Weg naar duurzame palmolie

17-02-2009
Door: Hilde Janssen
Bron: IS Online
Palmolieplantage Indonesië

Voor Indonesië is de palmolie-industrie een probaat middel tegen armoede. Bij Europese beleidsmakers geeft het klimaat de doorslag: zij willen alleen duurzame palmolie als bakolie en biobrandstof. De palmolieproducenten zijn naarstig op zoek naar de gulden middenweg. Kleine boeren willen meewerken, maar hebben wel hulp nodig.

Vroeger deden ze het allemaal. Even een fikkie stoken en de hele oliepalmkavel was in een mum van tijd schoongebrand. Dat was wel zo makkelijk, erkent de 41-jarige boer Setiono. “Maar het is slecht voor het milieu met al de broeikasgassen die daarbij de lucht ingaan.” De oliepalmboer uit het plantagegebied bij Pekanbaru in Sumatra heeft zijn les geleerd. Na de nodige trainingen over milieuvriendelijke en duurzame palmolieproductie laat Setiono het gras en onkruid ommaaien. Zijn 410 leden tellende dorpscoöperatie heeft twee machines gekregen om de lege oliepalmvruchten en ander organisch afval tot compost te verwerken. “Dat is prima mest en goedkoper dan kunstmest.” Echte duurzame palmolie produceren lukt echter nog niet. De boeren kunnen nog niet helemaal zonder chemische kunstmest en pesticiden. Maar er wordt wel hard aan gewerkt, verzekert Setiono, die tevens voorzitter is van de oliepalmboerenbond Apeks met 63.000 leden. De boerenleiders begrijpen dat ze het slechte imago van hun oliepalmplantages moeten verbeteren, willen ze in toekomst hun product op de Europese markt goed kunnen verkopen. Milieuorganisaties klagen al jaren dat de expansie van de palmoliesector, gevoed door de Europese vraag naar biobrandstoffen, onherstelbare schade aanricht aan het tropische bossen en de biodiversiteit in Indonesië. “Wij willen de zaak wel rechtzetten en duurzame palmolie produceren”, stelt Setiono. “Wij boeren zijn niet fout of slecht. Wij hebben die bossen niet vernield. Ze waren al gekapt en verwoest toen wij hier onze oliepalm begonnen te planten.”

Geslaagde plantagehouder
Setiono verhuisde eind 1989 van het overvolle eiland Java naar Sumatra, samen met duizenden andere families van ‘transmigranten’ (mensen die via speciale overheidsprogramma’s van Java naar een ander eiland migreerden, [CURSIEF:] red.). Hij kreeg een lapje grond van 2 hectare en een houten huisje in het afgelegen plantagegebied van de staatsplantage Nusantara II in Riau. Deze plantage werkte op basis van het in Indonesië veelvuldig gehanteerde principe van kern-plasma-partnerschap. Het bedrijf (kern) zet de plantage op en traint de boeren (plasma) die 80 procent van de plantagegrond bezitten. De boeren betalen de startkosten op termijn terug via verplichte oogstleveranties aan de bedrijfsfabriek. “In het begin was het wel afzien, want toen kregen we maar 100 roepia per kilo geoogste vrucht”, vertelt Setiono.  Veel families konden daar niet van rondkomen en haakten af. De volhouders konden tijdens de financiële crisis in 1997 hun bonus incasseren dankzij de hoge exportprijzen. Terwijl de rest van het land krom lag, genoot de plantagesector een economische groei van 200 procent. “Van de maandopbrengst van een kavel (2 hectare) kon je al een brommer kopen. Of zelf een stuk bos kopen om meer oliepalmen te planten.” Voor Setiono betekende het de omslag van een armzalige transmigrant tot geslaagde plantagehouder met 20 hectare oliepalm, een auto en een maandinkomen van 1500 euro.

Beter bestaan
Met de stijgende palmolieprijzen de afgelopen jaren zijn talloze berghellingen en vlaktes, rubbertuinen en rijstvelden vol geplant met oliepalm. Indonesië is in twintig jaar tijd uitgegroeid tot de grootste palmolieproducent ter wereld met bijna 7 miljoen hectare plantages. De overheid is trots op de voortvarende ontwikkeling van de palmoliesector, die vijf procent van het Bruto Nationaal Product inbrengt met een export ter waarde van 7,8 miljard dollar. “Het is een probaat middel tegen armoede”, stelt Rosediana Suharto, de directeur van de Indonesische Palm Oil Board (IPOB), de belangenorganisatie van palmolieproducenten. “Vijf miljoen families hebben nu een beter bestaan.” Het kern-plasma-partnerschap tussen grote bedrijven en kleine boeren is de sleutel tot het succes, aldus Rosediana. De kleine perceelhouders bezitten samen 2,8 miljoen hectare oliepalm, bijna net zoveel als de grote bedrijven. In buurland Maleisië domineren de grote plantages.

Indonesië telt honderdduizenden Setiono’s in Sumatra, Kalimantan en Papoea. Maar weinigen hebben zo’n sterke coöperatie als Setiono, weet Asril Darusamin. Als voorzitter van de kleine perceelhouderswerkgroep van de Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie (RSPO) loopt hij daar voortdurend tegenaan. “Zonder goede organisatie krijgen de boeren nooit een duurzaamheidscertificaat en verliezen ze toegang tot de afzetmarkt.” De RSPO moet dat voorkomen. Het platform dateert uit 2003.
Geconfronteerd met een vloedstroom aan kritiek besloten Europese leveranciers, Indonesische en Maleisische palmoliebedrijven samen met enkele milieuorganisaties de mogelijkheden tot duurzame productie van palmolie te bespreken. Dat resulteerde in een hele lijst van ecologische, sociale en economische criteria. Van bescherming van natuurbossen, biodiversiteit en het tegengaan van vervuiling tot het behoud van voedselzekerheid, respect voor traditionele grondrechten en transparante verdragen. De criteria zijn toegespitst op de grote plantagebedrijven. “Maar zonder boeren gaat het niet”, benadrukt Asril. Daarom krijgen ook de boeren training over de duurzaamheidscriteria. “Dat is een complexe materie, zeker voor boeren met alleen een lagere-schoolopleiding”, weet Asril uit ervaring.

Gejuich en boegeroep
De eerste lading gecertificeerde duurzame palmolie van United Plantations, een bedrijf met plantages in Maleisië en ook in Indonesië, is afgelopen november met gejuich en boegeroep in Rotterdam verwelkomd. Het Wereldnatuurfonds en Oxfam vierden het als een eerste belangrijke stap. Volgens Greenpeace is het een ‘greenwash’: United Plantations maakt goede sier met haar gecertificeerde plantage in Maleisië, terwijl ze in Kalimantan ongestoord een beschermd bos omkapt. “In plaats van blij te zijn met het resultaat gaan maatschappelijke organisaties alleen maar harder roepen”, reageert Rosediana van de belangenorganisaties van palmolieproducenten IPOB verbolgen. “En de Europese overheden werken ons ook nog eens tegen.” De Indonesische palmolieproducenten hadden gehoopt de critici de mond te snoeren met het opstellen en naleven van de RSPO-criteria voor duurzame palmolie. Ondanks hun inspanningen dreigen ze nu toch geen toegang te krijgen tot de biobrandstofmarkt in Europa. In navolging van de Nederlandse minister voor Milieu Jacqueline Cramer besloot de Europese Unie de criteria voor biobrandstof te verscherpen en alleen biomassa te propageren die een forse emissiebesparing oplevert. In september kregen de palmolieproducenten te horen dat hun palmolie slechts een CO2 [KLEINE 2]-besparing van 32 procent oplevert terwijl dat minimaal 45 procent moet zijn. “Waar is het wetenschappelijke bewijs?” vraagt Rosediana van IPOB. Indonesische producenten willen de Europese afzetmarkt niet kwijtraken, ook al leveren ze beduidend meer palmolie aan China en India. Daarom heeft Rosediana het internationale onderzoeksinstituut ICRAF ingeschakeld om in twee verschillende plantages de emissie-uitstoot van het hele productieproces te berekenen.

“Een goed initiatief”, vindt Ben Zech, de milieudeskundige van de Nederlandse ambassade in Jakarta. Nederland gaat een vervolgonderzoek van ICRAF financieren om de discussie over de duurzaamheidcriteria te versterken. ICRAF wil het onderzoek uitbreiden tot negen plantages in Sumatra, Kalimantan en Papoea, waarbij zowel goede, matige als slechte voorbeelden worden doorgelicht, inclusief plantages op veengronden. Op verzoek van Nederland kijken ze niet alleen naar de ecologische aspecten, maar ook naar werkgelegenheid, het inkomsten-kostenplaatje voor boeren, ontwikkeling van infrastructuur en potentiële land- en migratieconflicten. Dat sluit goed aan bij het duurzaamheidsbeleid van minister Koenders dat een betere samenhang tussen milieu en armoedebestrijding nastreeft, aldus Zech. “We willen weten hoe we de kleine plantagehouders kunnen steunen, want voor hen is het relatief duur om duurzaam te produceren.”

Al het milieubewustzijn ten spijt, is en blijft de eerste prioriteit van Indonesië toch economische groei en armoedebestrijding. Toch is men wel degelijk serieus bezig met het verduurzamen van de palmolie-industrie, vindt Ben Zech. De minister van Landbouw heeft een verbod uitgevaardigd om nieuwe palmolieplantages te openen op veengronden, nu is aangetoond dat daarbij een immense hoeveelheid CO2  [kleine 2] vrijkomt. Ook ondersteunt de regering de verdere implementatie van de RSPO-criteria als richtlijn voor de plantagesector. Met onderzoek en technische assistentie probeert Nederland die initiatieven te versterken, bijvoorbeeld pilotprojecten voor kleine perceelhouders. Die aanpak heeft ook haar vruchten afgeworpen bij het steunen van een beheerplan voor een aangetast veenbosgebied van een miljoen hectare in Kalimantan. Daarbij lieten milieuorganisaties zien hoe de lokale bevolking ook een boterham kan verdienen aan bosbeheer. Daarop voortbouwend gaat de Nederlandse ambassade nu experts inschakelen om soortgelijke plannen te maken voor de duurzame ontwikkeling van laaglandgebieden in Papoea, Sumatra en Oost-Kalimantan. “We moeten wel realistisch blijven”, stelt Ben Zech. Nederland is maar een kleine investeerder vergeleken bij China en Saudi-Arabië, maar met zijn technische expertise biedt Nederland de betrokken beleidsmakers tenminste gedegen kennis van economische ontwikkelingen, armoedebestrijding en klimaatbeheer. Dat geldt ook voor het verduurzamen van de Indonesische palmolieproductie. “Het gaat erom de juiste balans te vinden.”

Reacties