“Ik haat Nederlanders”, zegt mijn zusje tegen mij. Ik kijk verschrikt op, maar ik zie dat ze aan het lachen is. Ik hoor mijn 17-jarig zusje steeds vaker zulke grapjes maken. Vroeger was het “Ik haat Turken”, waar ik ook altijd van schrok. Ik kan mij nog goed herinneren dat mijn zusje zich gecomplimenteerd voelde als mensen niet doorhadden dat ze Turks is. “Je ziet er toch meer Nederlands uit”, zei een vreemde een keer bij de bushalte. Het gaf haar een boost van zelfvertrouwen. Ik zie echter dat ze, hoe ouder ze wordt, een ander mening begint te vormen. Een mening waar ik toch enigszins bang voor ben. “Je bent zelf een Nederlander!”, roep ik vanuit de woonkamer. Het lijkt wel een belediging. Het hoort helemaal geen belediging te zijn.

‘Als je Turks praat op school, dan word je geschorst’, zei mijn moeder vaak tegen mij

Als klein kind mocht ik van mijn ouders niet in het Turks praten op de basisschool. Een nichtje uit Haarlem was al een keer blijven zitten, omdat haar Nederlands niet voldoende ontwikkelde. Mijn moeder was bang dat dit ook met mij zou gebeuren. “Als je Turks praat op school, dan word je geschorst”, zei ze vaak tegen mij. Hoewel ik wist dat schorsen heel radicaal zou zijn, beloofde ik mijn moeder dat ik alleen in het Nederlands zou praten. Ik zag het als de voorwaarde om bij de klas te horen. Dit heeft veel effect gehad op mij. Mijn Turks ging heel snel achteruit, waardoor ik moeilijk bevriend raakte met de kinderen die wel Turks praatten. Deze kinderen leken juist als een statement meer Turks dan Nederlands te praten tijdens pauzes. Ook op de middelbare school had ik moeite. Je zou kunnen zeggen dat ik een fabrieksfout ben geworden onder de Turken.

Ebru Umar

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe geassimileerde Turken zoals Ebru Umar zijn opgegroeid, ook iemand die mijn zusje en aanhang haten. Als dochter van een oogarts en een patholoog was Ebru anders dan de andere gastarbeiderkinderen. Ik vraag mij af of zij, net zoals ik, zich een fabrieksfout heeft gevoeld onder de Turken en een steun en toeverlaat heeft gevonden in de nuchtere Nederlandse massa. Ik was vaak de enige Turk in zo’n massa, maar zelfs dat was na een tijd niet meer uniek. Mijn medestudenten of collega’s zagen uiteindelijk het verschil niet meer. Voor een moment voelde ik mij geassimileerd. Ik voelde dit voornamelijk in mijn studententijd, waar ik met een biertje in een kroeg stond, omringd door lange blonde studenten. Ik voelde dan een golf van afschuw en tegelijkertijd voelde ik mij schuldig. Ik voelde mij schuldig, omdat ik niet in mijn gemeenschap paste. Ook al wist ik niet wat dat inhield. Schuld maakte ook vaak plaats voor woede. Ik was vaak boos op de Turken en hun manier van doen. Hun gevoel voor superioriteit en hun blinde liefde voor hun land voelden voor mij als een voorwaarde om geaccepteerd te worden, waar ik niet aan kon voldoen.

De tata’s op school roepen dat wij kutturken zijn, ze moeten hun bek houden

“We worden toch nooit een van hun”, zegt mijn zusje. “De tata’s op school roepen dat wij kutturken zijn, ze moeten hun bek houden.” Pessimistische woorden voor een tiener. Uiteindelijk creëren wij onze eigen voorwaarden om ergens bij te horen. Sommigen vinden een paspoort al voldoende, anderen willen symbolische trouwheid naar de premier toe. Weer anderen willen dat je geen moslim meer bent of dat je eens mee borrelt op de vrijdagen.

DENK

Of ze willen dat je lid wordt van hun nieuwe splinterpartij. DENK zou voor de mensen moeten zijn die zich uitgesloten voelen. Voor de mensen die worden gediscrimineerd. Maar wat als zij juist de uitsluiting bevorderen? Het verbaast mij niet dat DENK in de peilingen steeds groter wordt. Het verbaast mij zelfs niet dat Sylvana er nu ook bij zit. Het zou mij ook niet verbazen als mijn zusje, als ze eenmaal mag stemmen, op DENK stemt. DENK past bij haar rebelse tienertijd.

Het is een partij die met mooie woorden strooit, zoals “verdraagzaamheid” en “rechtvaardigheid”, maar niet veel concrete plannen heeft

Zo zie ik DENK ook. Ik zie het als een rebelse periode in de politiek waar er nog net geen “Ik haat Nederlanders” wordt geroepen door sommige DENK-sympathisanten. De meerderheid van deze sympathisanten lijkt op mij: bicultureel, hoogopgeleid en links. Zij zien een steeds rechtser wordend Nederland en tegelijkertijd hebben zij een drang om erbij te horen. Ze willen uiteindelijk op de vrijdagmiddagborrel welkom zijn, maar daarna hun avondgebed kunnen verrichten. Ze willen Sinterklaas vieren zonder Zwarte Piet te gebruiken. Toch zie ik bij DENK alleen het opportunisme om deze boze individuen, zoals Farid en Sylvana, bij elkaar te brengen. Ik zag dezelfde realisatie al gebeuren tijdens een DENK-borrel als in mijn studententijd. De realisatie dat zij eerst uniek waren, maar na een tijd niet meer. DENK is voor mij een vreemde wind in de politiek. Een partij die met mooie woorden strooit, zoals “verdraagzaamheid” en “rechtvaardigheid”, maar niet veel concrete plannen heeft. Ik moet wel lachen als ik zie dat ze verplicht een keuzevak Arabisch, Chinees of Turks op de basisschool willen. Als DENK aan de macht komt zullen er in ieder geval niet snel fabrieksfouten, zoals mijn zusje en ik, worden gemaakt.

Of dit en de andere uitspraken zullen helpen aan de acceptatie, waar zij voor gaan in plaats van integratie, zal de komende verkiezingen wel aantonen.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
PLLRAAK_ESRA_DEDE_HR__24

Over de auteur

Freelance journalist

Esra Dede blogt voor OneWorld over alles wat haar opvalt. Hoewel haar ouders Turks zijn, heeft ze niets met labels als ‘allochtoon’, …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief