We snapten al niet waarom dat groezelige jaren 70 Tropenhotel er nog stond, met die grauwe toren die als een vreemde rechthoek uit het mooie Oosterpark verrijst. We lunchen er elke week met de redactie. Maar volgens Peter van Assche heeft zelfs deze groezeligheid waarde. Als oprichter van architectenbureau SLA werd hem gevraagd een nieuw hotel te ontwerpen, maar dat deed hij niet. Ja, hij zag ook een ‘sleets’ gebouw dat niet goed in elkaar zat. “Maar slopen? Dat kun je echt niet meer maken in deze tijd. Ons advies: maak het gebouw vriendelijker, meer open naar het park, een plek voor mensen uit de buurt.”

Wie even stilstaat bij de grondstoffenschaarste, stikstofcrisis en stijgende zeespiegel ziet: we lijden onder onze neiging om steeds opnieuw te willen beginnen. “In tijden van overvloed gooien we alles weg en dan noemen we dat afval.” Maar dan vergeten we voor het gemak dat de economische kosten voor een strand vol plastic veel hoger zijn dan wat we even hebben verdiend aan al die waterflesjes. Van Assche is benoemd tot lector architectuur en circulair denken aan de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. Hoog tijd om als architecten een antwoord te vinden op die sloopgrage bouw, zegt hij, want die is in gewicht toch verantwoordelijk voor meer dan 50 procent van al het afval ter wereld.

Het is niet goed of fout om verspillend te werken, het is gewoon vooral heel onhandig

Van Assche en SLA staan bekend om hun experimentele aanpak. Waarom niet een bar bouwen met spullen van Marktplaats? Of zelf een fabriekje opzetten om plastic afval om te smelten tot materiaal waarmee je gevels kunt bouwen? Wat als we die hoofdaannemer nou eens helemaal uit ons bouwproces halen? SLA ontwikkelde in binnen- en buitenland circulaire paviljoens, duurzame zelfbouwhuizen, een sociaal woonwijkje, een kantoorgebouw zonder ecologische voetafdruk voor de stadswerkers van Amsterdam.

Je ontmoet niet snel iemand die op zo’n vrolijke toon een hele woonvoorraad als ‘slecht!’ bestempelt. Van Assche wil het gesprek over de circulaire economie graag uit de ‘morele’ hoek halen. “Het is niet goed of fout om verspillend te werken, het is gewoon vooral heel onhandig.”

Hoe is de sector zo vervuilend geworden?
Het is een wonderlijk proces: je denkt dat je als architect iets maakt voor de eeuwigheid, tenminste, dat is je droom en intentie. Maar gebouwen hebben nu een economische levensduur van 25 tot 30 jaar. Dan moet het eerste groot onderhoud plaatsvinden. Dat kost met de kwaliteit van veel van wat er gebouwd is zo veel, dat het de belegger beter uitkomt om te verkopen. Die nieuwe eigenaar maakt de afweging: slopen of nieuw leven inblazen? Te vaak gaan we over op slopen. Geen wonder dat we op 2684 kilo bouwafval per persoon per jaar uitkomen.

Begrijp me niet verkeerd: heel veel woningen en flats die we in hoog tempo na de oorlog bouwden, hebben een slecht leefklimaat. Ze zijn niet geïsoleerd, te monotoon, slecht aanpasbaar. Onhandig! Maar al die onhandige, koude grachtenpanden doen we toch ook niet weg? Sommige gebouwen doen we weg omdat we er niet graag wonen. In de Bijlmer is de gedroomde groene gemeenschap nooit van de grond gekomen en zijn we na vijftig jaar al die flats weer aan het slopen. Daar moeten architecten beter over nadenken. Wij onderzochten woonhofjes, die na vierhonderd jaar nog steeds superpopulair zijn. Op dat model van een beetje beslotenheid, een beetje sociale controle en gedeelde ruimte baseerden wij ons wijkje De Binnenhaven in Almere-Haven.”

PeterVanAssche_75
Beeld door: Anneke Hymmen

Grachtenpanden zijn mooi. Jaren 60 blokkendozen niet.
“Maar er zijn zoveel kansen en mogelijkheden om er iets moois van te maken. Het kantoor van museum NEMO huist hier vlakbij in een soort grijze lage loods, in een voormalig militair complex. We hebben daar met snij-afval uit de auto-industrie een nieuwe open gevel gemaakt en ervoor gemonteerd. In de stalen platen zie je de uitgesneden vormen voor nieuwe auto-onderdelen. Het gevoel past bij een science-museum. Ook het café waar we nu zitten, een oude officiersmess, is zo’n sleets gebouw. Van buiten is het niet mooi. Toch zitten we hier lekker, doordat het met zorg en oog voor die historie is gerenoveerd. Je voelt dat dit gebouw al een vorig leven heeft gehad. Ook met ons marktplaatspaviljoen, dat we samen met ontwerpbureau Overtreders W hebben gemaakt, merkten we: mensen vinden het fijn als je de oorsprong van iets herkent. Laten we dat koesteren. Bovendien ben ik tegen slopen omdat het bijna onmogelijk is om fatsoenlijk restmateriaal te halen uit de dingen die we hebben gebouwd.”

Wat bedoel je?
“Alles wordt aan elkaar gelijmd! Overal zit kit. Zo’n naoorlogs gebouw slopen is een nachtmerrie: je bent er maanden mee bezig en aan het einde van de rit heb je alleen maar onbruikbare zooi. Om circulair te bouwen moet je radicaal anders construeren. Met bureau SLA en overtreders W ontwierpen we voor Dutch Design Week het tijdelijke hoofdpaviljoen voor hun evenement. Het uitgangspunt: niets gelijmd, niets geschroefd, niet geboord, niet gezaagd. Alle materialen hadden we geleend en moesten net zo netjes weer terug naar hun eigenaren. Uiteindelijk bedachten de ingenieurs van Arup een constructie van houten balken die versterkt werden met ijzeren verbanden, bij elkaar gehouden door sjorbanden. Er konden negen dagen lang 600 bezoekers in en daarna werd alles onbeschadigd uit elkaar gehaald. Wat een gedoe, denk je. Maar het gaat hierom: in een circulaire economie bewaar je materialen tijdelijk in een gebouw, voor kortere of langere tijd. Daarna maak je er weer iets nieuws van. In zo’n model is de eigenaar van dit café niet de eigenaar van de grondstoffen, hij heeft ze alleen in bruikleen om geld te verdienen. Ze blijven uiteindelijk van ons allemaal.”

Het staat er slecht voor met onze grondstoffenvoorraad.
“Ja. In de jaren 70 zijn er berekeningen gemaakt en gepresenteerd als de studie Grenzen aan de Groei, waarin werd voorspeld dat als we niets deden, we tegen 2100 nog ongeveer 15 procent van de beschikbare grondstoffen over zouden hebben. Veertig jaar na die voorspelling zitten we nog precies op die lijn van ‘niets doen’. We moeten nog eens goed kijken naar onze logica. Het is in onze wereld geaccepteerd dat iemand water koopt in een fles die een levensduur heeft van honderd jaar, maar slechts een gebruiksduur van een paar uur. We leven in een wereld waarin het goedkoper is om nieuw katoen te kopen dan van oude spijkerbroeken nieuwe katoen te maken. Maar je kunt het niet meer verantwoorden om voor je eigen lol of plezier grondstoffen uit de aarde te halen. We moeten een systeem opzetten waarin iedereen de verantwoordelijkheid neemt voor de hele levensduur van die grondstoffen.”

Je kunt als architect je hele carrière doorlopen zonder ooit een metselaar te hebben gesproken

Hoe doet een architect dat?
“Architecten moeten, zoals we uitprobeerden met ons paviljoen voor Dutch Design Week, ontwerpen maken die het materiaal onbeschadigd laten, zodat het steeds weer gebruikt kan worden. Ze moeten leren vooruitkijken: in welke vorm kan deze balk straks ergens anders weer opduiken? Ik denk graag aan de verschillende toestanden van water: stoom, water of ijs. De schoonheid is dat er bij de overgang tussen die verschillende vormen geen kwaliteitsverlies optreedt. Het water dat uit de kraan komt, heeft in miljoenen jaren al in ontelbare toestanden bestaan – en is nog steeds hetzelfde.

We hebben net een gebouw voor de medewerkers van de stadsdienst van Amsterdam ontworpen, de Werven Nieuw West. Dat deden we zonder voor de gevel nieuw gewonnen grondstoffen te gebruiken, alle stenen zijn restmateriaal uit hun eigen werkplaats. We hebben ook nagedacht over een tweede leven voor het hele gebouw. Door de plafonds extra hoog te maken, kunnen er later appartementen van gemaakt worden. Verder moet een architect nieuwe materialen gaan gebruiken die niet giftig zijn en hernieuwbaar. We bouwen al veel meer met hout, dat natuurlijk CO₂ opneemt als boom, en die CO₂ vasthoudt als balk in een gebouw. Er zijn ook verantwoorde nieuwe materialen in overvloed, trouwens. Wij maken ondertussen modulaire wanden van tegels van gerecycled plastic bouwafval. En in een gebouw hier in de buurt verwerkten we gewoon, maar met een soort azijn geïmpregneerd vurenhout, waardoor het goed tegen vocht kan, en we er buiten mee konden werken.

Zo gaat dat met veranderingen: de idealisten hebben het lef ergens mee aan de slag te gaan

Ook moeten architecten veel nauwer samenwerken met de mensen die de gebouwen werkelijk gaan maken. Je kunt als architect je hele carrière doorlopen zonder ooit een metselaar te hebben gesproken. En dat is erg: want hij weet heel veel wat ik niet weet: hoe we met een partij oude en verschillende stenen toch een mooie egale muur maken, of hoe je op de meest slimme manier een bepaalde constructie metselt. Die kennis missen we en dat is helemaal niet efficiënt. Nu zegt een architect: dit is mijn tekening, daar moeten jullie het mee doen. Maar wat als de materiaalleverancier eigenlijk een veel beter en efficiënter staalprofiel heeft liggen? Die komt nu niet in dat gebouw terecht.”

Jij zegt: elke bouwperiode heeft een vormentaal die het denken van die tijd laat zien. De spaarzame, industriële stijl van de naoorlogse bouw moest de arbeider opvoeden, bijvoorbeeld. Over het uiterlijk van wat er tot nu toe circulair gebouwd wordt, ben je niet bepaald enthousiast. Het heeft een hoog ‘boekweitburgergehalte’.
“Je weet wat ik bedoel: die woningen zien eruit alsof er een hobbit gaat wonen. Veel vale aardkleuren, ronde ramen, scheve muren. En heel anekdotisch: muren met isolatie van oude sokken van medewerkers, een muur uit alleen oude kozijnen. Maar zo gaat dat met veranderingen: het zijn eerst de idealisten die het lef hebben ergens mee aan de slag te gaan. Die macramévormentaal hadden zij nodig om hun pionierende idealisme te laten zien: ‘Kijk ik heb een huis van autobanden gemaakt, is dat niet vet?’ Ja, maar nu komt the next level. Is het handig om die autobanden enkel op te stapelen? Of is het handiger ze om te zetten in een rubberen materiaal voor gevelbekleding?”

Hoe zien gebouwen eruit in de circulaire stijl?
“Er zit een schoonheid in die nieuwe bouwmaterialen waarin je nog een beetje hun vorige leven ziet. Je mag weer zien hoe iets gemaakt is, dat het niet allemaal uniform is, maar daardoor niet snel te produceren. Zoals onze plastic tegels: ze zijn allemaal net even anders omdat ook het basismateriaal van gerecycled plastic niet eenvormig is. En die ongelijkheid geeft een nieuwe natuurlijkheid. Allemaal aspecten die de vormgeving veranderen. Voordat we met circulair ontwerpen echt groot kunnen uitpakken, zal de hele industrie moeten gaan omdenken. Een brandveiligheidscertificaat gaat nu bijvoorbeeld uit van een homogene samenstelling van de grondstof. Tja, dat weten we dus niet.”

dandaji-mosque-atelier-masomi-architecture-mosque-library-community-centre-africa_dezeen_2364_col_22

Architect Mariam Kamara bouwt met respect

Deze architect geeft mensen eigenaarschap over hun cultuur.

_MG_1418

Herbruik je stad

Hoe kan Rotterdam omschakelen naar een circulaire stad?

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
bewlg3-0543

Over de auteur

Chef Magazine

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief