Interview: Bert Koenders

17-06-2009 Bron: IS Online
Bert Koenders
interview – 

Tussen al zijn reizen door heeft minister Koenders in korte tijd de Nederlandse hulpwereld opgeschud, door de subsidies voor hulporganisaties en draagvlakactiviteiten te saneren. Merkwaardig genoeg zonder al te veel protest. IS sprak moderniseerder Bert Koenders tussen Washington en Pretoria over de hulpindustrie, de crisis en zijn beroep op de Nederlandse burger.

De sterren staan gunstig voor Bert Koenders op dit moment. Hij heeft net te horen gekregen dat hij is uitverkoren om als Special Envoy, speciale gezant, van Ban Ki-moon de hervorming van internationale financiële instellingen als de Wereldbank en het IMF te begeleiden. Het is de bezegeling van zijn prestige in de internationale wereld. Ook binnenlands gaat het hem behoorlijk voor de wind. Zijn budget heeft de crisisbezuinigingen van het kabinet doorstaan en zijn vaste politieke tegenstrever Arend-Jan Boekestijn (VVD) heeft in eigen partij weinig krediet meer. Zelfs De Telegraaf laat Bert – voorheen door journalisten van die krant Dagobert genoemd – Koenders met rust. Zijn plannen om de ‘hulpindustrie’ te saneren hebben min of meer instemming gekregen van de grote ontwikkelingsorganisaties. Als we hem spreken legt hij net de laatste hand aan het nieuwe beleid over het ‘draagvlak’ voor ontwikkelingssamenwerking, een dag voor zijn vertrek naar Zuid-Afrika en Mozambique. Want Bert Koenders rust nooit. Vooral fragiele staten als Congo, Sudan, Burundi en Afghanistan bezoekt hij vaak, alsof hij ze persoonlijk onder zijn hoede wil nemen. “Die reizen zijn voor mij enorm belangrijk. Niet als reiscircuit, maar in elk land kan het beleid aangescherpt worden. Bovendien probeer je samenwerking te vinden met andere donoren in die landen.” Wat prijkt er op zijn conduitestaat nu hij voorbij de helft van zijn ministerschap is? Zijn vier prioriteiten – groei en eerlijke verdeling, veilig moederschap, fragiele staten en duurzaamheid – zijn ingedaald en worden nu in de praktijk gebracht. Alleen hebben zijn vernieuwingen niet altijd de aandacht gekregen die ze verdienen, merkt hij op. Hij is trots op de nieuwe regeling voor het bedrijfsleven, ORIO, die de belangen van ontvangende arme landen centraal stelt in plaats van die van het Nederlandse bedrijfsleven, en voor economische groei zorgt die de armsten ten goede komt.“Dat vond ik dus echt een doorbraak.” Ook voor de besteding van de 500 miljoen euro voor de gevolgen van klimaatverandering uit het regeerakkoord had hij meer credits mogen krijgen, vindt hij. “Dat bedrag is nu belegd en dat was niet gemakkelijk. Veel arme landen hebben geen infrastructuur voor milieumaatregelen. Milieuministers functioneren vaak niet. We doen nu samen met het bedrijfsleven projecten om de gevolgen van klimaatverandering te verzachten en daarin lopen we internationaal voorop. Ik maak me nu wel zorgen dat de financiering van klimaatadaptie ten koste gaat van de millenniumdoelen. De premier is daar ook bezorgd over. We zijn natuurlijk voor een Green Deal, waarbij we de crisis aangrijpen om te investeren in een duurzame economie. Maar ik krijg steeds meer aanwijzingen dat wereldwijd ontwikkeling en klimaat elkaar gaan tegenwerken.”

U profileert zich op duurzaamheid, mooi. Maar hoe zit het met de coherentie van beleid: is het kabinet waar u inzit eigenlijk wel groen genoeg? Het crisispakket en het klimaatbeleid roepen gemengde reacties op bij de milieubeweging.
“Ja, maar de kritiek op het afschaffen van de vliegtaks vind ik volstrekt onterecht. Die taks hadden we graag behouden als-ie had gewerkt. Mensen zijn massaal naar vliegvelden in België en Duitsland uitgeweken. Je zou zo’n taks dus Europees in moeten voeren. Daartegenover staat een subsidieprogramma van miljarden voor duurzame ontwikkeling, dat op dezelfde manier wordt ingevuld als in Duitsland – dat vooroploopt met schone energie. Dat is een geweldige doorbraak, in het verleden lukte het niet om daar overeenstemming over te krijgen.”

U heeft in uw laatste speeches de crisis in felle bewoordingen geduid als een gevolg van onze collectieve hebzucht en ongebreidelde consumptie. Bert Koenders waarschuwt de Nederlandse burger dat-ie zijn levensstijl moet wijzigen?
“Ja, het individu als consument en belegger versus het individu als weldenkend burger strijden inderdaad met elkaar. Wie wil er niet voor 30 euro met Ryan Air naar Nice, om daar aan het strand te gaan zitten? Vervolgens wordt bij de duurdere maatschappijen iedereen ontslagen die een redelijk inkomen verdient en daar zijn we dan op tegen. De burger die ook naar maatschappelijke belangen kijkt, legt het af tegen het individu dat zich bedreigd voelt en een zekere verongelijktheid ontwikkelt. Kijk maar naar reacties op de gemiddelde website, de forums op GeenStijl etcetera. Maar het ligt niet alleen bij de burger. Het is wel degelijk ook een systeemkwestie.”

Wat moet de overheid doen?
“Het is bijna een misdaad dat ons economisch systeem is doorgeslagen naar casino-kapitalisme en daarmee tot dramatische situaties in ontwikkelingslanden leidt. Daarmee komt de geloofwaardigheid van het internationale financiële systeem ter discussie te staan. We moeten dus nu collectief ingrijpen. Daar kun je niet omheen. Maar de burger heeft ook een verantwoordelijkheid. En daar moet je hem ook op aanspreken. Ik zie nu vooral depolitisering dreigen in de reacties op de crisis. Kijk naar de Europese verkiezingen. Van de ene kant heb je partijen als de PVV en tot op zekere hoogte de SP die zeggen: ‘de wereld is te groot geworden, we moeten ons afschermen van de rest’. En: ‘Europa is niet van de burger, kiest u vooral nationaal’. Aan de andere kant heb je partijen die beweren: ‘Het is het beste als je alles op Europees of mondiaal niveau doet’. Dat gaat uit van een zeker naïef geloof in internationale organisaties: hoe hoger het niveau, hoe beter. Met die spanning tussen lokaal en mondiaal gaan Nederlanders moeilijk om. Of we schieten in provincialisme en xenofobie of we geven ons over aan romantisch kosmopolitisme. Beide reacties werken depolitiserend. We zijn burgers van Nederland en hebben ook een internationale verantwoordelijkheid. Mensen moeten een zekere veiligheid en geborgenheid voelen en opgevangen worden als ze een prijs moeten betalen voor globalisering. Maar we mogen ons niet achter de dijken verschuilen. We moeten ons gezamenlijk inzetten voor de bescherming van het milieu, bestrijding van terrorisme en andere mondiale problemen. Dat verhaal moet steeds opnieuw verteld worden, ook al zijn mensen het er misschien niet mee eens.”

Wat is uw boodschap voor mensen die, zoals laatst op een bijeenkomst met u in Amsterdam-Noord, vragen: waarom moeten we aan ontwikkelingshulp doen als ik zelf naar de voedselbank moet?
“Het belangrijkste is dat je aan mensen overbrengt waarom het in tijden van economische crisis verschil uitmaakt of je bij een voedselbank terecht kunt of helemaal niets meer hebt. Daar zijn mensen heel gevoelig voor. In Amsterdam-Noord viel mij op dat de armste mensen het meest solidair zijn. De politieke druk is wat sterker geworden – twee partijen richten zich echt tegen ontwikkelingshulp, de SP en de PVV – maar de maatschappelijke steun is onverminderd groot.”

U constateert geen afkalving van steun voor ontwikkelingssamenwerking in de afgelopen twee jaar?
“Nee, in de VS heeft Obama juist de aanzet gegeven tot verdubbeling van de hulp, en er is wereldwijd een enorme interesse in internationale hulp en crisisbestrijding. Die beweging is heel sterk. Door de crisis overwegen we allemaal – en terecht – of we het allemaal nog kunnen dragen. We hebben allemaal onze eigen solidariteitskring. Maar we moeten wel blijven investeren in de relatie tussen wat we hier doen en de gevolgen daarvan in het buitenland, en tussen onze veiligheid en die in ontwikkelinglanden.”

U heeft nieuw ‘draagvlakbeleid’ geformuleerd naar aanleiding van een evaluatie van inspectiedienst IOB. Ziet u het als een overheidstaak om de steun voor internationale samenwerking te versterken?
“Ja. We gaan nu inzetten op mondiaal burgerschap. Dat is geen elitaire term. Niet zo van: we gaan de wereld over reizen en de kosmopoliet uithangen. Het is eerder bewustwording creëren van het feit dat wat wij doen effect heeft in ontwikkelingslanden. Daarbij is het belangrijk dat er een relatie is tussen de kennis die burgers hebben van mondiale kwesties, en het effect dat die kennis heeft op hun houding en gedrag. Kopen ze bijvoorbeeld bewust fairtrade producten? Dat is draagvlak voor internationale samenwerking. Je moet dus een relatie kunnen leggen tussen wat je uitgeeft aan voorlichting en wat het effect daarvan is op burgers. Dat resultaat is op dit moment onvoldoende duidelijk, volgens de bevindingen van de inspectiedienst. Dat betekent niet dat alleen meetbare activiteiten en publiekscampagnes goed zijn, maar dat alleen de activiteiten waarvan de effecten op burgers meetbaar zijn, subsidie kunnen krijgen. Anders dreigt draagvlakbeleid draagvlak te ondergraven. Draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking gaat dus niet om over de houding ten opzichte van minister Koenders of ten opzichte van de 0,8-procentsnorm voor het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Centraal is de houding ten aanzien van doelen die we wereldwijd hebben afgesproken om armoede te verminderen. Draagvlak in die vorm is belangrijk en verdient ondersteuning door de overheid. Zoals we in Nederland ook kennis en gedrag ondersteunen over volksgezondheid en verkeer, bijvoorbeeld.”

Maar aan het draagvlak voor internationale samenwerking spendeert de overheid een stuk meer.
“Dat vind ik dus ook overdreven. De maatvoering is niet goed. Er gaan subsidies naar projecten die sterk op elkaar lijken, en er worden te weinig nieuwe groepen aangesproken. We moeten op zoek naar mensen buiten de usual suspects. Onze manifestaties trekken altijd hetzelfde publiek. Dat vind ik niet goed. Ook de jongere generatie is essentieel.”

Maar als de overheid verantwoord gedrag gaat verordonneren, hebben de critici het weer over betutteling en propaganda.
“Een moderne samenleving is geen samenleving waarin feiten worden ontkend, kennis niet wordt gedeeld. Kennisoverdracht is iets anders dan indoctrinatie, want dan zou draagvlak creëren alleen staatscommunicatie zijn. Het zou onaanvaardbaar zijn om daar overheidsgeld voor te gebruiken. Wij willen organisaties steunen die het debat entameren.”

U moderniseert naast het draagvlak ook de Nederlandse particuliere ontwikkelingsorganisaties. Moderniseren wil nog wel eens een eufemisme zijn voor saneren. Het budget voor hulporganisaties daalt van 525 miljoen euro per jaar naar 425 tot 500 miljoen, afhankelijk van de kwaliteit van de programma’s. Ziet u het als een serieuze bezuiniging?
“Mijn doelstelling is nooit geweest om te bezuinigen op het particuliere kanaal. Wat ik wil tegengaan, is de versnippering, het gebrek aan synergie, het gebrek aan nieuwe partners in ontwikkelingslanden. Er moet ook een incentive zijn. Als organisaties allemaal fantastische voorstellen indienen, zitten we eerder aan dat bedrag van 500 miljoen.”

Dat valt dan nog mee, gezien uw kwalificatie van ontwikkelingsorganisaties als ‘hulpindustrie’.
“Ik heb die term met opzet gebruikt en gebruik ‘m nog steeds. In het Engels kennen we ook de term ‘aid industry’. Dat heeft te maken met een feit dat ontwikkelingshulp een sector is geworden, wat ook helemaal niet erg is als je ergens veertig jaar aan werkt. Het is jammer dat men zo overgevoelig reageert op die term, juist nu ik medestanders nodig heb om zaken fundamenteel te veranderen. Iedereen heeft het over de grote hoeveelheid missies, de versnippering, het kluitjesvoetbal van hulporganisaties. Dat betekent dus dat de sector wel even opgeschud moet worden.”

Er resten u nog goed anderhalf jaar. Wat staat er nog op uw lijstje?
“We gaan ons alleen nog op de uitvoering van het beleid richten. Gewoon ervoor zorgen dat wat we nu doen, leidt tot de verbetering van de positie van mensen in arme landen. Internationaal actief zijn, om gelijkgezinden bij elkaar te brengen – er zijn helaas nauwelijks leidende landen meer in de ontwikkelingsdiplomatie. Nieuw beleid maak ik tot aan het eind van mijn bewindsperiode niet meer. Er verschijnen geen nieuwe nota’s meer. Nul, wat mij betreft.”

Wie is Bert Koenders?
Bert Koenders (Arnhem, 1958) studeerde politicologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (kandidaatsexamen 1978) en politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte onder andere voor de Verenigde Naties in Mozambique, Zuid-Afrika en Mexico en bij het directoraat-generaal ‘buitenlandse politiek, conflictpreventie en uitbreiding van de EU’ bij de Europese Commissie in Brussel. Voor hij in februari 2007 benoemd werd tot minister voor Ontwikkelingssamenwerking, was hij tien jaar lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Begin 2008 werd hij door vrouwenrechtenorganisatie ‘Women on top’ verkozen tot meest vrouwvriendelijke politicus omdat vrouwenrechten een prioriteit zijn in zijn beleid.

Hans Ariëns

Hans Ariëns is de adjunct-hoofdredacteur van OneWorld en was voor de...

Lees meer van deze auteur >
Lonneke van Genugten

Hoofdredacteur OneWorld. Leest en schrijft het liefst over Congo, Rwanda en...

Lees meer van deze auteur >

Reacties