Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

De Amerikaanse schrijver en politicoloog Francis Fukuyama heeft wel eerder een belangwekkend boek geschreven dat meer vraagtekens dan uitroeptekens opriep. Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, bijvoorbeeld: zijn analyse van de toestand van de wereld na de val van de Berlijnse Muur en de implosie van de Sovjet-Unie. De basisstelling van dat boek uit 1992 was dat de westerse, liberale democratie het eindstadium van de politieke en culturele evolutie van de mensheid vormde. Diezelfde overtuiging drijft de Amerikaanse politicoloog een kwarteeuw later nog steeds.

Identiteit

Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, zijn jongste boek, is in wezen een zoektocht om die liberale democratie te redden uit de klauwen van populisme, islamisme en exclusief nationalisme – tendensen die de auteur benoemt als reële bedreigingen voor wat hij nog steeds onaanvechtbaar de beste en finale staatsvorm vindt. De ‘identiteitspolitiek’ uit de titel wordt eenzijdig ingevuld, het ressentiment nauwelijks besproken en de neoliberale mondialisering, die hij mede verantwoordelijk stelt voor de aantrekkingskracht van populistisch nationalisme en politieke religie, laat hij verder ongemoeid.

Een noodzakelijk thema wordt fragmentarisch uitgewerkt en de interne tegenstellingen worden niet opgelost. Zinvol schrijven over politieke identiteiten blijft moeilijk, dat is de conclusie na lezing van Identiteit van Fukuyama, en een interview met de auteur. Een bespreking, een gesprek, en nogal wat bedenkingen. Want dit is op meerdere manieren toch een interessant boek in een noodzakelijk debat.

Een heel Amerikaans boek

Fukuyama’s ideeën krijgen altijd internationale weerklank, en dat dankt hij natuurlijk aan het feit dat hij die ideeën vanuit de VS en in het Engels formuleert. Japanse politicologen die in het Japans publiceren worden in Europa niet vertaald of onthaald. Laat staan dat wij Urdu- of Igbo- of Koreaansschrijvende denkers zouden kennen of bediscussiëren. Dat soort machtsverschillen komen echter niet voor op de Fukuyama-radar, net zoals hij Black Lives Matter ongestoord op dezelfde lijn zet als White Poweractivisme.

De democratie die hij beschrijft, is de Amerikáánse democratie

Zijn betoog is ook fundamenteel Amerikacentrisch. De democratie die hij beschrijft, is de Amerikaanse democratie. Het links dat hij bekritiseert is de Democratische linkerzijde en de projectie van de ervaring daarmee op de Europese sociaaldemocraten. Voor het ontstaan van wat hij veralgemenend ‘identiteitspolitiek’ noemt, gaat terug naar de culture wars aan de universiteiten van de VS, maar raakt nooit aan de emancipatorische strijd in de Europese steden van vandaag. En als hij het over inclusief nationalisme heeft – want daarin ligt volgens hem de oplossing voor het vraagstuk dat hij beschrijft – dan heeft hij het over de aanpak die de Verenigde Staten daarvoor ontwikkeld heeft: de eed van trouw, de romantiek van Ellis Island.

francis fukuyama
Francis Fukuyama Beeld door: Wikimedia

En zoals zo vaak in dit soort debatten, presenteert hij zichzelf als het levende voorbeeld van het succes van die aanpak. ‘In de VS werd Amerikaans-zijn losgekoppeld van etniciteit of de achtergrond van je ouders na de burgerrechtenbeweging, en dat is behoorlijk succesvol geweest. Kijk naar mij: ik ben geen witte Amerikaan met Europese wortels, maar dat heeft mij nooit gehinderd.’

Fukuyama is tegelijk een stuk genuanceerder dan de gemiddelde nationalistische politicus in Vlaanderen die hetzelfde zegt. Want hij voegt eraan toe dat dat succes alleen mogelijk is ‘op voorwaarde dat de geschiedenislessen slavernij en rassendiscriminatie niet witwassen, terwijl je wel duidelijk maakt hoe gelijkheid en democratie steeds dominanter werden.’

Waardigheid en ressentiment

De ondertitel van Identiteit geeft al aan vanuit welk perspectief Fukuyama het hernieuwde succes van nationalisme en politieke religiositeit benadert en verklaart: het zijn politieke reacties op een maatschappelijk gebrek aan respect, erkenning en waardering. Hij gaat daarvoor terug naar het Griekse begrip thymos, ‘dat deel van de ziel dat hunkert naar de erkenning van de waardigheid’. Fukuyama stipt in het voorwoord aan dat hij al in Het einde van de geschiedenis, maar ook in zijn magnum opus De oorsprong van onze politiek duidelijk maakte dat ‘nationalisme noch godsdienst op het punt stonden te verdwijnen als krachten in wereldpolitiek… omdat de moderne liberale democratieën het probleem van de thymos nog niet hadden opgelost’.

De terechte observatie dat vernedering en het hautaine ontkennen van de zorgen van de armen leiden tot geradicaliseerde terugslag, wordt door Fukuyama verklaard door het ontstaan van de zoektocht naar het innerlijke – die hij laat beginnen bij Maarten Luther. Dat lijkt me een betwijfelbare lezing van de geschiedenis. Door die ‘waardigheid’ helemaal te situeren in de innerlijke sfeer, worden de verwijzingen naar de Arabische of Oekraïense revoltes zelfs revisionistisch: alsof het de mensen op de pleinen en maidan ging om de vragen ‘wie ben ik eigenlijk’ en ‘respecteert de macht mijn individuele drijfveren wel?’.

Het is de economie, stupid

Verder in het boek verbindt Fukuyama het blijvende en zelfs groeiende probleem van de thymos met de ongelijkheid die bijna overal toeneemt en de onzekerheid die met name voor de arbeiders en middenklassen van het Westen knaagt aan het vertrouwen in de instellingen en in de democratie zelf. Dat links dat groeiende probleem niet heeft kunnen vertalen in versterking van haar politieke slagkracht heeft er vooral mee te maken, aldus Fukuyama in ons gesprek, ‘dat links na 1968, of de burgerrechtenbeweging in de VS, ongelijkheid anders is gaan lezen, niet langer in de brede categorieën van arbeidersklasse, maar meer door de lens van specifieke vormen van onrecht zoals die door specifieke groepen ervaren werden.’

Minderheden en vrouwen werden het nieuwe voorwerp van strijd, terwijl de arbeidersklasse als geprivilegieerd werd gezien

Fukuyama: “Etnische minderheden, vrouwen en LHBTI+’s werden het nieuwe voorwerp van strijd, terwijl de oude arbeidersklasse in toenemende mate gezien werd als een geprivilegieerde groep die dankzij sterke vakbonden zichzelf kon beschermen. Tegelijk was er op de linkerzijde een diep wantrouwen tegen nationalisme, terwijl toebehoren tot een natie nog steeds een van de krachtigste vormen van identiteit is en blijft. De zorg ter linkerzijde was dat dit nationalisme in tegenstelling stond met de universele mensenrechten en marginalisering aan de andere kant van de wereld. Arbeiders gingen zich daardoor afvragen waarom er zoveel meer bezorgdheid was voor de armen in Birma dan voor de eigen bedreigde arbeidersklasse.” Met die redenering wordt meteen duidelijk dat Fukuyama een ‘links’ creëert dat makkelijk met alle zonden Israëls beladen kan worden, om vervolgens de woestijn in gestuurd te worden.

Op mijn tegenwerping dat de echte bedreiging voor de traditionele arbeidersklasse niet gevormd werd door de oproepen tot internationale solidariteit, maar door de verzwakking van de factor arbeid en dus van de arbeiders door de neoliberale globalisering, antwoordt hij: “Dat klopt, maar de voorstanders van de neoliberale globalisering waren juist de links-progressieve elites. Zij gingen ervan uit dat mensen consumenten waren en het dus niet uitmaakte of een auto in China of Detroit gemaakt werd, als hij maar betaalbaar bleef.” Het is een analyse die alleen klopt als Bill en Hillary Clinton, of Bill en Melissa Gates je boegbeelden van ‘links’ zijn.

Als Fukuyama zegt dat ‘die zoektocht naar mondiale economische efficiëntie hand in hand ging met de universalistische visie die zich verzette tegen de natie’, dan gaat dat zelfs voor de Wall Street-elite in de VS nauwelijks op. Hij zou ten minste duidelijk moeten maken dat de elites die nationalisme voor de werkende klasse voorbijgestreefd vonden, tegelijk het patriottisme in en de imperialistische politiek van de Verenigde Staten bleven steunen. Dat daarbij de groep kleinere ondernemers opgeofferd werden om de multinationale bedrijven met hun monopoliedrang en aandeelhouderslogica te bedienen, komt niet voor in Fukuyama’s analyse.

Bescherming is aanpassing

Fukuyama heeft wél een punt als hij er op wijst dat die dubbelzinnige houding van de ‘kosmopolitische elite’ – al zijn de aanjagers van de neoliberale mondialisering vaak allesbehalve progressief, kosmopolitisch, laat staan ‘links’ – ook in Europa navolging kreeg, onder andere “in het beleid dat de Europese Commissie oplegde, door industrieel beleid of bescherming van nationale arbeiders en arbeidsmarkten niet toe te laten. Ook de sociaaldemocratische partijen schoven, onder leiding van Tony Blair, op naar het centrum en sloten vrede met het kapitalisme. Dat was een tijdlang een electoraal succesvolle strategie, maar het maakte hen op den duur overbodig.”

Als lezer verwacht je een antwoord dat ingaat op de grondoorzaak, maar in plaats van een fundamentele hervorming van de mondiale, neoliberale economie die zoveel ongelijkheid en woede produceert, stelt Fukuyama een sterke nationale identiteit voor als remedie voor het opbod tussen de diverse groepsidentiteiten. Op de vraag of dat geen vreemde kronkel in zijn redenering is, maakt hij zich er wat makkelijk van af: “Als het alternatief voor economische mondialisering bestaat in economisch protectionisme zoals Trump voorstelt, dan weten we dat iedereen er slechter van wordt. Arbeiders worden niet beter beschermd als we terugvallen in concurrerende, afgesloten markten, zoals we weten uit de ervaring van de jaren dertig van vorige eeuw.”

En voor wie het toch niet goed begrijpt, voegt Fukuyama er aan toe: ‘De neoliberale idee van open grenzen is correct, alleen moet je de juiste sociale bescherming voorzien.’ Die “bescherming” blijkt vervolgens neer te komen op hulp om je individueel aan te passen aan de economische ontwikkelingen: ‘De staat moet meer investeren in omscholing van arbeiders zodat ze competitief worden in de arbeidsmarkt die door de hedendaagse technologie gecreëerd wordt.’

Fukuyama erkent dat het invoeren van neoliberale open grenzen, gecombineerd met nationale arbeidsmarkten, in Europa leidt tot het ondergraven van de nationale welvaartstaten, omdat sociale bescherming in die context een concurrentieel nadeel wordt. “Het Schengensysteem met zijn vrije mobiliteit voor arbeiders zorgt voor ontvolking in het oosten, sommige landen zagen 20 procent van hun bevolking vertrekken, en voor een populistische terugslag in West-Europa. Een hervorming daarvan mag geen nieuwe beperkingen inhouden voor mensen om zich vrij van het ene naar het andere land te bewegen, maar moet een einde maken aan de stimulansen die nu zo ontwrichtend werken.” Hoe dat moet en wat het concreet inhoudt, verduidelijkt hij niet.

De therapeutische natie

De focus van Fukuyama ligt niet bij de economische logica en de sociale gevolgen, al raakt hij die dus wel aan. De focus ligt op ‘identiteitspolitiek’: de politiek die niet vertrekt vanuit individuele maar van collectieve identiteiten. De auteur richt zijn aandacht op de ontwikkeling van de jongste jaren, waarin groepen en gemeenschappen focussen op discriminatie en onrecht die ze ervaren gebaseerd op specifieke kenmerken zoals afkomst, gender of seksuele oriëntatie. Die gemeenschapsidentiteiten moeten bestreden worden, vindt Fukuyama, want ze zijn een ontsporing van wat hij omschrijft als ‘therapeutische politiek’.

Het pleidooi voor een sterke nationale identiteit geeft geen ruimte aan antikoloniale nationale identiteiten

Hij maakt daarbij een interessante verwijzing naar The Culture of Narcissism. American Life in an Age of Diminishing Expectations, een boek uit 1978 van Christopher Lasch die ‘argumenteerde dat narcisme als sociaal verschijnsel in een Amerikaanse context niet tot fascisme zou leiden, maar tot een algemene depolitisering van de samenleving, waarbij de strijd voor sociale rechtvaardigheid werd gereduceerd tot persoonlijke psychologische problemen.’ Fukuyama heeft duidelijk geen waardering voor een publieke sfeer die de persoonlijke kwetsuur ernstig neemt. ‘Terwijl therapie een substituut voor godsdienst werd, werd de godsdienst zelf steeds therapeutischer’, is dan ook een citaat uit zijn boek.

De definitie van ‘identiteitspolitiek’ en de framing die Fukuyama hanteert laat geen ruimte voor de eventuele emancipatorische dynamiek die ‘identitaire strijd’ brengt. De klemtoon ligt op de verdeeldheid, niet op de assertiviteit en de ervaring van burgerschap die ermee gepaard gaat. Het is dan ook geen toeval dat zelfs in zijn pleidooi voor een sterke nationale identiteit er nauwelijks één bladzijde beschikbaar is om het over de opbouw van antikoloniale nationale identiteiten te hebben, ook al speelden die een cruciale rol in de emancipatiestrijd van naties en volkeren in de global south, zowel in Latijns-Amerika als in Azië en Afrika.

Geen gemeenschap maar een natie

Fukuyama beseft dat het klassieke liberale antwoord, waarin de gemeenschap verdwijnt en het individu centraal staat, niet volstaat om de menselijke vraag naar waardigheid te voldoen. Daarom komt hij uit bij een abstracte – en te construeren – nationale identiteit en cultuur als buffer tegen ontsporend populisme en islamisme.

Die nationale identiteit die enerzijds in plaats  van opgeknipte gemeenschapsidentiteiten moet komen en anderzijds de opstoot van populistisch nationalisme en gepolitiseerde religie moet afremmen, omschrijft Fukuyama als een ‘credale’ nationale identiteit: “Een nationale identiteit die zich niet baseert op etniciteit of taal maar op gedeelde overtuigingen.” Die identiteit moet aan de natie gekoppeld zijn, zegt hij. “Want democratie gaat over een staat die mensen en samenlevingen beschermt, wetten formuleert en afdwingt. De democratie en haar instellingen zijn wezenlijk nationaal, en een nationale identiteit moet ervoor zorgen dat mensen overtuigd zijn van de legitimiteit van hun instellingen, anders zullen ze niet bereid zijn beslissingen te aanvaarden waarmee ze het eigenlijk oneens zijn.”

Dat bijvoorbeeld België nooit zo’n sterke, nationale identiteit gehad heeft, erkent hij, maar dat weerlegt zijn stelling niet: “Als een land kan vermijden België te zijn, graag. Het ontbreken van één nationaal verhaal zorgt voor veel problemen.” Erbij verwijzend naar de verdeelde Belgische natie die het niet lukte om gesignaleerde terroristen op te volgen. Een flauw argument, want dat geldt ook voor Frankrijk, terwijl hij de Franse, republikeinse identiteit prijst als een van de beste voorbeelden van een sterke identiteit, ‘zeker verkiesbaar boven de Duitse, die nog steeds sterk etnisch gelinkt is’.

Dus wie migreert, moet zijn culturele bagage achterlaten en zich aanpassen?

Op de feitelijke vaststelling dat die sterke, Franse identiteit toch geen goed medicijn is tegen de opkomst van populisme, reageert Fukuyama opnieuw met de redenering die in zijn boek centraal staat: “Dat is waar, maar ik denk dat het komt omdat een deel van de linkerzijde dat republikeinse ideaal niet langer verdedigd heeft vanuit een verkeerd begrepen multiculturalisme. Met als gevolg dat de ruimte open lag voor het Front National om joden te verdedigen tegen opkomend antisemitisme en LHBTI+’s tegen nieuwe vooroordelen.”

Kort door de bocht samengevat: dus wie migreert, moet zijn of haar culturele bagage achterlaten aan de grens en zich conformeren aan de bestaande ‘normen en waarden’ in het land van aankomst?’ Fukuyama reageert onbewogen: “Dat klopt.”

Maar hij voelt toch de behoefte om een en ander te kaderen: “Zo lang die waarden democratisch en ‘liberaal’ zijn, zie ik geen enkel probleem om ze op te leggen. Het is een fout idee van multiculturalisme om democratie te bekijken als een van vele mogelijke culturen, en te geloven dat andere opties moreel evenwaardig zijn. Democratie moet verdedigd worden door vast te houden aan het beginsel dat rechten aan individuen toebehoren, niet aan gemeenschappen. Als er bijvoorbeeld een moslimgemeenschap is die vindt dat meisjes uitgehuwelijkt moeten worden, dan is het de plicht van een democratie om dat te beletten en het recht van elke vrouw om haar eigen partner te kiezen te garanderen.”

Daarmee doet Fukuyama wat vaak gebeurt in debatten over identiteit en politiek: men formuleert zelf een samenvatting van de ‘multiculturele’ of ‘identitaire’ positie die meestal maar een vluchtige gelijkenis vertoont met de werkelijke posities die in progressieve kringen of door vrouwenbewegingen of dekoloniseringsgroepen ingenomen worden. Die stropop wordt vervolgens in brand gestoken met argumenten die door niemand betwist worden. Altijd gewonnen.

Uit overtuiging

Dat betekent niet dat zijn idee van een gedeelde identiteit gebaseerd op fundamentele overtuigingen in plaats van op onveranderlijke kenmerken, etniciteit of religie, onzinnig is. Fukuyama denkt dat als mensen zich identificeren met de grondwet, de rechtsstaat, de fundamentele gelijkheid van alle burgers, met principes die door iedereen aanvaard kunnen worden, waar je ook vandaan komt, niet alleen de woede verdreven wordt, maar ook de democratie versterkt wordt.

Alleen volstaat het niet om het met die principes intellectueel eens te zijn, vindt hij. Er moet tegelijk een emotionele overtuiging mee gemoeid zijn, een affectieve band. “Het terrein van een gedeelde en verbindende cultuur, leiderschap, onderwijs.” Daarmee begeeft Fukuyama zich ook meteen op glad ijs, want het is één ding om wetten te respecteren; het is iets anders om te verwachten dat burgers ook een cultuur delen, en al helemaal om die culturele instemming op te leggen als voorwaarde voor burgerschap in een liberale democratie.

Fukuyama heeft duidelijk naar de film Invictus gekeken, want dat is voor hem het voorbeeld van hoe je binnen een hedendaagse, diverse natie aan culturele Bildung doet: de pas verkozen president Nelson Mandela gaat supporteren voor de Springboks, het Zuid-Afrikaanse rugbyteam dat decennialang een bolwerk van Afrikaner nationalisme en dus Apartheid geweest was. Zodra een leider de zaak opneemt, gaat het balletje rollen, zegt Fukuyama. “Vervolgens moet het onderwijs ermee aan de slag. Dat kan als identiteit niet etnisch gedefinieerd wordt.”

Elk voorbeeld heeft zijn beperkingen, maar de vergelijking tussen Zuid-Afrika in 1994 en de Europese samenlevingen in 2019 vraagt wel erg veel elastiek in de politieke verbeelding. In het boek onderstreept Fukuyama de gevaren van een zwakke nationale identiteit met verwijzingen naar Syrië en Afghanistan. Ook daar gaat hij uit van een totaal gebrek aan historische kennis en geopolitieke inzicht bij de lezer. De Amerikaanse inval in Irak blijft onvermeld, maar de communautaire tegenstellingen verklaren alles. Het is symptomatisch: Fukuyama legt zijn academische vinger op een zere wonde van de hedendaagse politiek, maar van een politicoloog verwacht je een betere diagnose.

Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek van Francis Fukuyama is verschenen bij Atlas Contact.

Dit artikel verscheen eerder op MO*.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
gie goris

Gie Goris

Hoofdredacteur MO*

Gie Goris is sinds december 1990 voltijds actief in de mondiale journalistiek, eerst als hoofdredacteur van Wereldwijd (1990-2002), daarna …
Profielpagina