Honger bestrijden en geld verdienen

03-06-2011 Bron: IS Online
Honger bestrijden en geld verdienen

De bakens zijn verzet: Nederland gaat weer honger bestrijden in ontwikkelingslanden. Niet door hulp te geven, maar door Nederlandse bedrijven, financiers en kennisinstellingen te ondersteunen. “Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons. Dat is niet vies.” Voedselzekerheid in tien vragen.

Voedselzekerheid, wat is dat?
Simpel gezegd: iemand is ‘voedselzeker’ als hij of zij geen honger lijdt en niet bang hoeft te zijn voor verhongering. Rudy Rabbinge omschrijft voedselzekerheid als “de toegang tot voedsel voor iedereen, zowel wat betreft het aantal calorieën als de kwaliteit van het voedsel.” Rabbinge is hoogleraar aan de Wageningen Universiteit en een autoriteit op landbouwgebied. Vorig jaar waren er naar schatting 925 miljoen mensen chronisch ondervoed en hadden 1,5 tot 2 miljard een tekort aan essentiële voedingsstoffen. Tegelijkertijd zegt de Wereldvoedselorganisatie FAO dat er voldoende voedsel is voor 12 miljard mensen, het dubbele van de huidige wereldbevolking.

Gaat het dan vooral om de verdeling van voedsel?
Het gaat om verdeling én hogere productie. Er is voldoende voedsel, maar veel mensen kunnen het niet kopen vanwege geldgebrek. Bovendien wordt veel voedsel regionaal geproduceerd en geconsumeerd. Van de 650 miljoen ton rijst die jaarlijks wordt geproduceerd, komt maar 30 miljoen ton op de wereldmarkt. Dat zijn verdelingsvraagstuk- ken. Tegelijkertijd groeit de wereldbevolking door tot 9 miljard mensen in 2050, die steeds meer dierlijke eiwitten eten. De productie kan dat maar slecht bijbenen. In Afrika houdt de groei van de bevolking geen gelijke tred met de groei van de landbouwproductie en verslechtert de situatie, zegt Rabbinge.

De landbouwproductie zal dus wel veel prioriteit hebben?
Gek genoeg: nee. Vanaf eind jaren negentig van de vorige eeuw ging er steeds minder geld naar landbouw. Wereldbank en IMF legden ontwikkelingslanden structurele aanpassingsprogramma’s op, waarin geen plaats was voor landbouwsubsidies. Lokale politici kregen in die tijd ook meer zeggenschap over donorgelden (ownership) en staken die liever in scholen dan in landbouw – met een school kun je voor de dag komen. En westerse donoren kwamen met nieuwe ‘modes’ op de proppen, zoals onderwijs, gezondheidszorg, gender, milieu.
De cijfers liegen niet. Wereldwijd bedroeg de hulp voor landbouw in 1987 nog 11,5 miljard dollar. In 2005 was dat teruggelopen tot 3,9 miljard dollar. Leningen van de Wereldbank voor de landbouw zakten tot een schamele 1,75 miljard dollar in 2006.
In 2008 vond de omslag plaats, met de publicatie van het World Development Report Agriculture for Development van de Wereld- bank. Het benadrukt het enorme belang van landbouw voor de plattelandsbevolking in ontwikkelingslanden: ‘Als je kijkt waar deze mensen leven en waar ze het beste in zijn, is het promoten van landbouw een voorwaarde voor het halen van het eerste millenniumdoel, het halveren van armoede en honger in 2015.’

Ging Nederland mee met die modes?
Zonder meer. Ook hier verdwenen landbouw en voedselzekerheid uit beeld. “We hebben twintig jaar geleden onze expertise overboord gezet en ons de kaas van het brood laten eten door onder meer de Duitsers en de Denen”, meent Hedwig Bruggeman, directeur van Agri-Profocus, een partnerschap van Nederlandse en buitenlandse organisaties voor meer en betere ondersteuning van boerenorganisaties en boerenondernemerschap in ontwikkelingslanden.
Maar de bakens bij Ontwikkelingssamenwerking zijn verzet. Eerst was daar het rapport Minder pretentie, meer ambitie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Dat adviseerde de regering te doen waar Nederland goed in is en waar het expertise bezit. Landbouw bijvoorbeeld. Knapen nam dat advies over. Voortaan staan economische sectoren centraal die de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden vergroten. Voedselzekerheid is een van de vier speerpunten van het buitenlandbeleid, omdat Nederland daarin het verschil kan maken. Landbouwmensen zijn euforisch. “Dit is echt hartstikke goed”, zegt Peter Bolt van Dadtco, een Nederlandse onderneming die cassaveverwerkende fabrieken in Nigeria runt.

Wat heeft Nederland te bieden?
De toegevoegde waarde die Nederland kan leveren op landbouwgebied is duidelijk, zegt Rabbinge. “Wij worden internationaal gezien als een van de meest vooraanstaande landen op landbouwgebied. We zijn het tweede exportland ter wereld, op een oppervlakte die een kwart beslaat van de staat Californië! Onze landbouw is geavanceerd, levert een hoge productie met weinig hulpmiddelen en er is weinig verspilling. Als het om landbouw gaat, wordt dus vaak een beroep gedaan op Nederland.” De faam van ‘Wageningen’ is niet te onderschatten. Tekenend voor de Wageningen Universiteit is dat de helft van de promovendi van buitenlandse afkomst is. “Onze landbouw heeft een hoog high-techniveau”, beaamt Bruggeman van Agri-Profocus. “We hebben wereldbedrijven in innovatie, onze zaadbedrijven behoren tot de beste van de wereld. Ja, we hebben een belangrijke rol te spelen. Voedselzekerheid is een terechte keuze.” Ook Christiaan Rebergen, plaatsvervangend directeur Economische Ontwikkeling op het ministerie van Buitenlandse Zaken, verdedigt de keuze voor voedselzekerheid: “Nederland heeft veel bedrijven die investeren in voedselkwaliteit en landbouw. Grote bedrijven als Unilever, maar ook kleine als Dadtco. En we hebben kennisinstellingen als het Koninklijk Instituut voor de Tropen, de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening van de Vrije Universiteit, en Wageningen Universiteit, financiële instellingen, maatschappelijke organisaties en specifieke landbouworganisaties als Agriterra.”

Nederland stelt het economische eigenbelang voorop. Is dat te rijmen met belangen van ontwikkelingslanden?
“Ho ho”, zegt Rebergen, “dat is een misverstand. Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is de vraag vanuit ontwikkelingslanden. Maar we realiseren ons wel explicieter dan vroeger, dat wat goed is voor hen ook goed is voor ons. Dat is niet vies.” Volgens Rabbinge gaat het om ‘verlicht eigenbelang’. “Daarbij investeer je in een ontwikkelingsland en hoef je niet onmiddellijk rendement te maken. Ik rijd net terug van groenteveredelaar Rijk Zwaan, die precies met dit idee investeert in Afrika. Op die manier versterk je de economische ontwikkeling. En er móet economische ontwikkeling plaatsvinden, alleen zo doorbreek je de afhankelijkheid. Niet door landen aan het hulpinfuus te leggen.”

Wat schiet een Afrikaanse keuterboer op met onze high tech landbouwkennis?
Dat is een goed punt. Grote bedrijven als Unilever en Heineken zijn actief in Afrika, maar hebben de Afrikaanse boeren nog maar weinig te bieden, al komt daar verandering in. “We proberen in Afrika de lokale productie van grondstoffen te bevorderen”, zegt Willem-Jan Laan, directeur Global External Affairs van Unilever. “En daarbij willen we ook de kleine boeren een plaats geven en hen verbinden met de markt. Voor de toekomst is hun productie heel relevant.” De kunst is dus om Nederlandse bedrijven en geld te koppelen aan lokale ketens en voedselzekerheid. Daar zijn wel voorbeelden van, maar “dat is zoeken naar een speld in een hooiberg”, zegt Bruggeman van Agri- Profocus, dat onlangs een studiedag over local sourcing organiseerde.

Noem eens een van die spelden in de hooiberg?
Groenteveredelaar Rijk Zwaan, uit het Zuid-Hollandse De Lier, heeft heel recent samen met het Aziatisch zaadbedrijf East West Seeds het veredelingsbedrijf Afrisem opgezet, met Arusha (Tanzania) als vestigingsplaats. Het bedrijf richt zich op de veredeling van het zaad van drie groentegewassen: Afrikaanse tomaat, Afrikaanse aubergine en Chileense pepper. “We verbeteren de rassen voor lokale boeren en lokale markten”, zegt Heleen Bos van Rijk Zwaan. “We zijn net begonnen en hebben nog geen zaadje verkocht, dus nog geen cent verdiend. Dat kan nog wel tien tot vijftien jaar duren. We zijn bereid zo lang te wachten. Deze zomer komt er een demonstratieproef van de Afrikaanse aubergine. We hopen dat die aanslaat en dat we het zaad daarvan kunnen aanbieden.” Vanuit Arusha wil Rijk Zwaan andere delen van Afrika exploreren voor de verkoop van beter zaad voor groenten. “Groente is vanwege de vitamine en de hoge opbrengst een belangrijk gewas, waar overheden meestal weinig aan doen. Die richten zich meer op gewassen als rijst, maïs, sorghum en soja.”

Rijk Zwaan heeft eerst onderzocht hoe de lokale groentevoorziening in elkaar zit. Wat wordt er geteeld? Wat is de kwaliteit van het zaad? Hoe worden de producten vermarkt? Bos: “Het is de eerste keer dat een groenteveredelaar zich op deze markt begeeft. Niet high tech, maar voor kleine boeren waar nog helemaal geen goed zaad voor is. We richten ons met het Afrisemassortiment op de stedelijke en de rurale markten, en in ieder geval niet op de grote exportbedrijven.” De introductie van het betere zaaigoed moet hand in hand gaan met het trainen van de boeren, anders is de kans groot dat het niks wordt. Bos: “We hebben een paar boeren vrij laten experimenteren met verbeterd zaaigoed, en die haalden heel lage opbrengsten omdat ze er op een traditionele manier mee omgingen.” Om van hen betere telers te maken, gaat Rijk Zwaan samenwerken met lokale organisaties die trainingen kunnen verzorgen. Ook belangrijk is de vermarkting van de groenten. “Nu zitten vrouwen meestal langs de kant van de weg, en verkopen zo nu en dan wat. Wij zijn ervan overtuigd dat groen- ten een veel groter potentieel hebben.”

Eén voorbeeld is géén voorbeeld!
Nog een dan. Onlangs sloot de Dutch Agricultural Development & Trading Company (Dadtco) een lucratief contract met SAB Millar, een van de grootste bierbrouwerijen ter wereld. Dadtco gaat in 35 Afrikaanse landen, te beginnen in Zuid-Sudan en Mozambique, cassavezetmeel leveren voor de bierbrouwerijen. Zetmeel is een belangrijke grondstof voor bier. Het contract is plezierig voor Dadtco, maar ook voor de producenten van cassave: miljoenen kleine boeren. Het cassavezetmeel komt in de plaats van geïmporteerde gemoute gerst.

Dadtco begon in 2002 in Nigeria. Directeur Peter Bolt: “Het is het dichtst bevolkte Afrikaanse land, het importeert gigantisch veel voedingsmiddelen terwijl minder dan 20 procent van zijn landbouwareaal in gebruik is.” Dadtco richt zich bewust op de kleine zelfvoorzienende boeren, die volgens Bolt “al veertig jaar achteruit hollen”. Vandaar de keuze voor cassave: cassave zit al eeuwen in het standaardvoedselpakket van Afrika. Het gewas is redelijk bestand tegen droogte en geeft altijd een opbrengst. Weliswaar is het ziektegevoelig, maar op de wijdverspreide akkers van kleine boeren is dat risico veel kleiner.

Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken doneerde 6 miljoen euro aan de Amerikaanse organisatie IFDC, die de Nigeriaanse boeren traint om betere boeren te worden. IFDC kijkt in de dorpen hoe de landrechten zijn verdeeld, wat de gemeenschappelijke gronden zijn, en laat zien hoe uitgeputte grond kan verbeteren met groen- bemester. Bolt: “Zo kan stabiele rotatielandbouw ontstaan, met zo min mogelijk dure kunstmest. Wij nemen de hele oogst af, tegen een prijs waarover we met de boeren onderhandelen. De boeren die meedoen krijgen een gegarandeerd inkomen. Maar niemand is verplicht aan ons te verkopen.”

In één opzicht is cassave een lastig product: eenmaal geoogst moet het binnen 48 uur worden verwerkt, anders gaat het rotten. Lang niet alle boeren hebben de mogelijk- heid hun oogst zo snel bij de twee verwerkende fabrieken van Dadtco te krijgen. Daar heeft Bolt een sublieme oplossing voor bedacht: de mobiele autonome verwerkings- eenheid. Dat is een complete fabriek in een zeecontainer, die per vrachtwagen naar de boeren gaat. Dadtco heeft wereldwijd patent op deze uitvinding.

Nederlandse investeerders, vrienden en bekenden van Bolt, hebben 7 miljoen euro in Dadtco gestoken. “Ze hebben nog geen euro teruggezien. Maar ze gaan niet voor het snelle geld.” En dat is uitzonderlijk. “Het probleem bij het bedrijfsleven is dat het eigenbelang en de korte termijn winstverwachting voorop staan. Zo wil ik niet werken. Dit zijn processen van twintig, dertig jaar. Mijn bank zei: ‘Peter je bent geen ondernemer, maar een ontwikkelingswerker’.” Dadtco zou nu 150 miljoen euro waard zijn, maar Bolt wil de zaak niet verkopen. “Dan wordt de boer weer als middel in plaats van doel gezien. Een doel waar je heel voorzichtig mee moet omspringen.” Nu Dadtco de weg bereidt, kloppen ook bedrijven als Unilever en Heineken aan. “Unilever wil samen met ons een fabriek opzetten voor de productie van sorbitol, de grondstof voor tandpasta. Wij gaan daarvoor cassavezetmeel leveren. Met Heineken zijn we in gesprek over de levering van glucosestroop, dat ze nu nog importeren. Langzaam zie je dat het begint te werken.”

Oké. We hebben Wageningen, we hebben bedrijven. En de hulporganisaties?
Zij zijn vooral bezig met randvoorwaarden: dat betekent het versterken van het organiserend vermogen van ondernemende kleine boeren voor betere toegang tot financiële diensten, markten en voorlichting. Dan snijdt het mes aan twee kanten, want bedrijfsleven en dienstverleners kunnen niet met duizenden boertjes apart onderhandelen. Neem Terrafina, een consortium van ontwikkelingsorganisatie ICCO, microfinancier Oikocredit en de Rabobank dat microfinanciële instellingen (mfi’s) in zes Afrikaanse landen ondersteunt bij hun volwassenwording, zodat ze zelf zaken kunnen doen met commerciële banken. “Mfi’s zijn middelen”, zegt Cor Wattel van ICCO/ Terrafina. “Ons doel is het beschikbaar maken van financiële diensten op het Afrikaanse platteland. Dat is lastig, omdat die mfi’s echt expertise van en verbondenheid met het platteland moeten hebben. Alleen dan kun je krediet verlenen zonder steeds nat te gaan.”

Nederland heeft een goed ontwikkelde financiële sector met een keur aan diensten. De oogstverzekering bijvoorbeeld. Die wordt nu ook verkocht in Senegal, waar Terrafina samen met mfi MEC Delta en het Nederlandse Eureko/Achmea een microverzekering voor drieduizend rijstboeren heeft ontwikkeld. In 2006 en 2007 hadden de boeren te maken met invasies van vogels, die de oogsten opvraten. Gevolg: boeren konden hun microleningen aan MEC Delta niet terugbetalen. Eureko, dat al ervaringen heeft opgedaan in India, was bereid dit risico af te dekken. Goed voor MEC Delta, goed voor de boeren, goed voor Eureko. Je zou bijna zeggen: een win-win-winsituatie.

Han van de Wiel

Han van de Wiel is een Nederlandse journalist die zich gespecialiseerd heeft...

Lees meer van deze auteur >

Reacties