Verder lezen?

Rechtvaardige journalistiek verdient een rechtvaardige prijs.
Maak jij OneWorld mogelijk?

ja, ik word nu lid vanaf 6,- per maand

“De wreedheden tijdens de Nederlandse slavernij waren extreem”, vertelt Lamur. “Het kwam voor dat tot slaaf gemaakten levend werden verbrand of met paarden gevierendeeld. Dat soort dingen doen mij nog steeds pijn.” Lamur, emeritus-hoogleraar culturele antropologie, was in de jaren 70 een van de eerste Nederlandse academici die onderzoek deed naar het Nederlandse slavernijverleden in Suriname. Hoewel hij al ruim twintig jaar met pensioen is, publiceert hij nog steeds. Inmiddels heeft de Surinaams-Nederlandse Lamur negentig publicaties op zijn naam staan. Veelal over de levens van de tot slaaf gemaakte mensen in Suriname, maar ook over de vele wreedheden op de plantages. “Ik heb het idee dat de gemiddelde Nederlander, ook Afro-Surinamers, de gruwelijke details van de slavernij niet kent.”

‘Primitief’

CMS FORMAT Humphrey 3
Beeld door: Ruby Cruden

Begin jaren 50 kwam Lamur als zeventienjarige naar Amsterdam per oceaanstomer – een tocht van 17 dagen. “In die tijd kwam je zelfs in Amsterdam maar eens in de drie maanden een zwart persoon tegen! Die groette je niet alleen, je omhelsde elkaar. Eens omhelsde ik een man, denkend dat het een Surinamer was. Bleek het een Amerikaan te zijn. ‘Who are you?’, vroeg hij.” Vader Lamur, een gerespecteerd hoofdonderwijzer in destijds nog gekoloniseerd Paramaribo, had net als de witte ambtenaren in Suriname recht op een jaar betaald verlof in Nederland met zijn gezin. Ze zonden Humphrey en zijn twee broers vooruit om in Nederland naar het voortgezet onderwijs en de universiteit te gaan; vader en moeder zouden een jaar later naar Nederland komen.

De broers Lamur belandden op tweehoog in Amsterdam-Zuid bij een hospita. “Geen leuke vrouw, ze gaf veel af op Suriname. ‘Jullie met je trage trein’, zei ze steeds. Terwijl ik zo trots was op onze trein van Paramaribo naar luchthaven Zanderij. Suriname is zo’n leuk, mooi land, met aardige mensen. Bovendien woonden wij daar in een huis met tien kamers en twee toiletten. Maar de hospita noemde Suriname steeds ‘primitief.’ Op een dag pikte ik het niet meer en zei: ‘Hier in Amsterdam moet ik mijn fiets twee trappen op sjouwen, in Suriname rij ik gewoon de poort door. Nederland is primitief!’” Dan lachend: “Die trein was trouwens echt langzaam. Hij deed twee uur over vijftien kilometer. Maar wij mochten daarover klagen, zij niet.”

‘Mijn overgrootmoeder zei dat ze een werkslavin was geweest. Ik geloofde haar niet.’

Later zou Lamur sociologie en culturele antropologie gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij opviel omdat hij in slechts drie jaar tijd promoveerde. Zodoende werd hij op relatief jonge leeftijd wetenschappelijk hoofdmedewerker en later hoogleraar. Schuin boven zijn bureau hangt een zwart-wit foto van de vrouw die ervoor zorgde dat Lamur het grootste deel van zijn leven heeft gewijd aan het doorploegen en archiveren van de familiegeschiedenissen van tot slaaf gemaakte mensen: zijn in slavernij geboren overgrootmoeder Eliza Lamur.

“Als mijn broers en ik speelden op het erf van mijn grootouders, bij wie ze inwoonde, zei ze altijd vermanend tegen ons: ‘Jullie spelen alleen maar. Ik moest als kind werken, ik was een werkslavin.’ Maar de term slaaf zei mij niets, we spraken daar thuis nooit over. Wij zeiden dan tegen elkaar: ‘Wij moeten ook onze eigen schoenen poetsen, hoor.’ Ik geloofde haar helemaal niet.”

De slavernij vergeten

Overgrootmoeder Eliza was zeven jaar toen de slavernij in 1863 officieel werd afgeschaft – hoewel tot slaaf gemaakte mensen nog tot 1873 gedwongen doorwerkten op de plantages. “Hoe kon zij als vijf- of zesjarige al slaaf zijn?” Die vraag liet Lamur niet los. Ook niet toen hij aan het begin van zijn studie sociologie in Amsterdam in archieven ging zoeken naar zijn achternaam. Hij dacht dat tot slaaf gemaakte mensen niet jonger waren dan twaalf, maar kwam inderdaad de naam van zijn overgrootmoeder Eliza tegen, onder de beschrijving ‘werkcreool’. “Ik was daar heel erg door aangedaan. Ik kon het me daarvoor niet voorstellen, dat de Nederlanders zo wreed waren om zulke kleine kinderen uit te buiten.”

Over slavernij werd in de familie niet gesproken, ook niet over de voormalige suikerplantage Alliance waar de kinderen Lamur zorgeloze vakanties beleefden. Later kwam Lamur erachter dat zijn voorouders op diezelfde plantage waren uitgebuit. “Ik denk dat er niet over die periode werd gesproken, om te vergeten. Suriname was toen nog een land met een witte top – blank mag ik niet meer zeggen, maar ik vergis me nog wel eens.” Lamurs moeder waakte er wel voor dat negativiteit over zwart-zijn haar zonen zou schaden. “Op straat werd er vaak gescholden met blakka dit en blakka dat, door zwarte kinderen naar elkaar. Mijn moeder wilde niet dat wij op straat rondhingen en die dingen zouden horen. Ik heb mijn hele jeugd met geen ander kind gespeeld dan mijn broers.”

‘De gemiddelde Nederlander, ook Afro-Surinamers, kent de gruwelijke details van slavernij niet’

Eenmaal in Amsterdam dompelde Lamur zich helemaal onder in zijn studie en later in zijn slavernijonderzoek, waarmee hij in de jaren 70 begon. De universiteit gaf hem daarin alle vrijheid, waarschijnlijk uit desinteresse. “Dat is nu heel anders, met alle aandacht voor racisme, slavernij en dekolonisatie. Desondanks heb ik het idee dat de gemiddelde Nederlander, ook Afro-Surinamers, de gruwelijke details van de slavernij niet kennen en ook niet de behoefte hebben dat uit te zoeken. Ik heb oud-Duits Gotisch schrift moeten leren om alle verslagen van de zendelingen en planters te kunnen lezen en begrijpen. Ik zie dat onder jonge onderzoekers nu niet gebeuren.”

CMS FORMAT lamur 3
Beeld door: Ruby Cruden

Werktuig

Lamur benadrukt nogmaals dat de Nederlandse slavernij ‘verschrikkelijk wreed’ was. “Zo wreed dat de Engelsen hebben gedreigd hun tijdelijke bestuur van Suriname nooit terug te geven als Nederland niet ophield met de slaventransporten, die veel langer doorgingen dan 1814, toen de handel in mensen door de Nederlandse overheid verboden werd. Stellen werden apart van elkaar verkocht en op verschillende plantages werden minderjarige meisjes verkracht door plantage-eigenaren. En je kon daarmee natuurlijk niet naar het Nederlands bestuur, want tot slaaf gemaakten waren voor de Nederlandse wet geen mensen, maar ‘werktuig’. Pas in 1828 werd besloten dat ze mensen waren.”

Lamur dacht lang dat de mensen in Nederland destijds niks wisten van wat er zich in Suriname afspeelde. “Maar daar ben ik van teruggekomen. Er waren matrozen aanwezig bij het transport van tot slaaf gemaakten die wisten hoe vreselijk die reizen waren. Er werden destijds in Nederland toneelstukken over de slavernij opgevoerd. De burgemeesters, kooplieden en notabelen, ze wisten er allemaal van. Er was te veel geld mee gemoeid om te stoppen.”

Slavernij werkt door

Met excuses van gemeentes zoals Amsterdam, Rotterdam en Utrecht heeft Lamur niet zoveel. “Ik vind de menselijke verhalen belangrijker dan excuses of het economische verhaal. Dat er over de ruggen van mensen is verdiend, is slecht. Maar belangrijker vind ik: wat hebben de vernederingen veroorzaakt? De slavernij is voorbij, maar ik ben er nog. Wat heeft het gedaan met mij? Met de generatie van mijn vader, grootvader? Ik denk dat het mentaal doorwerkt in huidige generaties. Een stel vertelde me dat hun zoon van veertien nachtmerries had over zijn voorouders die verbrand werden.”

Net als in Amerika, zouden ook Nederlandse wetenschappers meer onderzoek moeten doen naar de doorwerking van het slavernijverleden, zegt Lamur, “op ons zelfbeeld, maar ook op de relatie tussen zwarte mensen onderling. Het idee bestaat bijvoorbeeld onder Afro-Surinamers dat wij vandaag de dag nog wankele gezinsstructuren hebben met bijvoorbeeld afwezige vaders omdat slaven niet mochten trouwen van de overheid, maar dat klopt niet helemaal. Er waren veel stellen die een kerkelijke belofte – verbontu – sloten bij de zendelingen. Ik vind het belangrijk dat die informatie wordt verspreid. Ik wil dat wij, Afro-Surinamers, sociaal stijgen en daarvoor moeten we solidair zijn en onze geschiedenis goed kennen.”

Nationale aandacht voor slavernij vindt hij belangrijk, maar “actievoeren is niet mijn stijl. Ik heb er geen bezwaar tegen om dingen aan te kaarten, maar ik vind dat er te veel aandacht gaat naar zaken zoals de Gouden Koets, Zwarte Piet, naar bepaalde taal zoals blank en wit, slaaf of tot slaaf gemaakt. Ik maak me meer hard voor kansen. Of het naast elkaar kan bestaan? Misschien, maar ik ben zo bang dat mensen zich verliezen in randzaken. Ik wil oplossingen zien voor ongelijkheid, zoals het gebrek aan zwarte academici.”

Keti Koti

CMS FORMAT Humphrey 4
Beeld door: Ruby Cruden

Een van de voorgestelde oplossingen voor het corrigeren van historisch onrecht zijn herstelbetalingen. Maar Lamur zou daar nooit om vragen. “Ik geef toe dat mijn redenering hierover niet helemaal klopt en veel met trots te maken heeft. Maar wat als je geld krijgt, maar geen veerkracht hebt? Geld raakt op. Je mentale welzijn is veel belangrijker, Wat ik me wel kan voorstellen is dat er geld komt voor wetenschappelijk onderzoek, mét Surinaamse academici, naar de doorwerking van het slavernijverleden. Nu wordt het meeste slavernijonderzoek gedaan door witte Nederlanders. Daar ben ik ze dankbaar voor, maar ik had graag gezien dat er meer zwarte onderzoekers bij zouden komen.”

Wat doet Lamur doorgaans op 1 juli, tijdens de jaarlijkse slavernijherdenking Keti Koti? “Voorheen werd ik dankzij mijn verbondenheid aan NiNsee (Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis, red.) uitgenodigd voor de plechtigheid bij het slavernijmonument in het Oosterpark in Amsterdam. Maar de laatste jaren kijk ik het op televisie. Nu vieren ze een feestje, vroeger gingen wij op 1 juli naar de kerk en aten we achteraf gebak. Eens had ik ruzie met mijn broer op die dag en toen werd mijn vader zó boos. Op zo’n belangrijke dag deden vond hij dat onacceptabel. Het is altijd een belangrijke dag gebleven, ook voor mijn vrouw en mij. Alle Nederlanders moeten weten wat er in de slavernij is gebeurd, zodat mensen elkaar dat nooit meer aandoen.”

Een lange versie van dit interview verscheen in de zomer van 2022 in OneWorld Magazine.

AncestralRythm (1)

Rekening voor koloniale dwangarbeid: 9,5 miljoen

Excuses, onderzoeken en exposities zullen de vermogensongelijkheid niet oplossen.

IMG_2444

Hun tatoeages vertellen het Molukse verhaal

Ruim 70.000 Molukkers leven in Nederland.

seada_redactioneel 3

Over de auteur

Hoofdredacteur

Seada Nourhussen (Gondar, Ethiopië 1978) is sinds februari 2018 hoofdredacteur van One World. Tot eind 2018 was ze columnist voor Trouw en …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief