Als kleine kinderen erachter komen dat de hamburger op hun bord een in stukjes gesneden, dood dier is, vinden ze dat vaak een absurd of zelfs griezelig idee. Soms willen ze daarna vegetariër worden. Hun ouders snappen dat argument, heus – zeker na het zien van wéér zo’n filmpje op social media, met wéér zo’n spartelend kalf in een slachthuis.

Toch zullen ze hun kind in de meeste gevallen van gedachten willen laten veranderen. Ze leren het dat het eten van vlees nu eenmaal ‘normaal’ is. Ze vertellen hun kind dat dierlijke producten gezond zijn, noodzakelijk zelfs, en verzwijgen daarbij dat er ook plantaardige varianten zijn, die even voedingsrijk of zelfs gezonder zijn. Ouders leren de volgende generatie wat hun eigen generatie ook heeft geleerd: dat het oké is om weg te kijken van ernstig leed, en dat het zelfs verstandig is om onze natuurlijke compassie te beperken tot ‘de eigen soort’.

Antropoloog Roanne van Voorst (1983) schreef het boek Ooit aten we dieren (2019, Podium), waarvoor zij in de geschiedenis van het diereneten en de toekomst van een plantaardige samenleving dook. Ze sprak er onder anderen melkveehouders, sociologen en voorvechters van dierenrechten voor.

Waarom filmpjes van dierenleed ons zo weinig doen

Waar onze grootouders hun vleesproductie beperkten tot af en toe een beetje (meer was onbetaalbaar), eten we sinds de Tweede Wereldoorlog en de industrialisatie niet alleen steeds vaker, maar ook steeds grotere hoeveelheden vlees. Een individuele Nederlander eet 35 à 40 kilo vlees per jaar. Dat is 45 procent méér dan het Voedingscentrum aanraadt.

Zelf zouden we nooit gezonde dieren versnipperen, vergassen of neerschieten

De meeste mensen gruwen van het idee dat dieren mishandeld worden omdat wij hun vlees, melk en eieren lekker vinden. Wij zouden zelf nooit de staart van een koe omdraaien als we wisten dat dat enorm veel pijn doet, wij zouden een mannelijke big niet zonder verdoving castreren, of kippen kweken die zo groot worden dat ze amper kunnen lopen. Wij zouden geen gezonde dieren versnipperen, vergassen of neerschieten. En toch doen we daar bijna allemaal dagelijks aan mee, door in de winkel vlees en zuivel te kopen. Dat doen we zonder te vinden dat we immoreel handelen, omdat we van kleins af aan hebben geleerd om ons af te wenden van dierenleed.

Dat kost niet eens zoveel moeite. Wij mensen wennen namelijk vrij snel aan dingen die ons in eerste instantie angst aanjagen, of die in eerste instantie een gevoel van mededogen in ons opwekten. Dat lukt ons door een combinatie van gewenning (aan filmpjes van dierenleed, bijvoorbeeld) en wegkijken (van diezelfde filmpjes). Het lukt ons ook doordat we ‘productiedieren’ letterlijk minder zien, wat onder andere mogelijk is geworden door moderne technologie. Koeien worden tegenwoordig bijvoorbeeld machinaal gemolken, en slachten gebeurt veelal met behulp van loopbanden. Dat is efficiënter, maar zorgt ook regelmatig voor fouten, waarbij de dieren zwaargewond maar onverdoofd over de band glijden.

Dierenwelzijn

Vee in de bio-industrie verkeert in een permanente staat van stress; dieren staan veel te dicht op elkaar, lijden altijd pijn (doordat ze gefokt zijn om zo snel mogelijk, zoveel mogelijk melk, eieren of vlees te produceren) en worden geslacht zodra ze ‘op’ zijn. Bij melkkoeien komt dat moment na een jaar of vijf (de stiertjes worden veelal direct geslacht omdat ze ‘restproducten’ zijn van onze melkindustrie). In de natuur leven runderen zo’n 20-25 jaar. ‘Scharrel’-legkippen worden na ongeveer negen weken geslacht (behalve de haantjes, die bijna allemaal direct na geboorte worden versnipperd). Gemiddeld wordt een kip in de natuur minstens tien jaar oud.

Ook de dieren zelf veranderen we trouwens: wetenschappers proberen varkens te fokken die dankzij de samenstelling van hun DNA minder hoge stresswaarden in hun bloed laten zien. Die waren de laatste decennia namelijk enorm gestegen door de grootschalige en haastige wijze waarop we dieren zijn gaan houden en transporteren, waardoor hun vlees taaier werd. Andere onderzoekers proberen varkens te creëren die sneller groeien met minder eten, en anderen pogen koeien te fokken met net zo’n flinke uier als de productiefste melkkoe, maar die even snel groeit als een vleeskoe. Dat leidde nog niet tot de gewenste lucratieve koe; wel tot een paar honderd spontane abortussen, miskramen en misvormd geboren kalfjes. 1

Uit het oog, uit het hart

De meeste diereneters zijn zich niet van dit soort ontwikkelingen bewust. Ze laten zich gemakkelijk misleiden door verpakkingen in de supermarkt die ‘diervriendelijk’ vlees beloven, of melk afkomstig van een ‘blije’ koe. Consumenten geloven daarin: deels omdat dat goed uitkomt, maar ook omdat ze simpelweg nooit in de bedrijven komen waar dierlijke producten worden geproduceerd.

Wel kennen ze de kleinschalige boerderijen waar dieren gehouden worden als amusement of voor educatieve of commerciële doeleinden, zoals de kinderboerderijen en de geitenboerderijen die veel in en rondom steden te vinden zijn, maar die lijken in niets op de grootschalige kippen-, varkens- of koeienproductiebedrijven. Die worden strategisch gebouwd: in dunbevolkte gebieden, ver buiten het zicht en gehoor van de diereneters.

Door de constante bevestiging dat dierenleed normaal zou zijn, raken we gewend aan wreedheid jegens dieren

Zou een twijfelende diereneter zo’n megastal of slachthuis willen bezoeken, dan kan dat niet zomaar: megastallen en slachthuizen blijven voor buitenstaanders hermetisch afgesloten, en over de hekken klimmen (bijvoorbeeld om filmmateriaal te verzamelen, wat dierenactivisten nog weleens proberen) is wettelijk verboden.

De impact van vlees op het klimaat

In 2018 voerden onderzoekers van Oxford Universiteit de grootste analyse onder voedselproducenten ooit uit. 2 Zij concludeerden dat het vermijden van dierlijke producten meer milieuvoordelen oplevert dan álles wat je verder voor de planeet kunt doen. In 2018 leverden vlees en zuivelproducten 18 procent van onze calorieën en 37 procent van de eiwitten die we aten, terwijl de industrieën 83 procent van al onze landbouwgrond gebruikten, en verantwoordelijk waren voor 60 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw.

Door die fysieke verwijdering tussen mens en productiedier, en door de constante bevestiging dat dierenleed normaal zou zijn, raken we steeds meer gewend aan wreedheid jegens dieren en worden we steeds ongevoeliger voor het lijden van andere wezens. Dat heeft niet alleen invloed op ons gevoel over het leed van dieren, maar ook voor onze capaciteit om mee te kunnen voelen met het leed van bootvluchtelingen, oorlogsslachtoffers en overstroomde gemeenschappen.

Zoals de Franse dichter Alphonse de Lamartine (1790-1869) schreef: ‘We hebben niet twee harten, één voor mensen en één voor dieren. We hebben één hart, of niet.’ In ons aan geweld gewende hart vinden we het leed van anderen best heel erg, maar we vergeten dat leed zonder al te veel moeite – we zappen weg, verbannen nare beelden uit onze gedachten en smeren nog eens een boterham. Met roomboter. En kaas, of salami.

Oefening in menselijkheid

Je kunt geen vlees produceren zonder geweld, en ook de eier- en zuivelproductie schaden of doden dieren. Toch zouden de meeste diereneters over zichzelf zeggen dat ze waarden aanhangen als compassie, mededogen en rechtvaardigheid. En dat doen ze vast, als het andere mensen (en sommige dieren) aangaat.

Maar als het gaat over wat we in onze maatschappij beschouwen als ‘eetbare dieren’, gelden die waarden niet meer. Die manier van denken leren we al jong aan, bijvoorbeeld door reclamecampagnes over ‘melk, de witte motor’ en misleidende labels over ‘scharrel’-kippen. We leren het ook van onze docenten op school, de artsen in het ziekenhuis, en – vooral – van elkaar.

Het is verkeerd dat we kinderen laten wennen aan onze geïnstitutionaliseerde wrede omgang met dieren. We zouden hun – en onszelf – moeten leren om oprecht bezorgd te zijn om het welzijn van anderen. Dieren pijn doen kan niet ‘gewoon’ zijn. Zeker niet nu het eten van vlees allang niet meer noodzakelijk is voor onze gezondheid – er zijn genoeg betaalbare en volwaardige alternatieven verkrijgbaar.

AtenDieren

‘Ooit, nog niet zo lang geleden, aten we dieren’

Gaan we een toekomst van veganisme tegemoet?

Juist door dat actief uit te dragen en ons voedselpatroon aan te passen, oefenen we onszelf in menselijke waarden als compassie, vriendelijkheid en zorgzaamheid. Op die manier biedt veganisme ook tegenwicht aan afstomping en cynisme. Dat is belangrijk. Niet alleen voor die dieren en de aarde waarop we samen met hen leven, maar ook voor onszelf en onze samenleving.

Als we het idee dat het eten van dieren ‘normaal’ en ‘noodzakelijk’ zou zijn blijven herhalen, scheppen we afstand tussen onszelf en de immorele praktijken waar we aan bijdragen. We gaan voorbij aan het feit dat het onderscheid tussen ‘huisdier’ en ‘productiedier’ volstrekt arbitrair is, en dat de industrie die we er binnen een generatie omheen hebben gebouwd moreel onaanvaardbaar is, hoe lekker we dierenvlees ook vinden.

Silkie-190613-0111-CE-XL

Insta-katten zijn schattig, kiloknallers eet je op

Hoe verklaren we de dubbele moraal in onze omgang met dieren?

group-of-hen-inside-cage-2273602

Kip, het meest geëxporteerde stukje vlees

Nederland is de grootste dierenhandelaar ter wereld.

  1. Dit beschrijft de Amerikaanse journalist Matthew Scully in zijn boek Dominion (p. 236). ↩︎
  2. De onderzoekers, J. Poore en T. Nemecek, publiceerden hun artikel ‘Reducing food’s environmental impacts through producers and consumers’ in het wetenschappelijke tijdschrift Science. ↩︎

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
AtenDieren

Over de auteur

Roanne van Voorst is antropoloog en schreef het boek Ooit Aten we Dieren (Podium, 2019) waarin ze de geschiedenis van het diereneten …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief