Lucas Simons heeft veel verduurzaming voorbij zien komen. Eerst als directeur van Utz Certified, een keurmerk voor duurzame landbouw, en later bij zijn eigen adviesbureau. Hij denkt ondertussen wel ongeveer te weten hoe een duurzame wereldvoedselmarkt moet ontstaan – want als er iets dringend nodig is voor onze exploderende wereldbevolking is dat het wel – en legt dat in Changing the food game uit.

Vooruitgang komt volgens Simons in vier fases en begint het bij het duurzame flater-slaande bedrijfsleven. Niet te negeren misstanden, veroorzaakt bijvoorbeeld door grote multinationals zoals Unilever en Douwe Egberts, resulteren in kleinschalige filantropisch aandoende projectjes. Daarna volgt certificering van duurzame landbouw, met keurmerken zoals Utz Certified en Rainforest Alliance. Vervolgens worden problemen volgens Simons aangepakt met effectieve samenwerking tussen alle betrokken partijen. Uiteindelijk zou grensoverschrijdende wetgeving een duurzame toekomst moeten bezegelen. Een opvallende conclusie van Simons: bedrijven lijken echt te veranderen als ze gedreven worden door angst voor gezichtsverlies en verlies van de concurrentiepositie. Dat gaat veel verder dan greenwashing.

Lucas Simons is expert op het gebied van verduurzaming. Hij studeerde Milieuhygiëne in Wageningen en was directeur van Utz Certified, een internationale duurzame standaard voor onder andere de koffie-, thee- en cacao-industrie. Sinds 2008 heeft hij zijn eigen adviesbureau NewForesight waarin hij bedrijven adviseert over hoe ze kunnen verduurzamen. In 2011 werd hij als enige Nederlander verkozen tot één van de tweehonderd Young Global Leaders door het World Economic Forum en in november dit jaar kwam zijn eerste boek uit, Changing the FoodGame.

Duurzame fiasco’s
De Nederlandse rol in de wereldhandel in voedsel blijkt verrassend groot: Nederland is de op één na grootste landbouwexporteur ter wereld. Dit is niet per se iets om trots op te zijn, want in Simons’ boek blijkt onze handel hand in hand te gaan met duurzame fiasco’s. Van soja, koffie, cacao tot bloemen: wij Nederlanders kopen, verkopen en hebben lang de andere kant op gekeken.

Wij Nederlanders kopen, verkopen en hebben lang de andere kant op gekeken.

Het boek staat vol voorbeelden van onverschillige bedrijven die de nekharen overeind doen staan. Op de wereldmarkt is Nederland een grote speler in de koffiehandel, vooral door onze Douwe Egberts (D.E. Master Blenders 1753) dat 26 procent van het wereldaandeel koffieverkoop in handen heeft. De koffiesector heeft sinds jaar en dag te maken met armoede, slechte werkomstandigheden, kinderarbeid en milieuverontreiniging. Toen de Volkskrant tijdens de verjaardag van Douwe Egberts in 2003 kopte met 'Douwe Egberts koopt bij slavenplantages', was het bedrijf niet in staat de beschuldigingen te weerleggen. Ze hadden geen idee waar hun koffie eigenlijk vandaan kwam en lieten eerder al weten geen verantwoordelijkheid te nemen voor het welzijn van hun boeren.

Bloemensector
Een andere schokkende aanjager van duurzamer beleid dat Simons in zijn boek als voorbeeld neemt, is het verhaal van de palmoliebranden in Indonesië. In 1997 brandde daar een gebied zo groot als Zwitserland af door bosbranden die waren aangestoken om land vrij te maken voor de productie van palmolie. Ook deze ellende had een Nederlands bijsmaakje. Drie grote Nederlandse banken, Rabobank, ING en ABN AMRO waren verantwoordelijk voor de financiering van deze palmolie-industrie. Ondanks de inzet van bedrijfsleven en overheid is er nog steeds niet veel verbeterd: in maart 2014 waren er opnieuw grote branden als gevolg van palmolieproductie.

Waterputten
Wat doen de multinationals en sectoren na zulke compromitterende kwesties? De weg naar een duurzaam voedselsysteem lijkt vooral geplaveid met trial and error. De ondernomen acties evolueren van losse projectjes – zo ging Douwe Egberts destijds waterputten slaan in Uganda – naar certificering via keurmerken als Utz Certified, Rainforest Alliance of Fairtrade, tot uiteindelijk een zo breed mogelijke samenwerking, vaak in de vorm van ‘Round Tables’. Het liefst haalt men uiteindelijk de betrokken overheden erbij. Elke stap in dit evolutieproces wordt gedreven door het besef dat voorgaande pogingen niet veel effect hebben gehad. Dit blijkt ook voor de uitgebreide duurzame certificering, zoals Utz Certified en Fairtrade, waar miljoenen in zijn geïnvesteerd. De situatie van de boer blijkt niet echt verbeterd en soms zelfs verslechterd.

De weg naar een duurzaam voedselsysteem lijkt vooral geplaveid met trial and error.

Toch wil Simons de huidige situatie niet in elke sector zo inktzwart optekenen als hierboven beschreven. De multinationals lijken inderdaad wel steeds last te hebben van gewetenloosheid, maar de huidige beweging onder invloed van hulporganisaties, schadelijke rapporten, media-aandacht en een eindig aanbod van grondstoffen leidt tot vooruitgang. Simons ziet de cacao-industrie samen met de koffie-industrie ‘voorop’ lopen in duurzaamheidsbeleid, maar dit zijn ook de sectoren  waarin de situatie het meest nijpend is. Het letterlijk uitsterven van de cacaoboer en de onproductieve cacaoplantages vormen een serieuze bedreiging voor de beschikbaarheid van cacao in de toekomst. De producerende en verwerkende industrie worden gedwongen de realiteit langzaam onder ogen te zien.

De oplossing?
Het tweede deel van Simons’ boek draagt de veelbelovende titel: the solution. De koffie- en cacaosector bevinden zich volgens hem nu in de voorlaatste fase van een werkelijk duurzaam beleid. In januari 2013 kwamen alle grote partijen uit de cacao-industrie bij elkaar om een nieuwe, duurzamere strategie te ontwikkelen, genaamd CocoaAction. In 2012 kwamen de vier grootste koffiebranders bij elkaar om serieus te praten over duurzaamheid. In Simons’ laatste fase komen per sector alle betrokken partijen, inclusief lokale overheden, samen tot een duurzaam beleid dat wordt bezegeld met internationale wetgeving. Dat je met wetgeving veel kunt bereiken blijkt volgens Simons uit het verbannen van de gloeilamp, het kooi-ei en het uniformeren van telefoonopladers.

Toch rijst dan de vraag: als grensoverschrijdende wetgeving de heilige graal is en we dus niet hoeven te wachten op een werkelijk probleembesef bij de industrie, waarom kan die wetgeving dan niet wat eerder worden ingevoerd? Dan kunnen we de moeizame route van een schokkende gebeurtenis, imago-oppoetsende projectjes en dure certificeringstrajecten mooi overslaan.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief