Weg van de leiband

13-12-2010 Bron: IS Online
Jack van Ham (c) Daimon Xanthopoulos

Het zwaartepunt naar het Zuiden verplaatsen en de mensen daar in staat stellen hun mond open te doen. Dat was de opgave van Jack van Ham, directeur van hulporganisatie ICCO, die wegging in zwaar weer voor de hulpsector. “We moeten een andere kant uit: verder van de overheid af.”

Je bent tien jaar directeur van ICCO geweest. Wat is je grootste prestatie geweest?
“Het meest trots ben ik op het feit dat wij onze partners in het Zuiden meer zeggenschap hebben gegeven. In de afgelopen jaren heeft ICCO een enorme verandering ondergaan. Daarbij is een flink deel van onze organisatie verplaatst naar het Zuiden. Dat is enorm ingrijpend geweest. Niet het minst voor onze mensen in Utrecht. Daar zijn een heleboel banen verloren gegaan. Dat was pijnlijk en verdrietig voor onze mensen. Toch is het gedaan. En het was goed. De beslissingsmacht moet naar het Zuiden verplaatst worden.”

Waarom eigenlijk?
Ons veertigjarig bestaan, in 2005, was aanleiding voor een filosofisch moment: waartoe is ICCO op aarde? Wat is eigenlijk onze core business? We kwamen er op uit dat onze specifieke bijdrage ‘capaciteitsontwikkeling’ is …

Getsie. Da’s zo’n term die niks zegt.
… het gaat om de kracht van de organisaties die wij steunen. Die moeten verandering bewerkstelligen in hun omgeving, voor hún mensen. Wij waren als ICCO erg succesvol, we waren steeds groter gegroeid … in Utrecht. Daarmee was onze groei eigenlijk tegengesteld aan ons doel. Het had moeten leiden tot groei van onze partners daar. Ons werk lijkt zo simpel: wij halen geld op voor ontwikkeling in het Zuiden en dan denken mensen dat het verder wel automatisch gaat. Hoogstens trekken we nog een blik westerse experts open, en voilá, dan krijg je ontwikkeling. Zo werkt het echter niet. Je hebt altijd lokale organisatie nodig. Vergelijk het met onderwijs. Als je onderwijs wilt steunen dan snapt iedereen dat je het geld niet aan de kinderen moet geven. Je moet de onderwijzers steunen en de scholen. De lokale organisaties moeten sterk genoeg worden om hun rechten op te eisen, om hun mond open te trekken. Onze hulp is een opstap en geen definitieve oplossing.
Ik las laatst een stuk over een initiatief van honderd Nederlandse ondernemers die in het kader van the Hunger Project in Benin de honger willen oplossen. Het idee dat je omdat je ondernemer bent de honger van acht miljoen mensen wel kunt oplossen vind ik nogal arrogant.”

Arrogant, misschien, maar de bedoelingen zijn toch goed.
“Dat wel, maar we moeten voorbij aan de goede bedoelingen. Dat hebben we toch wel geleerd de afgelopen decennia? De grootste bijdrage die ondernemers aan ontwikkeling kunnen leveren is belastingen betalen. Weet je dat er in ontwikkelingslanden jaarlijks 200 miljard aan belastingen wordt ontdoken? Dat is twee keer de totale wereldwijde ontwikkelingshulp. In de VS is onlangs weer 600 miljard dollar uitgegeven om de economie te stimuleren, dat is 2400 dollar per Amerikaan. Aan ontwikkelingshulp wordt door het rijkste deel van de wereld ternauwernood vijftig dollar per jaar uitgegeven per hoofd van de bevolking. Daarom zeg ik: armoede en uitsluiting zijn een keuze van rijke mensen…”

Waarom zouden rijke mensen een deel van hun welvaart willen afstaan? Ze hebben daar helemaal geen belang bij.
“Toch wel. Het is gemeenschappelijk eigenbelang. Veel mensen realiseren zich dat het zo kan niet langer kan. Een voorbeeld. Als je houthandelaar bent en je haalt hardhout uit Kameroen, dan moet je op een gegeven moment beseffen: dit is een eindig verhaal, aan deze rijkdom komt gegarandeerd een eind. Het enige dat er op zit is duurzaamheid. Dat levert op korte termijn misschien minder rijkdom op, maar …”

Er is dan gelijk iemand die alsnog die laatste bomen in Kameroen zal willen kappen. Mensen zullen altijd zoeken naar een manier om ergens zelf beter van te worden. Dat is toch de menselijke natuur?
“Daarom moeten de mensen in Kameroen zelf hun mond ook open doen. Om duidelijk te maken dat onze rijkdom voor hun armoede zorgt. Daar zet ICCO zich voor in.”
 
Organisaties in Kameroen moeten ons dus vertellen dat wij moeten veranderen. Dat zal niet eenvoudig zijn.
“Toch gebeurt er wel wat op dit vlak. In Congo – niet het beste voorbeeld trouwens – heeft de regering net een Canadees bedrijf aangeklaagd vanwege moord op een aantal Congolezen in de strijd om mijnbouwconcessies.
“Er is nog steeds zo’n heilig geloof in de markt: als er maar een vrije markt is dán komt het wel goed, dán kunnen mensen zelf voor hun ontwikkeling zorgen. Ik zeg: wat heeft de vrije markt ooit belet om eerder voor ontwikkeling te zorgen? Een vrije markt leidt helemaal niet, en zeker niet vanzelf,  tot ontwikkeling. De markt zoekt altijd het laagste punt: de goedkoopste grondstoffen, de goedkoopste arbeidskrachten. Daar moeten we van af.”
 
Ontwikkelingssamenwerking wordt dan ineens een ingewikkeld verhaal. Het gaat niet meer om het helpen van arme mensen, maar om het rechtvaardiger maken van het systeem.
“Dat weet ik. Daarom moeten we ophouden aan onze achterban het gemakkelijke verhaal te vertellen, zo van: geef ons geld, dan lossen wij het wel op. Dat hebben we veel te lang verteld en daar worden we nu op afgerekend. We moeten duidelijk maken dat ontwikkelingssamenwerking niet meer kan zijn dan een katalysator. Da’s ook logisch, want wat kan je doen met 0,7% van ons inkomen? Dus stop met het makkelijke verhaal te vertellen!”

Toch lees ik op de site van ICCO de oproep: help een kind met 15 cent per dag.
“Pfff… Ja … da’s waar. Dat is zeker niet het sterkste. Dat komt: we werken samen met andere organisaties en dan moet je geven en nemen. Zo is het nu eenmaal. Wat ik aan mensen zal uitleggen is: het gaat niet alleen om die 15 cent, maar we kloppen bij jullie aan voor rechtvaardigheid. Daar gaat het om.”

Ontwikkelingsorganisaties doen een moreel appèl op mensen. Dat werkt alleen als deze organisaties zelf boven alle twijfel verheven zijn. Dan kan je geen affaires gebruiken zoals laatst met het salaris van de directeur van SNV. Mee eens?
Wat ik daar vooral over wil zeggen is dat de ‘affaire SNV’ vooral een kwestie is geweest van het organiseren en framen van publieke verontwaardiging. De discussie over beloningen moet wat mij betreft veel fundamenteler gevoerd worden. De sector ontwikkelingssamenwerking moest een paar decennia geleden professionaliseren, vond de samenleving. Dat heeft tot hogere beloningen geleid. De vraag is: wat vinden we als samenleving dat mensen in de publieke sector mogen verdienen? Bij ontwikkelingssamenwerking hebben we te maken met drie of vier verschillende codes. Eerst was er de Balkenendenorm, toen kwam Wijffels met een code, en recent kwam het ministerie met de norm dat een baas van een ontwikkelingsorganisatie niet meer mag verdienen dan een directeur-generaal van een ministerie. En laatst werd ik via de radio verontwaardigd toegesproken door de directeur van het wetenschappelijk bureau van de Christen Unie die vroeg waarom ik meer verdien dan een Kamerlid. Die had de ‘Sharon Dijksma norm’ (Kamerlid voor de PvdA, red.) bedacht. Ik wil me best verantwoorden over mijn salaris, maar dan moet ik wel weten waar ik aan toe ben. Ik wil niet graaier genoemd worden door een of andere joker die een eigen norm heeft bedacht over wat ik mag verdienen.”

Mijn punt is: zo’n affaire is schadelijk voor de sector. Hoe kan je het Nederlandse publiek matigheid en ‘eerlijk delen’ vragen als dit soort affaires de ronde doen?
“Weet je: niemand heeft aan Dirk Elsen van SNV gevraagd waarom hij zoveel verdient. Hij kwam van het bedrijfsleven vandaan; ik las dat hij veertigduizend euro per jaar heeft ingeleverd om bij SNV te gaan werken.”

In ieder geval bestaat de indruk dat de OS-sector te ‘vet’ is. Kan het soberder? U verdient 115 duizend euro. Ruim onder de DG-norm, maar toch best fors. Zoudt u het ook doen voor, zeg, zestigduizend euro?
“Soberder? Djeez, wat is sober? Ik was verantwoordelijk voor 350 mensen wereldwijd en een jaarlijks budget van meer dan 150 miljoen euro. Gemakkelijk kan ik nu ‘ja’ zeggen, maar ik heb liever een fundamentele discussie over wat reëel is, en niet op basis van incidenten En kunnen we hier nu over ophouden?”

Vooruit. Iets anders dan. Vindt u over het algemeen dat een organisatie als ICCO dicht bij het ministerie moet staan of juist beter gedijt met een eigen, vrije rol?
“Ik ben aangesteld, tien jaar geleden, om ICCO een medefinancieringsorganisatie te laten zijn: we moesten complementair zijn aan het beleid van de minister. Dat hebben we gedaan. Sterker nog: dat hebben we goed gedaan. Ik denk dat we nu een andere kant uit moeten: verder van de overheid af. Onze taak dient zich veel meer te concentreren op het ondersteunen van een tegenbeweging; countervailing power heet dat. Dat kan niet als je te dicht tegen de overheid aanschurkt.”

ICCO heeft net 382 miljoen gekregen van de Nederlandse overheid. Dan kan je moeilijk tegelijk afstand nemen van dezelfde overheid.
“Er is een beweging om de afhankelijkheid van de Nederlandse overheid te verminderen. Die conclusie hebben we zelf getrokken. Ik heb in tien jaar vijf ministers/staatssecretarissen meegemaakt, vier verschillende directeuren-generaal, en allemaal kwamen ze met andere ideeën. Het beleid heeft tien jaar lang gezwierd en gezwaaid. Als je eens wist hoeveel tijd het me gekost heeft om ICCO bij dat beleid aan te laten sluiten.
Ik was ooit trots als ik in het buitenland uitlegde dat de Nederlandse overheid kritische organisaties financierde. Dat was het kenmerk van een volwassen democratie, zei ik dan. Ik heb leergeld betaald met de affaire van 26 duizend gezichten; toen wij een tv-programma financierden dat kritisch was over het beleid van toenmalig minister Verdonk. Verdonk en Van Ardenne kwamen toen bij mij langs en gaven me onder uit de zak: waar ICCO wel niet mee bezig was. Op dat moment hebben we besloten: over vijf jaar willen we als ICCO maximaal de helft bij het ministerie halen. Weg van de leiband.”

Roeland Muskens

Roeland Muskens is schrijver en onderzoeker.

Lees meer van deze auteur >

Reacties