruimte en alleen daarom al roepen ze zoveel reacties op. Anderzijds: een reclamecampagne als deze werkt homo-acceptatie niet altijd in de hand. Felten: “Voor iemand die er redelijk voor openstaat kan het een duwtje in de goede richting zijn, voor anderen kan het juist averechts uitpakken.”

“Neem een jongen van vijftien wiens vrienden vinden dat homo’s vies zijn,” stelt ze voor, “die weinig homomannen kent en onzeker is over zijn eigen mannelijkheid. De kans bestaat dat hij door de poster juist meer afstand neemt. Hij krijgt dan een negatievere associatie bij homo’s en kan zichzelf nog minder met hen identificeren.” Behalve gewenning is ook inleving belangrijk om homo-acceptatie te vergroten. Vandaar dat vriendschappen met LHBT+’ers vruchten afwerpen. Want wie zich in een ander kan inleven, houdt weinig ruimte over voor afkeer (en andersom).

Als ik zeg dat ik niets tegen homo’s heb, maar hun onderlinge affectie liever niet in de openbare ruimte zie, zeg ik eigenlijk: “Ik wil dat stuk van jullie niet zien. Jullie genegenheid hoort niet in de publieke ruimte thuis.” Blokhuis gaf een mooie repliek. Hij zei: “We vragen niets geks. We willen elkaars hand kunnen vasthouden, elkaar kunnen zoenen. Net als iedereen. Erbij horen, meedoen.” Dat breekt mijn hart. De volgende keer dat iemand naar mijn reactie vraagt, zal ik zeggen dat ik me soms ongemakkelijk voel en dat ik daarvan af wil. “Ik heb niets tegen homo’s, ik moet alleen even wennen als ze gaan zoenen…”

EstherOW

Over de auteur

Chef Online

Esther (1991) is chef online bij OneWorld en schrijft graag over seksualiteit en identiteit.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief