Het is 1 juni, de dag van de grote demonstratie op de Dam in Amsterdam. Als een witte madonna verschijnt ze op mijn Facebookwall, een wit meisje, in de twintig, een kartonnen bord in haar hand met daarop in zwarte letters geschreven: Black Lives Matter. Onder de foto de tekst: ‘Dit is een oproep voor alle Nederlanders; na de vreselijke moord op George Floyd in Amerikkka is het tijd dat wij ALLEMAAL opstaan en ons uitspreken! Maak een foto met een protestbord en deel deze massaal. Tag zoveel mogelijk mensen en vraag hen om hetzelfde te doen! #bethechange #justiceforgeorgefloyd #justiceforallvictims #blacklivesmatter.’

Een veertigtal mensen zijn getagd in de post, onder wie ook ik. Ik ben meteen in dubio. De woede, rouw en pijn om de moord op Floyd doen me besluiten toch mijn naam te laten staan. Wel vraag ik me, op het hoogtepunt van de Black Lives Matter-demonstraties, af: van wie ís het woord in het racismedebat?

Van wie is het woord?

‘When it is about us, it must include us’, is mijn stelregel bij twijfel. De lijst getagde mensen is grotendeels van kleur, dus hieraan lijkt te zijn voldaan. Ik like de post met de nieuwe ‘medeleven’-emoji, maar het ongemakkelijke gevoel blijft. Al snel verschijnt onder haar bericht een reactie van een jongeman van, zo hoor ik later, Tunesische komaf. Hij schrijft: ‘Ik ben down met je actie alleen zeg ik ‘All life matters’. Met black lifes matter hou je de scheiding levend en gaan vele ’t nog steeds niet begrijpen. Life itself matters.’

Black Lives Matter is een mensenrechtenbeweging met een expliciet politieke boodschap die met activisme en bewustzijn oproept tot het stoppen van het uitmoorden van zwarte mensen. Wat mij tegen de borst stuit is dat ‘All Lives Matter’ de belangrijkste boodschap en oproep van Black Lives Matter ontkent en depolitiseert: ‘Vermoord ons niet langer!’, ‘Stop de hedendaagse slavernij die zwarte mensen nog steeds ten deel valt.’ (Als je niet begrijpt wat ik met dit laatste bedoel, kijk dan de Netflix-documentaire 13th).

Pijnlijk: bepleiten dat zwarte levens belangrijk zijn maar weigeren de dialoog aan te gaan met een zwarte vrouw

Pas toen het witte meisje, haar moeder en vader en ook andere bekenden de depolitiserende reactie gingen liken, voelde ik wat dat met me deed. Toen ik het gezin – ik ken ze al zo’n twee decennia – hierop aansprak, weigerden zowel het meisje als haar moeder en vader (beiden maatschappelijk geëngageerd, ‘progressief links’, politiek actief) daar een gesprek over aan te gaan.

Uiteindelijk werd me gemeld dat ze geen behoefte hadden aan een gesprek: er waren belangrijkere dingen te doen, zoals demonstreren. Daar was ik het helemaal mee eens, dus ik liet het rusten. Maar twee, drie dagen later kreeg ik ze nog niet te pakken. Pijnlijk en selectief politiek bewust noem ik het als je zwart op wit, in beeld en in tekst bepleit dat zwarte levens belangrijk zijn en vervolgens weigert de dialoog aan te gaan als een zwarte vrouw je kritisch bevraagt.

Wie bepaalt wanneer we praten en wanneer niet?

Niet dat ik hun of andere witte helpers en bondgenoten wil ontmoedigen zich te verbinden aan de zwarte struggle. Maar de behoefte aan witte verlossers zijn we voorbij. Als dubbelbloed voel ik al een leven lang de noodzaak te verbinden, maar het is nu urgenter om het te hebben over het verschil tussen steunen versus claimen van het gesprek. Dit evenwicht blijkt een dagelijkse uitdaging.

Bijvoorbeeld met de witte theaterdirecteur die het gesprek volledig naar zich toe trekt, over hoe hij bijdraagt aan veelkleurigheid. ‘Ik hoor je en ik zie je’, zeg ik. ‘Ik jou ook’, zegt hij – tot ik hem erop wijs dat ik amper iets heb gezegd. Of de collega die een passage in het boek White Fragility van Robin DiAngelo vergelijkt met wat zijn Italiaanse vriendin in Nederland meemaakt. ‘Nee lieve vriend, dat is écht anders.’ Omdat hij en ik in staat zijn tot dialoog, sluiten we af met de conclusie dat het mechanisme zo stug is dat het toe-eigenen van zwarte onderwerpen vanzelf gebeurt. Het is het gevolg van de (witte) gewenning nooit uitgesloten te worden, altijd bepalend te zijn. Voor mensen van kleur ligt dat anders.

Het is vermoeiend als bij kritiek van onze kant het schild van witte fragiliteit wordt opgetrokken

DiAngelo legt met de term ‘witte fragiliteit’ helder uit hoe wij mensen van kleur van kleins af aan een soort spier ontwikkelen om te leren omgaan met uitsluiting, discriminatie en racisme. Omdat wit dit nooit heeft hoeven doen, is zij veel fragieler en minder bewapend in een gesprek. Daaruit komt de woede, ontkenning en onmacht bij wit voort, net als de mechanismen om zwart het zwijgen op te leggen (silencing) of dwingen bewijs te leveren. Hieruit komt ook voort dat wij confronterende observaties voortdurend beantwoord zien worden met een oorverdovende stilte (neglect) of erger. En hoewel neglect minder actief is, raakt het mij net zozeer als een (verbale) aanval: het legt lam. Het doodt het gesprek, ik kan geen stem meer geven aan mijn waarheid. Het is enorm vermoeiend als bij kritiek van onze kant het schild van witte fragiliteit wordt opgetrokken: een beschermingsmechanisme dat door eeuwenlange gewenning hard en stug is als een betonnen muur.

‘Laat wit hun huiswerk zelf doen’, zegt menig activist vermoeid. ‘Why I’m no longer talking to white people about race’, zegt de Britse journalist en schrijver Reni Eddo Lodge. Betekent dit voor mij dat ik mijn halve (pleeg)familie bij het vuil moet zetten?

Hoe kan wit wel helpen?

Hoe wit wel kan helpen? In de eerste plaats door te luisteren. Dat is niets nieuws en toch voelt menigeen zich aangevallen als je dat zegt: alsof luisteren inferieur zou zijn. Volgens mij, Vlaamse van geboorte en veel in Spanje verblijvend, is dit in Nederland een voortvloeisel van het protestantse geloof. Daarin is het Woord leidend, zeker sinds de Bijbel met de Statenvertaling uit 1618 voor iedereen toegankelijk werd.

In katholieke landen werd het geloof van oudsher in het Latijn en niet in de eigen taal beleden. Daar was de religieuze ervaring minder intellectueel, maar mystieker en zijn gelovigen minder geneigd het Woord van repliek te dienen. Niet dat dit automatisch meer begrip oplevert, maar overtuigd zijn van het eigen (witte) perspectief is er minder vanzelfsprekend. Veel Nederlanders zijn zich nauwelijks bewust van hoezeer hun identiteit en drang tot spreken hierop gefundeerd is.

Afwegen wanneer je als wit persoon in het racismediscours het woord initieert en wanneer niet, is essentieel

Terwijl echt goed luisteren naar wat een ander zegt zo krachtig is. Net als ruimte en afstand in acht nemen voordat je spreekt. Daarom is het zo belangrijk om als wit persoon voor jezélf te spreken en niet voor ons. Want een wit persoon kan niet, nooit, vertellen wat het werkelijk betekent om van kleur te zijn en gediscrimineerd te worden op basis van ras.

Daarom is het belangrijk om je af te vragen of het eigenlijk wel aan jóu is; om te vermijden dat je voor anderen praat, het beter denkt te weten, voorschrijft hoe zwarte mensen hun discours moeten bepalen, het gesprek en onze onderwerpen kaapt of de verhalen, tradities en talen die tot ons erfgoed behoren claimt of regisseert. Daarom is het essentieel af te wegen wanneer je als wit persoon het woord initieert in het racismediscours en wanneer niet. Niet zwijgen, maar ook niet overheersen: balans zoeken dus.

En vertel vanuit je eigen perspectief, geef inzicht in witte mechanismen. Want daar komt de witte blik de materie wel ten goede. Dat komt door de afstand en het van pijn gevrijwaarde – zogenaamd ‘neutrale’ – perspectief dat wit-zijn met zich meebrengt. Ook speelt identificatie een grote rol: wit is geneigd beter te luisteren naar een witte spreker en voelt die spiegeling als minder corrigerend, vermoeiend of afwijzend dan wanneer een zwart persoon precies hetzelfde vertelt. Dat op zichzelf is een racistisch mechanisme, maar het is ook logisch na eeuwenlange gewenning aan koloniaal denken en doen. Dat krijgen we niet in vijftig jaar gecorrigeerd.

Bovendien: zelf vind ik het ook prettiger én gezonder voor mijn zwart bewustzijn – dat doordrongen is van het witte narratief – om te luisteren naar mensen die op mij lijken, zoals Angela Davis, James Baldwin, Gloria Wekker, Anousha Nzume, Clarice Gargard, Seada Nourhussen, Shola Mos Shogbamimu, Reni Eddo Lodge en Toni Morrison.

Inzichten delen vanuit de witte ervaring en het witte perspectief, helpt het witte bewustzijn en het debat enorm vooruit

In het witte debat in Nederland brengen bijvoorbeeld Sander Philipse, Simone van Saarloos en Sunny Bergman een heldere blik. Waar ik voor deze mensen (en voor mijn witte pleegmoeder) lange tijd liefkozend de term helper whitey gebruikte, ontdekte ik tijdens het schrijven van dit stuk dat een helper whitey in de VS niet bepaald een compliment is. Dat wit om mij heen de term ongemakkelijk vond, deed ik lang af als witte fragiliteit maar daar kom ik nu op terug. Soms is het lastig te duiden wie nu witte verlosser, bondgenoot of uitlegger is.

Daarom kies ik toch ‘witte helper’ als overkoepelende term. Mijn favoriete witte helper: Robin diAngelo. Haar boek en speeches stuur ik rond aan fondsen, redacteuren en uitgevers, met steeds meer resultaat. Ook stuur ik witte mensen die ik moet overtuigen van de rol die institutioneel racisme speelt, mijn ‘dekolonisatiemail’ met Youtube-video’s over intersectionaliteit en deconstructing white privilege van Robin diAngelo en Reni Eddo Lodge.

Tijd om plaats te maken

Inzichten delen vanuit de witte ervaring en het witte perspectief, zoals DiAngelo dat doet in White Fragility, helpt het witte bewustzijn en het debat enorm vooruit. En ik heb er ook een aantal van mijn eigen blinde vlekken mee ontdekt. Maar tegelijkertijd is het tijd om plaats te maken. Het narratief wordt al eeuwenlang bepaald door wit, dat al die tijd de dialoog mocht bepalen, altijd de dominante stem had. Witte superioriteit is zo diep geworteld in ons denken dat het algemeen aanvaard is. Verandering van het discours kan alleen als wit bereid is ruimte te maken. En je zult zien: er is ruimte genoeg.

Het grootste privilege van wit: het kan zich permitteren het gesprek uit de weg te gaan. Dat hebben mensen van kleur niet

Als witte mensen na het begaan van een fout, zoals het meisje en haar ouders met de Facebook-post, weigeren daarover een dialoog aan te gaan en schermen met ‘wij staan aan dezelfde kant’, zijn zij als vanouds meester over het gesprek. Ik voel compassie omdat de angst van wit om iets verkeerd te doen of zeggen groot is, zo groot zelfs dat de meerderheid van de witte mensen voor de makkelijke weg kiest: zwijgen, wegkijken en het gesprek over racisme überhaupt niet aangaan. Dat het witte perspectief zo dominant is dat het verblindt, is helder. Maar moeten wij altijd degenen zijn die daar begrip voor opbrengen?

Het grootste privilege van wit is dat het zich kan permitteren het gesprek uit de weg te gaan als ze zich betrapt voelt. Dat privilege hebben mensen van kleur niet. Voor ons is de keuze: slikken en onszelf verloochenen óf de confrontatie aangaan. Ik kies zonder aarzeling voor dat laatste.

iStock-945037552

‘Ik ben klaar met mijn witte slachtofferschap’

'Racisme zit in mijn denkpatroon verweven, leerde de relatie met mijn zwarte vriendin mij'

tim-mossholder-bo3SHP58C3g-unsplash

Hoe word ik een goede bondgenoot?

De belangrijkste les: het draait niet om jou.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
thumbnail_06D21FEB-53FB-470F-884F-D59AB78A3DBB

Over de auteur

Neske Beks is Afropean (BE/SENEGAMBIA/VS) en interdisciplinair kunstenaar. Ze werkt in film, theater, healing en literatuur en leeft …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief