Fieke waarschuwde me van te voren al dat ik de gemiddelde varkenshouderij niet per se ‘leuk’ zou vinden. Een beetje zenuwachtig volg ik haar door de lange gang van de eerste stal die we die dag aandoen: modelveehouder Jan houdt zijn varkens zoals de meeste varkenshouders in Nederland. Ze zien het (kunstmatige) licht in dit gebouw en komen er ook niet meer uit totdat ze rijp zijn voor de slacht. De opzet doet denken aan een gevangenisgang zoals je die wel op TV ziet, maar Jan heeft gelukkig niets van de uitstraling van de bijbehorende machtsbeluste cel bewaker. Hij lijkt me eerder een zachtaardige man, iemands lievelingsopa.

Grijze babykamer
Toch houd ik even mijn hart vast als hij de eerste deur opentrekt voor de maandelijkse gezondheidscheck van de varkens. Nerveus geknor komt ons tegemoet vanuit de kraamkamer, waar de biggen na hun geboorte nog een maand zogen bij hun moeder. Een teken van vitaliteit, verzekert Fieke me. Ze wijst op de egale huid van de ronddartelende biggetjes, ze zien er goed uit. Daar had ik nog niet op gelet, afgeleid als ik ben door de nauwe stalen constructies waarin hun moeders zich bevinden. De meeste zeugen liggen, een enkeling zit of staat, maar geen van allen zouden er hun kont kunnen keren.

‘Zonder die ijzeren stangen loopt de zeug het risico haar biggen dood te pletten,’ legt Jan uit. Niet dat het de dames aan het moederlijk instinct ontbreekt om een beetje op te letten waar ze zich neerplempen. In het wild waarschuwen zeugen hun biggen op het naderen van hun derriere met een luide knor, vertelt Fieke. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit hier wellicht ook zou werken, zouden de zwaarlijvige zeugen en hun 14 (15 – soms zelfs 19) biggen geen pijpenlaatjes van vijf vierkante meter delen.

Modelveehouderij
Volgens Fieke is Jan niet alleen een modelveehouder omdat hij een gemiddelde stal heeft, maar ook omdat hij zijn varkens zo goed mogelijk verzorgt. Hij regelt een optimaal klimaat (van temperatuur tot luchtvochtigheid) in ieder stadium van de ontwikkeling; de wat zwakkere biggen zet hij na het zogen bij elkaar in kleinere groepjes, zodat ze rustig kunnen aansterken; om de kans op overdracht van ziektes tot een minimum te beperken, reinigt hij de hokken grondig voor iedere nieuwe lichting en laat hij Fieke waar nodig preventief vaccineren. Dankzij zulke preventieve vaccinaties is het antibioticagebruik in Nederlandse veehouderijen de afgelopen vijf jaar drastisch gedaald.

Maar ‘leuk’ zou ik het hier inderdaad niet durven noemen. Er is geen natuurlijke lichtinval, geen stro om in te nestelen (zeugen bouwen van nature graag nestjes om in te bevallen), alles is grijs. In de kamers verderop, waar de biggen worden afgemest na het zogen, hangen ter vermaak wat balletjes aan een ketting. Welgeteld 1 per hok, waar een dozijn varkens over mogen bekvechten. Niet dat ik dat risico hoog inschat – ze lijken er niet bijster in geïnteresseerd.

Wat goed is voor de boer…
Is dit nu hoe het er uit ziet om je dieren ‘zo goed mogelijk’ te verzorgen? Volgens Fieke wel. Zij meent dat het in de basis wel goed zit met het dierenwelzijn in de veehouderij. Boeren hebben er namelijk bar weinig aan om met de gezondheid van hun dieren (en de consument in het verlengde) te knoeien. Daarmee zouden ze alleen maar hun eigen productie én arbeidsvreugde op het spel zetten.

De melkveehouder waar we die middag op ziekenbezoek zijn beaamt dat met een zucht: ‘Ik ben al de hele dag met deze ene koe hier bezig.’ Ze kampt met een geheimzinnige ontsteking rond haar knieschijf. ‘Dat knarsetanden betekent dat ze pijn heeft,’ zegt haar eigenaar bezorgd. Fieke neemt bloedmonsters af en schrijft een voorlopige pijnstiller voor. De extra kosten heeft de veehouder er graag voor over: ‘Hoe sneller ze zich weer lekker voelt, hoe sneller ze weer mooie melk levert. Wat goed is voor het dier, is ook goed voor de boer.’

Een tegeltjeswijsheid waar ik graag in zou geloven. Na een dag op stap met Fieke, geloof ik best dat de belangen van veehouders en hun dieren kunnen overlappen. Maar laten we wel wezen; er zijn genoeg dingen die goed zijn voor het dier, maar niet per se goed voor de boer. Niet eindigen in een slachthuis is wel de meest vanzelfsprekende, maar ook gedurende de levensloop van een vleesvarken geldt: we houden rekening met zijn welzijn… voor zover dat economisch uit kan.

Geld telt
Daar ligt namelijk de crux: Fieke ziet ook best in dat de melkkoeien en vleesvarkens van Nederland het beter zouden kunnen hebben, maar dan moet de consument daar wel voor willen betalen. Het wrange is volgens haar dat menig verontwaardigde burger zich in de supermarkt gedraagt als iedere andere homo economicus. In het huidige kiloknallerklimaat kunnen veehouders nauwelijks hun kosten dekken. Voor velen is een stal met zo veel mogelijk dieren en zo min mogelijk poespas de enige denkbare strategie in de continue strijd om het hoofd boven water te houden.

Of de sector waaraan je (jarige!) gastheer zijn hele leven heeft verknocht nu wel of niet dreigt om te vallen, is nou niet het meest gezellige gespreksonderwerp voor bij de aardbeienkwarktaart. Toch vroeg ik er die ochtend, bij Jan’s gezin aan de koffie, voorzichtig naar. Zijn vrouw lachte hartelijk en zei dat het boerenleven altijd moeilijk is geweest. ‘Ie bunt boer of ie bunt’t neet,’ had hij daar zelf aan toe te voegen – voor zover ik kon beoordelen met de innerlijke rust van een taoïstische zenmeester. Maar ondertussen werken Jan, zijn vrouw en zijn zoon voor vijf man, begrijp ik later van Fieke. En mocht de marktprijs tegen zitten, dan kan dat zo maar eens en jaartje voor nop zijn.

Geen wonder dat zij liever benadrukt hoe goed ‘haar’ boeren het wel niet doen. Zonder mokken produceren ze dienstbaar waar Jan met de pet om vraagt: veilig vlees voor een lage prijs. ‘Natuurlijk zijn er ook wel wat rotte appels in de veehouderij, maar onveilige producten komen bijna altijd verderop in de keten tot stand.’ Een recent uitgekomen rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid wijst inderdaad vooral op de gebrekkige hygiëne in slachthuizen als voedselveiligheidsrisico in de binnenlandse vleesketen.

Drie sterren hotel?
Als we die middag een controlebezoek brengen aan Sander’s Hof, ontdek ik dat het ook anders kan. Hier hoeven we geen bedompte stal in, maar lopen we gewoon het veld af waar Sander’s varkens het gehele jaar door ‘met de neus in de grond kunnen’. ‘Het zit in hun aard om op zoek te gaan naar wormpjes en worteltjes,’ vertelt de jonge varkenshouder. ‘Ze zijn heel nieuwsgierig’. Er huppelen inderdaad meerdere nieuwsgierige aagjes, stopcontactneuzen fier in de lucht, onze kant op. Hun geknor klinkt eerder verwelkomend dan verschrikt.

Volgens Fieke blijven binnenvarkens net zo rustig, als ze je eenmaal kennen. ‘Hier zijn ze prikkels gewend: fietsers die stoppen, honden die langsrennen.’ Ze wil best toegeven dat Sander’s dieren een ‘leuker leven’ hebben. Zo bezien zijn de dikke pakken stro in de schuilhutjes op het veld, de frisse buitenlucht en de ruimte om te wroeten niet meer dan leuke extraatjes – en is Sander’s Hof een soort driesterren hotel voor varkens.

Maar in zijn eigen ogen doet Sander iets heel basaals: voorzien in de natuurlijke behoeftes van zijn dieren. ‘Op zich denk ik dat een binnenvarken ook een goed leven kan hebben, maar afleidingsmateriaal is dan wel heel belangrijk. De wettelijke minima moeten wat mij betreft omhoog, ook wat ruimte betreft.’ Van ijzeren dwangbuizen is hij evenmin kapot. Hij heeft alleen verrijdbare hokken op zijn erf om de varkens wanneer nodig te verplaatsen, en vindt het ‘vervelend om ze te moeten opsluiten’.

Money makes the world go round
Sander’s idealisme zou geen hout snijden zonder een ruimhartige afnemer. Zijn varkens groeien minder groot in meer tijd. Terwijl voer veruit de grootste kostenpost is op een veehouderij, moet hij zijn dieren twee maanden langer onderhouden. Daarbij bewegen (of te wel: verbruiken) ze meer. Dat kost geld, punt uit. Sander kan deze aanpak behouden zolang ambachtelijke worstenmakers Brandt en Levie zijn vlees weten te vermarkten voor zes en een halve euro per worst.

‘Vooralsnog kom ik uit de kosten,’ vertelt Sander, ‘omdat ik én mijn afnemer het belangrijk vinden dat de varkens een fatsoenlijk leven hebben. Dan zijn de worsten maar iets duurder. Ik werk ook nog hiernaast bij mijn ooms. Zij hebben een traditioneel vleesvarkensbedrijf en houden daar niet veel aan over. Voor de meeste veehouders komt het hier op neer: je levert voor een bepaalde prijs, of je hebt pech. Ik heb respect voor hun keuzes, maar ben ook blij dat ik het zelf anders kan doen.’

Het gevoel waarmee ik die avond weer in de trein stap is even ambivalent: mijn respect voor veehouders is alleen maar gegroeid, maar mijn weerzin tegen het gemiddelde lapje vlees in de supermarkt evengoed. Hoezeer ik Jan en zijn collega’s ook hun inkomen gun, ik wens varkens geen leven toe in een modelveehouderij. Niet omdat ik niet vertrouw op de goede bedoelingen van veehouders en veeartsen, maar omdat ik niet vertrouw in het economische systeem waarin ze opereren. Gevangen in een race to the bottom hebben boeren baat bij een gezonde veestapel zoals fabrikanten baat hebben bij een geoliede machine. Dat garandeert een zekere mate van gezondheid, maar productiefitheid is wat mij betreft een te magere invulling van dierenwelzijn.

Wie het anders wil, doet er echter goed aan eerst eens in de spiegel te kijken, voor moord en brand te schreeuwen over de eerstvolgende megastal. Medelijden met zielige biggetjes? Stop putting meat in your mouth or start putting your money where your mouth is. Wie daar niet toe bereid is, kan net zo goed helemaal zijn mond houden. We kunnen veehouders moeilijk om meer dan ‘veilig vlees’ vragen, als we ze niet van de middelen voorzien om meer te doen.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief