Dit jaar worden er –voor de komende vijtien jaar- nieuwe wereldwijde afspraken gemaakt voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling, de Sustainable Development Goals. Zonder voldoende financiële middelen zijn de nieuwe doelen bij voorbaat gedoemd te mislukken. Toch is er in het Nederlandse politieke en publieke debat  weinig aandacht voor de vraag wie de aanpak van wereldproblemen als armoede en klimaatverandering moet betalen. De discussie die er wel is, is smal en achterhaald en sluit niet aan bij de wereldwijde uitdagingen van deze tijd, blijkt uit onderzoek van Kaleidos Research.

Deze zomer reizen wereldleiders af naar de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. Daar bespreken ze tijdens de derde conferentie over Financing for Development (FfD3) hoe de wereld meer geld vrij kan maken voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Als milieueconoom volg ik de voorbereidingen voor de conferentie met grote interesse. Naast mij ligt de conceptversie van het Addis Ababa Akkoord (pdf), de lijst met financiële afspraken die de wereld duurzamer en minder arm moeten maken.

Afspraken van Triple A-kwaliteit?
In de financiële wereld verwijst ‘triple A’ naar hoge kwaliteit en laag risico, bijvoorbeeld als het gaat om de kredietwaardigheid van banken en landen. In september en december van dit jaar formuleren wereldleiders in New York en Parijs nieuwe doelen voor een duurzamere en eerlijkere wereld. Als diezelfde regeringen in Addis niet afspreken waar het geld voor die nieuwe doelen, de zogeheten Sustainable Development Goals, vandaan komt, dreigen ze bij voorbaat te mislukken.  Het is dus zaak dat het Addis Ababa Akkoord, om in financiële termen te spreken, “triple A” kwaliteit heeft.

De kosten van de aanpak van armoede, klimaatverandering en milieuvervuiling in ontwikkelingslanden worden geschat op zo’n $800 miljard per jaar

Wie zal dat betalen?
Om de Sustainable Development Goals waar te maken is veel geld nodig. De kosten van de aanpak van armoede, klimaatverandering en milieuvervuiling in ontwikkelingslanden worden geschat op zo’n $ 800 miljard per jaar. Als de helft daarvan door ontwikkelingslanden zelf zou worden opgehoest, dan zou nog steeds zo’n $ 400 miljard internationaal bij elkaar geharkt moeten worden. Waar moet dat vandaan komen?

De totale ontwikkelingshulp bedraagt wereldwijd ongeveer $135 miljard; dat is niet genoeg. Uit overheidsbudgetten kan nog wel wat aanvullend geld komen. Voor de aanpak van klimaatverandering in ontwikkelingslanden is afgesproken dat overheden samen met $ 100 miljard per jaar over de brug zullen komen. Maar ook dat is nog onvoldoende. Overheden zoeken daarom naar wegen om private geldstromen in te zetten. Deze 'niet-officiële' stromen zijn veel groter dan ontwikkelingshulp. FDI (directe buitenlandse investeringen) naar ontwikkelingslanden bijvoorbeeld betreft zo’n $500-600 miljard, overige kapitaalstromen nog eens $300 miljard en migranten maken samen maar liefst $500 miljard over naar hun thuislanden.

Private middelen: deel van de oplossing en deel van het probleem
Onder voorwaarden kan private financiering het gat tussen het benodigde bedrag voor financiering van de Sustainable Development Goals en het budget voor ontwikkelingshulp zeker helpen vullen. Zo kunnen verantwoorde investeringen in het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden bijdragen aan economische groei.

Maar er ontstaan net zo gemakkelijk problemen. Veel private geldstromen, zoals commerciële investeringen, zijn erg op kortetermijnrendement gericht, terwijl voor ontwikkeling vooral langetermijnkapitaal nodig is. Bovendien kan de focus op winst haaks staan op het bijdragen aan maatschappelijke en duurzame ontwikkeling. En niet alle landen of sectoren hebben even gemakkelijk toegang tot privaat kapitaal; zo willen de meeste bedrijven vanwege de grote risico’s liever niet aan de slag in conflictgebieden. En valt er op sommige plekken weinig te verdienen, bijvoorbeeld daar waar mensen echt weinig te besteden hebben. Ook de geldovermakingen van migranten zijn scheef verdeeld; ze komen vooral ten goede aan specifieke landen of regio’s in landen. Kortom: het private geld lokt wel, maar het is niet allemaal duurzaam goud wat er blinkt.

Een onevenredig groot deel van de baten van private activiteiten in ontwikkelingslanden komt vooral ten goede aan ontwikkelde landen

Kapitale lekken
Tegenover financieringsstromen naar ontwikkelingslanden staan soms letterlijk kapitale lekken waarbij geld uit die landen wegsijpelt. Denk aan schuldafwikkeling, aan corruptie en andere zogenaamde “illicit flows”. Een onevenredig groot deel van de baten van private activiteiten in ontwikkelingslanden komt vooral ten goede aan ontwikkelde landen. Dat is nog zonder de schade van sommige commerciële activiteiten mee te rekenen, zoals het uitputten van natuurlijke hulpbronnen en milieuvervuiling. Die schade loopt in de biljoenen dollars en de gevolgen ervan komen op het conto van de lokale bevolking.

Zulke lekken moeten in kaart worden gebracht. Meer nog: ze moeten worden gestopt, bijvoorbeeld door het aanpakken van corruptie, belastingontduiking en milieuvervuiling. Het Addis Abeba conceptakkoord zegt daarover echter weinig concreets.

Addis en daarna
In Addis moet niet alleen het vinden van financiering centraal staan, maar ook de kwaliteit van die geldstromen. Dragen ze daadwerkelijk –en controleerbaar- bij aan duurzame ontwikkeling?  Zijn ze beschikbaar daar waar ze nodig zijn? De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), waar ik lid van ben, bepleit daarom dat er een vast VN-orgaan moet komen, dat samenwerkt met andere internationale partijen als de Wereldbank, IMF en WTO. Zonder een dergelijke organisatie die lekken helpt stoppen en geldstromen naar ontwikkelingslanden helpt sturen, levert Addis geen triple A Akkoord op.

Zie voor meer informatie een voorkopie van het AIV advies Financiering van de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling.

Dit is deel 1 in de blogreeks ‘Wie zal dat betalen?’  over de toekomstige financiering van wereldproblemen als armoede en klimaatverandering.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

J.B. (Hans) Opschoor is  milieueconoom en als Professor of Economics of Sustainable Development verbonden aan het Haagse Institute for …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief