De oorzaken van etnisch-religieus conflict in Indonesië

01-12-2015 Bron: OneWorld
Foto: Jakarta riot 1998
Foto: Indonesische overheid, via Wikimedia Commons
Interview – 

Conflicten in de naam van etnische en religieuze verschillen zijn volgens  verschillende wetenschappers sterk toegenomen sinds het einde van de Koude Oorlog. Antropoloog Yustinus Tri Subagya is gefascineerd door het etnisch-religieuze geweld in zijn land Indonesië, dat met de ondergang van het Soeharto-regime eind jaren 90 sterk toenam. Wat ligt ten grondslag aan deze conflicten tussen met name christelijke en islamitische Indonesiërs? En wat zijn manieren om deze conflicten aan te pakken? Eind september promoveerde Tri Subagya aan de Radboud Universiteit. “Mijn onderzoek kan helpen om de escalaties tussen verschillende religieuze en etnische groepen te verklaren.”

Kun je uitleggen wat je precies bedoelt met ‘etnisch-religieus geweld’?
Etnisch-religieus geweld is collectief geweld dat ontstaat wanneer twee groepen zich verenigen op basis van een gedeelde etnische en/of religieuze identiteit en zich tegen elkaar keren. Etnisch-religieus geweld kan zowel fysiek als psychologisch zijn. Het kan variëren van scheldpartijen tot de vernieling van andermans bezit, van intimiderende demonstraties tot het aanvallen en zelfs doden van mensen. Etnisch-religieus geweld verergerde na de Koude Oorlog in verschillende delen van de wereld. In Indonesië escaleerde de boel toen het Soeharto-regime eind jaren 90 steeds zwakker werd. Etniciteit en religie werden vanaf dat moment door politieke elites ingezet in hun strijd om de macht. Met name religieuze sentimenten werden gemanipuleerd door elites om volgelingen te krijgen.

In je onderzoek beschrijf je etnisch-religieus conflict als een ‘latent’ conflict. Wat bedoel je daarmee? 
Een latent conflict is een sociale spanning die voortkomt uit een dysfunctioneel sociaal systeem. Een latent conflict kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een langdurige strijd tussen verschillende groepen om schaarse grondstoffen of om ongelijke toegang tot politieke macht.

De voedingsbodem voor het conflict werd niet gevormd door de religies zelf, maar door de machtsongelijkheid tussen de twee religieuze groepen

Op de Molukken is het bijvoorbeeld zo dat christenen in de koloniale periode werden voorgetrokken ten opzichte van moslims. Dit leidde onder moslims natuurlijk tot een gevoel van onmacht. In de roerige jaren 90, waarin een economische crisis leidde tot massale onvrede en uiteindelijk tot de val van Soeharto, vormde deze machtsongelijkheid tussen religieuze groepen een trigger voor conflict. De voedingsbodem voor het conflict werd dus niet gevormd door de religies zelf, maar door de machtsongelijkheid tussen de twee religieuze groepen. 

Je bestudeerde specifiek het etnisch-religieus geweld in Ambon en Yogyakarta. Waarom deze locaties? 
Ambon en Yogyakarta verschillen sterk van elkaar, dat maakt het methodologisch interessant. Ambon is historisch gezien hoofdzakelijk een christelijke regio, maar er woont ook een behoorlijk grote groep moslims. In Yogyakarta wonen vooral moslims en er is een kleine christelijke minderheid. In Ambon is er recent veel etnisch-religieus conflict geweest, in Yogyakarta is het relatief rustig.

Christenen en moslims leven in Ambon bewust gescheiden 

Ambon kent een sterke scheidingslijn tussen het leven van moslims en christenen. Het zijn echt twee verschillende leefwerelden; de groepen kiezen er bewust voor om gescheiden van elkaar te leven en komen nauwelijks met elkaar in aanraking. De etnisch-religieuze identificatie van  moslims en christenen is zo sterk dat er voortdurende spanningen zijn – latent conflict, dus – die leiden tot uitbarstingen van geweld.    

De geweldsuitbarstingen vormen een soort vicieuze cirkel. In 2011 kwam bijvoorbeeld een islamitische motorrijder om bij een verkeersongeluk in een christelijk dorp. Dit leidde tot rellen waarbij drie mensen overleden en honderden huizen afbrandden. Drie maanden later werd een christelijke buschauffeur neergestoken in een moslim-regio. Ook dit incident leidde weer tot geweld. 

In Yogyakarta is het religieuze conflict niet zo sterk, maar worden vooral etnische minderheden gediscrimineerd. Zo mag de Chinese minderheid niet overal wonen en geen land bezitten. Ook Papoea’s worden gediscrimineerd; veel huiseigenaren willen hen niet als huurders omdat ze in het algemeen worden beschouwd als asociaal en luidruchtig. Maar de discriminatie tegen etnische minderheden leidt niet tot zulke geweldsuitbarstingen als de conflicten tussen religieuze groepen.

De discriminatie tegen etnische minderheden leidt niet tot zulke geweldsuitbarstingen als de conflicten tussen religieuze groepen

In je onderzoek komt dan ook naar voren dat religieuze identificatie de meest sterke aanleiding geeft tot het initiëren van en/of steunen van geweld tussen groepen – meer dan etnische of sociaal-economische identificatie. Waarom? 
Daar zijn twee fundamentele redenen voor. Ten eerste wordt het fenomeen ‘religie’ gekenmerkt door de overtuiging dat mensen bepaalde interpretaties van heilige teksten moeten accepteren. Ten tweede gaan religieuze verschillen gepaard met verschillende interpretaties van de wereld, bijvoorbeeld van sociale relaties. Deze twee aspecten zorgen ervoor dat religie sneller dan veel andere sociale breuklijnen de aanleiding kan vormen voor conflict tussen verschillende partijen. De grote mate van support voor geweld die vervolgens ontstaat, is onder andere het gevolg van de reikwijdte van religie; er is een enorm netwerk, wereldwijd, van mensen die ook christen of moslim zijn en zich achter je scharen. 

Sterke religieuze identificatie vormt volgens je onderzoek dus een belangrijke stimulerende factor voor het initiëren van en steunen van geweld tussen groepen. Zijn er nog meer van zulke factoren? 
Etnisch-religieus geweld kan verschillende vormen aannemen, variërend van demonstraties tot moord. Als het gaat om de meest heftige vorm van geweld, waarbij schade wordt toegebracht aan mensen en goederen, zijn er in totaal vier factoren die de steun voor geweld versterken. 

Om te beginnen is sterke religieuze identificatie inderdaad van invloed. Specifiek is het vooral religiocentrism dat conflict aanwakkert; de overtuiging dat de religie die jij aanhangt superieur is. Religiocentrism wordt in Indonesië onder andere versterkt door de toename van religieuze activiteiten en praktijken sinds de val van Soeharto. Religie krijgt een steeds centralere plaats in onze samenleving.

Ten tweede moet een groep zich bedreigd voelen door een andere groep. In Indonesië voelen moslimgroepen zich bijvoorbeeld bedreigd doordat christelijke scholen moslim-studenten opnemen en doordat christelijke religieuze activiteiten zich uitbreiden in verschillende regio’s. Met name groeperingen zoals het Islamitisch Verdedigingsfront (Front Pembala Islam) zijn bang voor christelijke overheersing en proberen daarom de sharia in te voeren. 

De derde factor is religieus pluralisme, waarmee ik doel op de acceptatie van het bestaan van andere religies. In tegenstelling tot onze verwachting bleken mensen die het bestaan van verschillende religies accepteren juist tolerant ten opzichte van etnisch-religieus geweld.

Ten vierde speelt nationalisme een rol, of eigenlijk juist het gebrek aan nationalisme: steun voor etnisch-religieus geweld is sterker wanneer gevoelens van nationalisme relatief laag zijn. 

Je voorspelt dat conflicten zullen verminderen wanneer deze condities voor geweld tussen groepen worden teruggedrongen. Hoe denk je dat dit bereikt kan worden?
Dialoog en open interactie tussen verschillende etnisch-religieuze groepen zijn van belang. Mensen zouden elkaar en elkaars overtuigingen beter moeten leren begrijpen. Hierdoor zal het gevoel van bedreiging waarschijnlijk afnemen. 

Een van de manieren om aan conflict te werken, is het opnieuw leven inblazen van lokale tradities

Een van de manieren om aan conflict te werken, is het opnieuw leven inblazen van lokale tradities op het gebied van conflictoplossing en vrede. Op Ambon bestaat bijvoorbeeld de traditie van ‘pela’: een traditionele, geïnstitutionaliseerde vriendschapsrelatie of broederrelatie tussen twee of meer Molukse dorpen. Tijdens het conflict van 1999-2004 functioneerde pela slecht tussen de meeste dorpen, maar nu wordt het weer gebruikt als symbool van vereniging en van de heropbouw van verbroken dorpsrelaties. Tradities zoals pela helpen om het vertrouwen tussen groepen te herstellen. Maar een belangrijk onderdeel van conflictoplossing is natuurlijk ook het tegengaan van discriminatie. Iedereen zou gelijk moeten worden behandeld. 

Er zijn daarnaast verschillende organisaties die voortdurend hun best doen om de communicatie tussen christenen en moslims in zowel Ambon als in Yogyakarta te verbeteren. In Ambon wordt dit bijvoorbeeld gedaan door de Peace Provocateurs, een groep activisten die via social media informatie verspreidt om de heersende vooroordelen over moslims en christenen tegen te gaan. Een initatief in Yogyakarta is het Instituut voor Interreligieuze Dialoog (Institut Dialog Antariman di Indonesia), een initiatief van wetenschappers, progressieve religieuze leiders, studenten en NGO-activisten om de interreligieuze dialoog te bevorderen. Vredesinitiatieven zoals deze worden over het algemeen goed ontvangen en geven hoop voor de toekomst. 

Zijn je onderzoeksbevindingen ook relevant voor andere landen?
Mijn bevindingen zijn ook relevant voor andere samenlevingen met een hoge mate van etnisch-religieus geweld. In Azië is dit bijvoorbeeld het geval in Pattani (Thailand) en op Mindanao (Philippijnen). In Europa kan de huidige instroom van migranten uit het Midden-Oosten leiden tot etnisch-religieuze vooroordelen en sociale uitsluiting vanuit de lokale bevolking, die de migranten als een bedreiging beschouwt voor het sociaaleconomische leven. Mijn onderzoek kan helpen om de escalaties tussen verschillende religieuze en etnische groepen te verklaren.

Een abonnement op OneWorld magazine voor 25 euro

Carline Lucassen

Carline Lucassen is stagiaire bij Kaleidos Research, hét onderzoeksbureau op...

Lees meer van deze auteur >

Reacties