Meer is niet altijd beter

13-11-2016
Door: Veerle Boekestijn
Bron: OneWorld
foto: still interview Kromkommer
Hoe gaan we in 2050 de verwachte 9 miljard monden voeden? Het is een prangend onderwerp voor de voedselindustrie, klimaatagenda, milieuorganisaties en politieke instituten. Voedselactivist Tristram Stuart heeft er een interessante mening over.
Opinie – 

Waar we de planeet nu nog met zo’n 7 miljard mensen bewonen, zijn de verwachtingen dat dit in 2050 doorgroeit tot 9 miljard. De FAO rapporteerde in 2008 over de noodzaak om de voedselproductie tegen die tijd te verdubbelen, om voedselzekerheid te garanderen. Het jaar erop gebeurde er iets opmerkelijks, toen rectificeerde de FAO voorgaande bevinding: in werkelijkheid produceerde de wereld al 1.5 keer zoveel voedsel als het nodig had, waarmee zeker 10 miljard monden gevoed konden worden. Sinds 2009 lijkt de FAO echter weer terug te zijn gekomen op het idee dat we toch meer voedsel moeten produceren. Ondanks dat we dus al voldoende voedsel hebben. Het is een goed voorbeeld van de spanning tussen het idee dat we meer voedsel moeten produceren, versus accepteren dat we het bestaande voedsel beter moeten verdelen. Een problematisch aspect van de voedselindustrie nu is voedselverspilling.

Inmiddels leven we in een wereld waarin 1.6 miljard mensen overgewicht hebben, waarvan 600 miljoen mensen met obesitas, en zo’n 2 miljard mensen met een tekort aan vitaminen en nutriënten, waarvan 780 miljoen mensen die ondervoed zijn. Sommigen krijgen te weinig voeding, anderen teveel en te ongezond. Tegelijkertijd verspillen we ongeveer een derde van al het voedsel dat wereldwijd gemaakt wordt. Inmiddels heerst er dan ook een redelijk grote consensus onder wetenschappers: we hebben niet zozeer te weinig voedsel, we moeten het alleen beter gaan verdelen.

‘Het productieparadigma’

De hardnekkige focus op de noodzaak van een verhoogde voedselproductie noemt Tristram Stuart ‘het productie paradigma’. Hij stelt dat het de grootste bedreiging is voor de duurzaamheid van de voedselzekerheid in de toekomst, omdat het ertoe leidt dat landbouw nog verder uitbreid en intensifieert –terwijl dat nu juist voor klimaatverandering zorgt. We moeten daarom het idee dat de oplossing voor voedselzekerheid enkel in een verhoogde voedselproductie te vinden is aanvechten.

Dat klinkt redelijk eenduidig, maar toch is het een complex vraagstuk. Want, ondanks dat we meer op distributie moeten focussen, moeten we de focus op productie niet uit het zicht verliezen. Aan het einde van zijn boek Waste: Uncovering the Global Food Scandal benoemt Stuart hoe de groeiende wereldbevolking een even grote dreiging voor het milieu vormt als de voedselverspilling. Hij ontkent dus niet het belang van investeren in duurzame landbouw.

De groeiende wereldbevolking vormt een even grote dreiging voor het milieu als de voedselverspilling

Fenomenen als kappen van bossen, bodemuitputting, een slinkende biodiversiteit en het gebruik van fossiele brandstoffen in landbouw worden veroorzaakt door de groeiende vraag naar voedsel, wat enkel zal stijgen naar gelang er meer mensen op de wereld zijn. De stijgende welvaart in landen als India en China zorgt bovendien voor een grotere vraag naar vlees. Dit vormt risico’s voor voedselzekerheid. We moeten de ontwikkelingen en beschikbaarheid van duurzame landbouw daarom veel aandacht geven, maar dit strikt gescheiden van het idee dat we meer moeten produceren. We moeten duurzamer produceren, en het voedsel beter verdelen. Tristram Stuart’s bericht is zo sterk, omdat het deze beide aspecten op heldere wijze benadrukt.

Voedselverspilling in Nederland

Nederland behoort tot de landen die het meeste voedsel verspillen binnen Europa. Ons voedselverlies is gemiddeld 50 procent hoger dan de gemiddelde inwoner van andere lidstaten van de EU. Een vermindering van de voedselverspilling in Nederland is daarom een voor de hand liggende maatregel om het huidige voedselsysteem duurzamer te maken. De consument is verantwoordelijk voor bijna de helft van de verspilling, de voedingsmiddelenindustrie voor een kwart en overige partijen, zoals supermarkten en de horeca, voor het resterende kwart (waarbij wel vermeldt moet worden dat het Fusions rapport ook concludeert dat het weinig toegang had tot betrouwbare data). Juist laatstgenoemde twee partijen, met name de supermarkt, kunnen volgens Tristam Stuart zorgen voor een omwenteling van het huidige probleem van voedselverspilling, omdat ze een invloedrijke positie hebben.

De macht van de supermarkt

Ook in Nederland hebben supermarkten veel macht. We hebben vier grote supermarkt-unies die samen 71 procent van de markt beheren. Zij kopen groentes, fruit en vlees in grote hoeveelheden bij de boeren op. Dat gaat niet altijd op een eerlijke manier. Het komt voor dat boeren gedwongen hun producten onder de productieprijs verkopen, of op het laatste moment een afzegging binnen krijgen.

Zo deelde Albert Heijn in 2012 aan zijn leveranciers mee dat ze per direct een korting van 2 procent vereisten. Dit legitimeerden zij met de boodschap dat ze C1000 over hadden genomen, en dus in de toekomst ‘samen’ met de leveranciers zouden groeien. Die groei zou volgens hen de korting legitimeren. Het was nog maar de vraag of deze groei uiteindelijk ook voor de leverancier voelbaar zou zijn, maar zij hadden hier weinig tegenin te brengen. Deze praktijk is exemplarisch voor de gespannen verhouding tussen retailer en de boeren in Europa.

Een onderzoek van SOMO, en een kritisch rapport van het Europese Economische en Sociale Committee onderstrepen de problematische positie van de supermarkten in heel Europa. Het kritische rapport van de EESC licht toe dat er binnen Europa een scheve verdeling is tussen afnemers; de supermarkten, en aanbieders; de boeren. Het gevolg hiervan is dat de afnemers veel keuze hebben tussen verschillende aanbieders, en dus de aanbieders kunnen kiezen die zich het meest flexibel opstellen. Het rapport concludeert dat dit leidt tot afpersing.

Boeren zouden tegen deze afpersing beschermd kunnen worden via wetgeving. Een versoepeling van de mededingingswet zou namelijk betekenen dat de supermarkten niet langer gebruik mogen maken van hun macht over de boer. Of dat ook gaat gebeuren is echter nog maar de vraag, de rapporten komen namelijk al uit 2013 en hebben nog niet tot verandering geleid. Minister Kamp riep in datzelfde jaar een pilot ‘oneerlijke handelspraktijken’ in het leven, waar de boeren die onderdeel zijn van coöperaties klachten in konden dienen. Individuele boeren konden geen klachten indienen. Bovendien bestond de klachtencommissie uit twee grote retailers en de boerenbelangenorganisatie LTO. Vanzelfsprekend bleven de klachten uit, hetgeen minister Kamp interpreteerde als dat er geen problemen zijn –en er dus ook geen verdere actie hoeft te worden ondernomen. SOMO schreef hier een open brief over aan minister Kamp, waarin ze hun zorgen uiten.

Stuart zegt in het interview dat positieve veranderingen plaatsvinden wanneer er een goede combinatie is van een grassroots beweging die een prangend onderwerp helder aanwijst, en een sterke overheid die het prangende onderwerp kan vertolken in degelijke beleidsmaatregelen. Die boodschap zouden we ter harte moeten nemen.

Reacties