‘Ik wil geen Turkse Nederlander zijn, een slap aftreksel van een almaar assimilerende identiteit’, schrijft Esra Dede. ‘Ik wil Turks en Nederlands zijn.’ 

Mijn vader en ik maken ruzie in het Nederlands. Een paar maanden geleden ging het over onze interpretatie van een Turkse reclamespot. Hij somde in rap tempo zijn argumenten op, in plat Amsterdams, en ik weerlegde ze. Onze argumenten dansten met elkaar. Als we dit in het Turks hadden geprobeerd, hadden we niet zo lang kunnen volhouden. Zo lang dat mijn moeder gefrustreerd de tv uitzette en naar de keuken stormde: dan maar niet haar favoriete Turkse serie kijken. Als we dit in het Turks hadden geprobeerd, was mijn vader snel afgehaakt. Al op zijn zesde liep hij langs de Rijpgracht met mijn grootmoeder. Een week daarvoor woonde hij nog op het Turkse platteland. 

Het was het begin van een relatie met veel schattige uitjes naar de videotheek

“De eerste week van ons huwelijk was een beetje onwennig”, vertelde mijn moeder. Mijn 21-jarige vader en moeder zaten in de woonkamer van mijn grootouders. Mijn vader probeerde met zijn kersverse vrouw een gesprek te voeren over Super Mario; waar moest een gamer het anders over hebben? Mijn moeder begreep er niets van. Half in het Nederlands, half in het Turks, aangevuld met handgebaren, probeerde mijn vader zijn verhaal te doen. Ze besloten het spelletje samen te spelen. Langzaam maar zeker werden zijn Turks en haar hand-oogcoördinatie beter. Het was het begin van een relatie met veel schattige uitjes naar de videotheek. Binnen een jaar sprak mijn moeder Nederlands en lieten ze hun moedertaal steeds vaker achterwege. Totdat ik werd geboren.

Taalbubbel

Ik ben schizofreen opgegroeid. Mijn vader en ik spreken Nederlands, mijn moeder en ik Turks. Ik probeerde als kind beide talen bij te houden, maar soms verzandde ik in een mengelmoes van woorden. Wij speelden met zinsconstructies, vervoegingen en intonaties. We hebben onze eigen taal gecreëerd, mijn ouders en ik. Langzaam maar zeker verloren we cruciale woorden. “Onu koelkast’tan getirirmisin?”, zei mijn moeder ooit tegen een nicht in Turkije. “Ik moet iets brengen uit de wát?”. “Koelkast”, zei mijn moeder een paar keer, eer ze doorhad dat ze niet in haar eigen taalbubbel zat.

“Kom op nou, wie hou je voor de gek? Wat jij spreekt is geen Turks.” Mijn vader en ik waren weer eens aan het ruziën, ook nu over een Turkse reclamespot. Mijn 16-jarige ik zag de humor van zijn woorden niet in. “O nee?”, zei ik, terwijl ik mijn hormonale woede in bedwang probeerde te houden. “Ik zal jou laten zien dat ik beter Turks kan dan jij!”. Ik schreef me in voor het staatsexamen Turks en realiseerde ik me dat ik niks wist over mijn moedertaal. Ik dook in de wereld van literatuur. Mijn exemplaar van “De ontdekking van de hemel” verving ik door een kopie van “Çalıkuşu”. De boeken van Orhan Pamuk en Elif Safak volgden.

Ik omarmde iets wat mijn moeder heeft moeten loslaten en mijn vader nooit heeft gekend

Een jaar later liep ik trots de woonkamer binnen. “Ik sta gemiddeld een 7,5 voor Turks. Dat is een 8. Dat is bovengemiddeld.” Mijn vader keek mij stoïcijns aan. “Nou, fijn voor je”, zei hij, met Amsterdams accent. Ik had geen andere reactie verwacht. “Wat probeer je eigenlijk te bereiken?”, vroeg mijn moeder die avond. Ik stond met een boek in mijn handen en ik verdwaalde in een van mijn tienergedachtes. Wat wilde ik van mijn vader? Acceptatie? Erkenning? Ik durfde daar nog geen antwoord op te geven. Het enige wat duidelijk was, was mijn liefde voor Turkse literatuur. Ik omarmde iets wat mijn moeder heeft moeten loslaten en mijn vader nooit heeft gekend.

Vlinders in mijn buik 

Nog altijd dans ik op de grenzen van grammatica, woordenschat en dialect. Nog altijd voel ik de zenuwen als ik een gesprek begin met een expat uit Turkije. Ik bestudeer de frons in zijn gezicht en wacht op de verbazing in zijn ogen. “Wat spreek je goed Turks”, zegt hij uiteindelijk. Ik voel vlinders in mijn buik. Vervang Turks door Nederlands en het is een micro-agressie. Vervang het weer door Turks en het is het ultieme compliment. Ik kan het niet helpen, ik wil erbij horen. Een elite, zonder migratieverleden. Eén verkeerde stap en mijn Turkse tango houdt op. En dan weet ik het. Ik doe het voor de dans. Ik doe het omdat ik het allebei wil. Ik wil geen Turkse Nederlander zijn, een slap aftreksel van een almaar assimilerende identiteit. Ik wil Turks en Nederlands zijn.

Terwijl ik dit opschrijf in Pages, een nieuwe boekwinkel aan de Herengracht, komt de eigenaar naast mij zitten. Een Syrische man, die ook een winkel in Istanbul heeft. Ik zit in mijn favoriete hoek, een tafeltje onder de rijen Turks literatuur. Hij brengt me een espresso en laat me een brief zien. “Mijn Turks is niet zo goed, kun je dit voor me vertalen?”, vraagt hij. Ik hou mijn adem in en bestudeerd de brief uit Turkije. Ik ben bang iets verkeerds te zeggen. Langzaam en ritmisch beginnen de woorden uit mij te vloeien. Hij glimlacht en wij beginnen te dansen. 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
PLLRAAK_ESRA_DEDE_HR__24

Over de auteur

Freelance journalist

Esra Dede blogt voor OneWorld over alles wat haar opvalt. Hoewel haar ouders Turks zijn, heeft ze niets met labels als ‘allochtoon’, …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief