Ik was een jaar of twaalf. Urenlang kon ik wegdromen bij de kaarten in de atlas. Het ene moment fantaseerde ik over hoe het zou zijn om in een uithoek van Groenland te wonen, een paar bladzijden verder was ik in gedachten verzonken bij plaatsen als Ouagadougou, Antananarivo en Thiruvananthapuram. Hoe zou het dáár zijn? Hoe zouden de huizen eruitzien? Zouden de kinderen net als ik met de fiets naar school gaan? Gebaseerd op de beelden die ik op televisie zag en de verhalen die ik op school meekreeg, schetste ik in mijn hoofd een beeld van al die plekken in de atlas. Niets mis mee, dacht ik.

Naast begrip van de werking van de planeet en de wereld om ons heen heeft het aardrijkskundeonderwijs een sterk vormende kant. Op school leren leerlingen antwoorden te vinden op vragen over de wereld ‘daarbuiten’. Wie ben ik en waar hoor ik bij? Hoe zit de wereld in elkaar? Naast allerlei vakinhoudelijke inzichten zijn het dit soort vragen die leerlingen helpen een wereldbeeld te vormen. De zogeheten eindtermen van het vak1 vermelden dan ook ‘dat leerlingen tijdens de aardrijkskundelessen gestimuleerd zullen worden om na te denken over hun eigen beeld van een regio en dit beeld waar nodig bij te stellen’.

Koloniale taal

Als beginnend docent – ik sta nu ongeveer een jaar voor de klas – heb ik nauwelijks benul hoe ik vijfentwintig leerlingen tegelijk bewust moet laten worden van hun vooroordelen. De lerarenopleiding besteedt hier namelijk geen aandacht aan. Maar ik voel wel de verantwoordelijkheid om hier werk van te maken. Het lesboek BuiteNLand voor 4vwo uit 2016 leek hiervoor een goed uitgangspunt.

Zwarte Zuid-Amerikanen worden in een kaart met het n-woord omschreven

Het begin van het hoofdstuk ‘Zuid-Amerika’ meldt: ‘[I]n dit hoofdstuk bouw je vanuit een aantal invalshoeken een correct geografisch beeld op van Zuid-Amerika.’ Maar toen een leerling begin februari geschrokken naar me toe kwam en vroeg waarom het n-woord in het lesboek stond – ‘Dat kan toch al lang niet meer?!’ – begreep ik dat het lesboek niet het beste instrument is om stereotypen mee te ontkrachten. Waar over eurocentrisme in het geschiedenisonderwijs al langer kritiek is, horen we daar bij het vak aardrijkskunde nog weinig over.

Wat bleek: in dit hoofdstuk worden zwarte Zuid-Amerikanen in een kaart over de etnische samenstelling van de regio met het n-woord omschreven. Valt dat onder een correct geografisch beeld? Dat lesboeken grotendeels zwijgen over onze koloniale geschiedenis wist ik, maar dat het n-woord nog gebruikt wordt vond ik verbijsterend.

kaart oud blur
‘Etnische samenstelling Zuid-Amerika’ volgens Uitgeverij Noordhoff. De redactie van OneWorld heeft het N-woord geblurd.

Samen met een groepje leerlingen besloot ik begin dit jaar contact op te nemen met uitgeverij Noordhoff. Was het de samenstellers misschien ontgaan dat een van de meest beladen woorden uit onze samenleving in hun boek terecht was gekomen (en dus door het hele land wordt gebruikt)? Noordhoff erkende de fout. Op 18 februari liet de ‘content manager’ van de uitgeverij in een e-mail weten dat de uitgeverij er alles aan zal doen zodat dergelijke fouten voortaan niet meer in het lesmateriaal terug te vinden zijn. Gelukkig.

In de bijdruk was het n-woord inmiddels vervangen door ‘zwarten’

kaart nieuw
De ‘verbeterde’ kaart van Uitgeverij Noordhoff.

In de bijdruk was het n-woord inmiddels vervangen door ‘zwarten’, en ‘blanken’ door ‘witten’. Dat dezelfde kaart Zuid-Amerikanen met gemengde Europese en Afrikaanse voorouders ‘mulatten’ noemt, en de oorspronkelijke bewoners van het continent als ‘indianen’2 omschrijft, werd echter niet opgemerkt als problematisch. Noordhoff heeft die termen na het contact onveranderd gelaten; blijkbaar voelt Noordhoff als educatieve uitgeverij geen extra verantwoordelijkheid als het gaat om de dekolonisatie van onze taal.

Waarom is ‘mulat’ racistisch?
Ten tijde van slavernij en kolonialisme gebruikten de Europeanen het woord ‘mulat’ voor personen met zowel witte als zwarte (voor)ouders. De term is afgeleid van het Latijnse mulus, dat verwijst naar een muilezel, ofwel een kruising tussen een paard en een ezel. Het woord suggereert dat er een raciale classificatie zou bestaan. Daarom wordt het door personen met een gemengde afkomst als denigrerend en racistisch beschouwd.

Ook in bredere zin wordt in lesmateriaal vaak een eurocentrisch beeld geschetst. Soms expliciet, zoals met bovengenoemd racistisch en koloniaal taalgebruik of met achterhaalde termen als ‘derdewereldlanden’, vaak ook impliciet. Met name wanneer het gaat over ‘ontwikkeling’ en ‘arm en rijk’ wordt een beeld geschetst van het Westen als meest ‘ontwikkeld’. En dit zijn géén uitzonderingen: dit beeld komt in vrijwel elk aardrijkskundeboek naar voren.

Hoewel de auteurs van de lesboeken enige creatieve vrijheid hebben, vormen de boeken voor de docent een soort voorverpakt lesprogramma dat naadloos aansluit op het dichtgetimmerde examenprogramma. De lesboeken zijn hierdoor hét ticket voor betere scores op examens. Als docent ontkom je er dus niet aan ze te gebruiken. Het beklemmende curriculum laat buiten de lesboeken om weinig ruimte over om kritisch na te denken over concepten als ‘ontwikkeling’, en hoe die geconstrueerd worden.

Wie bepaalt wat er in schoolboeken staat?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap formuleert de eisen waar lesboeken aan moeten voldoen. Voor de onderbouw3 heeft de groep auteurs van uitgeverijen, bestaande uit vakexperts, veel creatieve vrijheid om de inhoud van hun lesboeken vorm te geven, voor de bovenbouw hebben de auteurs door de veel strakkere eisen minder vrijheid. Papieren lesboeken worden om de vijf à acht jaar herschreven.

Het Westen is het beste

‘Ontwikkelingslanden’ (of ‘derdewereldlanden’), zoals het aardrijkskundeboek Humboldt voor de brugklas van uitgeverij Malmberg hanteert, worden gekenmerkt door armoede, snelgroeiende ‘sloppenwijken’ en een bevolking die merendeels in de landbouwsector werkt. ‘Oorlogen en corrupte regeringen kunnen de ontwikkeling van een land belemmeren.’

Wat volledig ontbreekt in de tekst zijn de oorzaken van deze problemen. Vragen over de rol van eeuwenlange koloniale uitbuiting in de totstandkoming van de wereldwijde kloof tussen arm en rijk, over hoe veel Afrikaanse landen nog altijd te maken hebben met koloniale structuren en over de gevolgen van Europese landen die azen op grondstoffen in grote delen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika, blijven grotendeels onbeantwoord.

De boeken gebruiken het Westen als maatstaf als het gaat over ‘ontwikkeling’

De boeken gebruiken het Westen als maatstaf als het gaat over ‘ontwikkeling’. Ontwikkeling zou met een reeks sociale en economische indicatoren zoals het bruto binnenlands product (bbp) en de Human Development Index (HDI) te meten zijn. ‘Ontwikkelingslanden’ aan de hand van deze indicatoren vergelijken met landen in het Westen levert inderdaad een tweedeling op, waarbij de laatste groep onvermijdelijk als superieur aan de eerste uit de bus komt.

Het resultaat is een (her)bevestiging van het beeld dat ‘wij’ rijk zijn en ‘zij’ arm, wij ontwikkeld en zij onderontwikkeld. Dit perspectief suggereert dat economieën nog moeten worden zoals ‘de onze’ en biedt geen ruimte voor de sociale en ecologische keerzijden van ‘onze’ ontwikkeling, zoals de sterke relatie tussen inkomen per hoofd van de bevolking en CO2-uitstoot. En dat terwijl het vooral de armste landen zijn die de dupe zijn van klimaatverandering!

Eenzijdig beeld

Tijdens hun middelbare schooltijd leren veel kinderen wie ze zelf zijn en hoe ze zich verhouden tot andere mensen en plekken. Juist daarom is het zo waardevol om aandacht te besteden aan beeldvorming en (het ontkrachten van) stereotypen. De lesboeken helpen de leerlingen niet om stereotypen te ontkrachten, ze creëren deze juist zelf aan de hand van koloniaal en racistisch taalgebruik en het beeld van een superieur Europa. In plaats van de twaalfjarigen van nu die door de atlas bladeren te helpen nadenken over hun eigen wereldbeeld, leren ze dat zwarte Zuid-Amerikanen met het n-woord omschreven worden.

Mondiale welvaart en welzijn categoriseren aan de hand van cijfers lijkt bovendien objectief, maar ze gebruiken zonder enige aandacht voor de koloniale geschiedenis of de scheve machtsverhoudingen in de wereld, draagt bij aan een eenzijdig beeld waarbij de conditie van de armere landen wordt gezien als onvermijdelijk, een haast natuurlijk fenomeen. ‘Mali heeft zich afgelopen decennia niet ontwikkeld’, was de conclusie van een brugklasser na het vergelijken van enkele landen op basis van de ontwikkelingsindicatoren.

De lesboeken creëren zelf stereotypen aan de hand van koloniaal en racistisch taalgebruik en het beeld van een superieur Europa

Willen we twaalfjarigen meegeven dat wij in het Westen alsmaar vooruitgang boeken terwijl ze in landen als Mali stilstaan? Zolang we het niet hebben over de context van deze cijfers en de vraag welke rol Europa en Nederland speelden en spelen in de totstandkoming van de scheve wereldeconomie, gaan we dit beeld niet veranderen.

Eurocentrisme gaat verder dan het geschiedenisonderwijs. Ook in het aardrijkskundeonderwijs moeten we onze arrogantie van ons afschudden en voorbij het idee stappen dat wij in Nederland en het Westen beter zijn dan de rest. Alleen als we onszelf openstellen voor een divers perspectief, en ruimte geven aan ideeën zoals dat natuur niet enkel een ‘hulpbron’ is voor de mens, zullen we leren over onze eigen blinde vlekken. Bovenal dragen educatieve uitgevers, net als docenten en journalisten, een extra verantwoordelijkheid en zouden ze dus het voortouw moeten nemen in de dekolonisatie van onze taal.

We leven in onzekere tijden door het coronavirus. Er is behoefte aan betrouwbare informatie én verdieping. We hopen dat je dit bij ons vindt en wil bijdragen aan onze onafhankelijke journalistiek.

Dit kan je doen door te doneren of je te abonneren op ons magazine. Alvast bedankt!

_MG_9706

‘We willen niet over racisme praten omdat we er niets van begrijpen’

Zawdie Sandvliet biedt zijn leerlingen een nieuw perspectief op de koloniale geschiedenis.

portret Sandra – kopie

‘Ik accepteer niet dat deze jongeren geen onderwijs krijgen’

Sandra de Kroon (47) zorgt met haar stichting voor écht inclusief onderwijs.

  1. Eindtermen zijn een overzicht van de kennis en vaardigheden die een leerling aan het eind van zijn of haar schoolcarrière moet hebben opgedaan in dat specifieke vak ↩︎
  2. Deze term is gebaseerd op historisch feitelijke onjuistheid door de kolonialen, Inheemse of Oorspronkelijke volken zijn correctere termen ↩︎
  3. De eerste twee jaar op het vmbo of de eerste drie op de havo en het vwo ↩︎

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
79c5831b-519b-4299-95f1-063ec6bdcca7

Over de auteur

Tjerk Faber (1993) studeerde Sociale Geografie en is aardrijkskundedocent. Hij schrijft over onderwerpen variërend van voetbal tot …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief