Mijn eerste vriendschap sloot ik toen ik drie jaar oud was. Na een wandeltocht arriveerden mijn moeder, mijn zussen en ik bij onze caravan. De donkergroene pipowagen die mijn moeder had geërfd van een familielid, stond in de schaduw van een groep oude eiken aan de rand van een weiland, tussen enkele vaste stacaravans en vakantiehuisjes. Het land was van een oude familievriend. Of we betaalden weet ik niet, maar het zal niet de volle prijs zijn geweest.

Op de doorgezaagde tractorband die mijn neef als bankje om een dikke eik heen had gelegd, zaten twee onbekende, blonde kinderen. Territoriaal als ik was, wilde ik onmiddellijk weten wat deze vreemdelingen te zoeken hadden op ónze tractorband, bij ónze caravan, en al snel had ik ruzie met de jongste. Mijn zus stelde voor dat we in plaats van te ruziën vriendinnen werden, aangezien we even oud waren, en de rest was geschiedenis. Dit is een van mijn eerste herinneringen waarvan ik zeker weet dat het een herinnering is, en niet een beeld dat ik heb bedacht bij een verhaal dat me verteld is.

Mijn schoolherinneringen zijn gekleurd door geldzorgen: we konden nooit naar het buitenland op vakantie

Elke zomer van mijn basisschooltijd zag er vrijwel hetzelfde uit: na de laatste schooldag pakten mijn drie zussen en ik ieder een boodschappenkrat vol met kleding, boeken, tijdschriften en ander tijdverdrijf. Deze plaatsten we op onze bagagedragers en in het fietskarretje van mijn moeder. Dan vertrokken we naar Oudleusen – een dorpje tussen Ommen en Dalfsen – waar onze caravan stond.

Het was een aardig eind, maar ik was altijd blij om aan te komen, de boslucht in te ademen en verwelkomd te worden door een koor van krekels en vogels. Waar mijn schoolherinneringen grotendeels zijn gekleurd door geldzorgen – waardoor we ook nooit naar het buitenland op vakantie konden – en de altijd verergerende pesterijen, zijn mijn nostalgische gevoelens voor ons plekje tussen de bomen relatief onaangetast.

Hier leerde ik niet bang te zijn voor het donker in het bos. Hier leerde ik hoe je een vuur stookt, om het in een diepe kuil te doen, zodat het niet uitloopt en je het gemakkelijk kunt doven door de kolen te bedekken met zand. Hier leerde ik de namen van de verschillende planten in het weiland en in de berm langs het fietspad (leeuwenbek, duizendblad, weegbree, het zeldzame grasklokje) en hier leerde ik hoe je een tent opzet. Ook leerde ik voor het eerst geld te verdienen, door bosjes pinksterbloemen of plastic bekertjes vol limonade aan het fietspad te verkopen aan vertederde voorbijgangers.

Met mijn boezemvriendin, wiens ouders een vakantiehuisje op loopafstand bleken te hebben, struinde ik eindeloos de bossen af. We bouwden hutten van takken en bladeren, verdwaalden en ontdekten nieuwe plekjes, vingen krekels en lieveheersbeestjes in jampotjes met gaatjes in de deksels en haalden kattenkwaad uit op de nabijgelegen camping.

Met een vaste list verzamelden we buit genoeg voor ieder een magnum

Een vaste list was om eerst aan haar moeder geld te vragen voor een ijsje, dan aan mijn moeder, en dan aan haar vader. Als het werkte hadden we met onze verzamelde buit genoeg voor ieder een magnum of een cornetto, in plaats van de waterijsjes die onze ouders extravagant genoeg vonden. Op de droge avonden zat ik met mijn moeder en mijn zussen om een kampvuur en wachtte ik af hoe lang mijn moeder me op zou laten blijven. Op warme dagen zwom ik in de Vecht of verslond ik boeken in een hangmat onder de bomen. Wanneer het regende speelde ik Mens-Erger-Je-Niet met mijn zussen tot we onvermijdelijk ruzie kregen – aan de titel van het spel hadden wij geen boodschap.

Voor het eerst verliefd

Aan ons idyllische kampeerplekje kwam op mijn twaalfde plots een einde toen de eigenaar van de grond overleed. Zijn erfgenaam was minder bereid een oogje dicht te knijpen voor onze aanwezigheid. Ondertussen had mijn moeder een nieuwe baan op een vakantie- en conferentiecentrum in Twente, dus verruilden we onze geliefde woonwagen voor een ouderwets blokhutje daar. In het laagseizoen pendelde mijn moeder elke week heen en weer, maar in de drukke zomermaanden werkte ze zulke lange dagen dat een slaapplek op het terrein de goedkoopste optie was. De aanliggende opslag van het hutje bouwde ze om tot een slaapkamer voor zichzelf, zodat mijn zussen en ik het piepkleine hok met twee stapelbedden konden delen.

De eerste zomers miste ik onze caravan vreselijk, maar toch raakte ik uiteindelijk ook gehecht aan de steiger waarop ik mijn dramatische tienergevoelens in mijn dagboek pende, het meertje waarin ik kon poelen in de steeds heter wordende zomers, en de ontmoetingen met conferentiegangers. Op deze plek meende ik voor het eerst verliefd te zijn, op een zes jaar oudere jongen met door de zon gebleekte krullen (ik bleek zijn type niet).

Op mijn veertiende kreeg ik er mijn eerste kus, op een bankje onder de sterren aan de rand van de zwemvijver, van een jongen die mijn type niet bleek (al duurde het even voordat ik daarachter kwam). Op deze plek kreeg ik tevens mijn eerste vakantiebaantje: vanaf mijn dertiende veegde ik pleintjes en paden aan en verkocht ik ijsjes, voor 1 euro per uur. Een paar jaar later schrobde ik toiletten en douche-units voor het wettelijk minimumjeugdloon.

Vergelijken met leeftijdsgenoten

Bijverdienen werd elke zomer meer een prioriteit. Mijn moeders werk bood ons minder financiële stabiliteit dan gehoopt en was nauwelijks genoeg voor de eerste levensbehoeften van een ouder en vier kinderen. Geld voor kleding, verzorgingsproducten en uitstapjes moesten mijn zussen en ik zelf zien te verdienen. Onze geldzorgen creëerden een duidelijke afstand tussen mij en mijn leeftijdsgenoten: ik kon niet mee op schoolkamp, ik droeg ‘verkeerde’ kleding en kon niet meepraten over zakgeld, en al helemaal niet over de exotische vakantiebestemmingen waarover mijn klasgenoten na elke zomer in geuren en kleuren vertelden.

In mijn tienerjaren ging ik mezelf steeds meer vergelijken met leeftijdsgenoten

De langgerekte dagen vol kleine avonturen en aangename verveling in Oudleusen waren altijd een ontsnapping geweest aan de pesterijen en de geldzorgen van thuis, maar de slopende uren ondankbaar werk in Twente waren eerder een pijnlijke reminder. Het hielp natuurlijk niet dat ik in mijn tienerjaren niet alleen de ernst van onze situatie steeds beter begreep, maar mezelf ook steeds meer ging vergelijken met leeftijdsgenoten en bovendien elke zomer wel een nieuwe middelmatige jongen vond om een verliefdheid bij te verzinnen die mijn puberhart kon breken (voor die ervaring is een zonovergoten camping in Zuid-Frankrijk gelukkig/helaas niet nodig).

Op de eerste schooldag na de vakantie had ik dan ook niet veel te vertellen. Mijn eentonige schoonmaakwerkzaamheden boden, afgezien van een kleurrijke beschrijving van een bijzonder smerig toilet, niet veel materiaal voor anekdotes. En zelfs de meest tragische jammerklachten over mijn onbeantwoorde zomerliefdes vielen in het niet bij de foto’s van mijn klasgenootjes op bergtoppen, voor watervallen, en poserend met diverse, al dan niet gedrogeerde, wilde dieren.

Op vakantie gaan naar het buitenland zie ik als een luxe, die ik me pas één keer heb kunnen veroorloven

De eerste en laatste keer dat ik wel met mijn familie naar het buitenland ging, was op mijn elfde. Twee vrienden van mijn moeder namen ons mee op kampeerreis naar Tsjechië. Ik weet nog dat ik niet kon wachten om eindelijk bergen te zien. Zij betaalden de benzine en de campings, en met de Oost-Europese prijzen konden we zelfs één of twee keer uit eten. Aan het einde schreef ik in mijn ‘reisdagboek’ (speciaal voor deze gelegenheid aangelegd) dat dit de beste vakantie ooit was. Instinctief wist ik dat het een uitzondering was en dat mijn moeder zo’n vriendendienst geen tweede keer zou accepteren. Mijn eerstvolgende buitenlandervaring was een driedaagse trip naar Londen na mijn afstuderen, waarvoor ik na twee jaar sparen het geld bij elkaar had geschraapt.

Corona-offers

Wanneer ik nu mensen hoor klagen over door het coronavirus gedwarsboomde zomervakantieplannen, is mijn eerste instinct om met mijn ogen te rollen en iets te mompelen over ‘eerstewereldproblemen’. Op vakantie gaan naar het buitenland zie ik als een luxe, één die ik me in mijn 26 jaar pas een paar keer heb kunnen veroorloven. Mensen voor wie het uitzonderlijk is dat ze nu niet naar een exotisch oord kunnen vliegen, zou ik (grotendeels vanuit jaloezie die zich vermomt als superioriteit, en een klein stukje vanuit mijn socialistische politieke overtuigingen) graag eens met hun neus op hun privileges drukken.

Dat is één boodschap van dit verhaal. Maar ook dit: op het moment van schrijven zijn er in Nederland alleen al meer dan vijfduizend mensen aan het virus overleden. In een paar maanden verloren duizenden mensen hun baan, hun dierbaren, hun toegang tot zorg en hulpverlening, hun zingeving. Vliegtickets naar Bali die worden ingeleverd voor een huisje in Drenthe zijn bij lange na niet het grootste offer dat het virus heeft opgeëist. Het is belangrijk om dat in perspectief te zien.

Verre vakanties waren altijd al enkel weggelegd voor mensen met een bepaalde financiële stabiliteit en lichamelijk vermogen

Daarnaast wordt er door veel activisten met handicaps en chronische ziekten terecht op gewezen dat er voor veel van hen weinig is veranderd. Sommigen zaten altijd al aan huis gekluisterd. Voor anderen was het openbaar vervoer vanwege de extreme ontoegankelijkheid altijd al alleen bruikbaar voor essentiële verplaatsing. Evenementen en festivals, spontane etentjes en koffiedates, filmuitjes en verre vakanties waren altijd al enkel weggelegd voor mensen met een bepaalde mate van financiële stabiliteit en lichamelijk vermogen. Juist nu is het belangrijk om daarop te reflecteren en te luisteren naar de mensen die deze privileges niet hebben.

Zelf heb ik op dit gebied nog veel te leren. Maar als iemand die niet het privilege heeft om elk jaar op vakantie te gaan, kan ik je alvast het volgende op het hart drukken: je hebt geen luxe resort op Bali of camping in Zuid-Frankrijk nodig om een leuke, leerzame en memorabele zomer te hebben. Herinneringen maken kan overal, je hoeft niet ver van huis te zijn om avonturen te beleven, aan de dagelijkse sleur te ontsnappen en nieuwe ervaringen op te doen. En vooruit: wanneer je dan straks in de voortent van je caravan schuilt voor de regen op een oer-Hollandse camping, dan mag je best even balen dat je niet languit op een tropisch strand ligt of door een warme wereldstad flaneert.

Dit artikel verscheen in mei 2020 in OneWorld magazine.

green-and-white-volkswagen-combi-594384

Halen we straks massaal onze gemiste vakantie in?

We worden gelukkig van verre reizen. Althans, dat dachten we altijd.

FlixBus_Florian-Fèvre-from-Mobilys

Met de bus naar Zuid-Spanje: ben je gek?

PowerSwitch probeerde het uit

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
20190518_102001209_iOS

Over de auteur

Robin is student Algemene Cultuurwetenschappen en maakt samen met haar co-host de podcast ZOUT. waarin ze gesprekken voert over …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief