Afgelopen februari bezocht ik een debatavond in de Rode Hoed in de reeks ‘It’s Food, Stupid!’. Staatssecretaris Henk Bleker opende de avond. Hij betrad het podium terwijl hij zwaaide met een zak sperzieboontjes van de Albert Heijn.

‘Deze boontjes komen uit Kenia’, stelde Bleker. ‘Er zijn mensen die zeggen: boontjes uit Kenia zijn verkeerd! Hoeveel foodmiles zijn hiervoor wel niet afgelegd, deze boontjes zijn slecht voor het milieu! Welnu, dames en heren, ik ben hier vanavond om te zeggen dat ik trots ben op dit product. Het is een fantastisch voorbeeld van Nederlands ondernemerschap. Vorige week was ik in Kenia, en bezocht ik het bedrijf waar deze boontjes worden geproduceerd. Op dit grote, hi-tec bedrijf worden duurzame en gezonde producten gemaakt. Duurzaamheid heeft vele gezichten!

Het Amsterdamse publiek in de zaal was het er niet mee eens. Als klap op de vuurpijl vergat Bleker zijn boontjes ook nog eens op het podium. Over voedselverspilling gesproken, hoonde men op Twitter.

Ik vond het een mooie voorstelling van Staatssecretaris Bleker. Zijn Nederlands-Keniaanse boontjes slecht? Het Nederlandse hi-tec bedrijf zorgt voor flink wat werkgelegenheid voor de lokale bewoners, en ik kan me voorstellen dat een bedrijf van deze schaal efficiënter werkt en ja, wellicht zelfs duurzamer dan kleinschalige boerenbedrijfjes.

Maar hoe zit het met landgebruik? Was dat land niet in bezit van lokale boeren, voordat de Nederlandse ondernemer zijn bedrijf startte? Wat betekent deze concurrentie voor kleinschalige boerenbedrijven in de buurt? Hoeveel verdienen de werknemers? Waar komt het irrigatiewater vandaan? Vanuit dit perspectief zou je deze manier van werken ook kunnen omschrijven als hedendaags kolonialisme. En waarom? Omdat wij in Nederland het hele jaar door sperzieboontjes willen eten, en we niet bereid zijn ervoor te betalen.

Niet zo lang geleden realiseerde ik me dat voedsel in Nederland goedkoop is. En dan bedoel ik niet betaalbaar, maar echt onwaarschijnlijk goedkoop. Ik heb nooit honger gehad. Mijn vader ook niet. Maar mijn opa zeker wel.

Na de Tweede Wereldoorlog was het uitbannen van honger topprioriteit in Europa. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werd ingevoerd met als doel goedkoop voedsel te produceren voor consumenten en boeren een gegarandeerd inkomen te bieden. Boerderijen werden groter, en hand in hand met de mechanisatie van de landbouw slaagde Europa erin zelfvoorzienend te worden. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid was een enorm succes, iets te groot wellicht. De jaren tachtig stonden in het teken van de beruchte boterbergen en melkplassen. Europa produceerde teveel; overschotten werden – met exportsubsidie – gedumpt op de wereldmarkt. Hierdoor werden landbouwsystemen en voedselmarkten in ontwikkelingslanden kapot gemaakt. Deze exportsubsidies zijn inmiddels afgeschaft, en dumpen op de wereldmarkt komt niet meer voor. Het industriële, goedkoop voedsel producerende systeem dat mede door het GLB werd gevormd bestaat nog wel. Het voedt Europa en deels de wereld, loopt op zijn laatste benen. Het is een systeem dat drijft op de externe input zoals aardolie, en biodiversiteit neemt af. Er is geen plan B.

Er is nog iets anders aan de gang. In het proces van industrialisatie, waarin voedsel goedkoop werd, zijn we de waarde van voedsel verloren. We geven makkelijk honderden euro’s uit aan onze iPhone of vakanties. Maar dertig cent meer betalen voor een kilo biologische aardappels? Te duur! Vijftig cent extra voor een fair trade banaan? Geen sprake van.

Op welke manier is Nederland verbonden met Afrika? Het kapot maken van de voedselmarkt in ontwikkelingslanden is niet iets uit het verleden. Het gebeurt nog steeds. Subsidies die in het verleden werden gegeven hebben nog steeds hun uitwerking: er is een oneerlijke concurrentiepositie gecreëerd. Het huidige voedselsysteem is mondiaal verbonden. Problemen op het Afrikaanse continent, toenemende schaarste van grondstoffen bijvoorbeeld, zijn ook de problemen van hier. Voedselproblematiek in Afrika is niet langer het domein van ontwikkelingsorganisaties. Het is een noodzaak in een verbonden wereld.

Goedkoop voedsel is wat ons welvaart bracht. Nu is opnieuw voedsel de sleutel voor toekomstige ontwikkeling. Het gaat niet om de prijs, maar om de waarde van voedsel. We zouden kunnen denken over meer regionaal georiënteerde voedselsystemen. Ja, arme Afrikaanse boeren hebben een Europese afzetmarkt nodig. Maar zijn het echt de kleinschalige boeren die geld verdienen met het exporteren van hun producten? Ik vraag het me af.

De Europese welvaart is gebouwd op de productie van een goedkoop voedsel, in grote hoeveelheden. Een succesvolle economie start met een functionerend voedselsysteem. Voedselzekerheid is opnieuw het onderwerp voor de komende 20 jaar. Meer regionaal georganiseerde voedselsystemen zijn de toekomst. Jonge mensen, hier en daar, zijn in toenemende mate geïnteresseerd in hun voedsel. Er ontstaat een nieuwe voedselcultuur. Zoals Carlo Petrini, de president van Slow Food, zei: ‘Jonge mensen hebben het door. Wat rock was in de jaren ’70, is food nu.’ Dit betekent ook: weet waar je voedsel vandaan komt. En weet wie je eten heeft gemaakt. Daar kunnen geen Keniaanse boontjes tegenop.

Joris Lohman (26) is de voorzitter van de YFM (Youth Food Movement)

 

670

Over de auteur

Joris Lohman is de voorzitter van de Youth Food Movement, een netwerk van studenten en jonge professionals die zich onder andere …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief