Ontwikkelingswerker en journalist in één: kan dat?

In landen zonder journalistieke traditie – denk Zuid-Soedan – tref je ontwikkelingsorganisaties die zich niet bezighouden met het voeden van kinderen of bestrijden van malaria, maar met het opzetten van staatsonafhankelijke media. Gaat dat samen, ontwikkelingswerk en onafhankelijke journalistiek?

Dit artikel krijg je cadeau van OneWorld. Word abonnee
De Correspondent berichtte onlangs over bemoeienis van de ngo Free Press met de redactionele inhoud van Radio Tamazuj in Zuid-Soedan. OneWorld’s Arne Doornebal schetst uit eigen ervaring de door gevaren en valkuilen getekende journalistieke praktijk in een land zonder respect voor journalistieke vrijheid, en mensenrechten überhaupt.
Bij de New Nation, de krant die in 2010 in een hoopvol pre-onafhankelijk Zuid-Soedan het leven zag en vijf jaar later in een onafhankelijk, maar door oorlog verscheurd Zuid-Soedan ophield te bestaan, begon de maandag altijd met een redactievergadering. Die duurde meestal zo’n drie uur, en alle nieuwsonderwerpen werden gedetailleerd doorgenomen.

Veediefstallen kwamen steevast ter sprake, waarin de feiten in Zuid-Soedanese volgorde van belang op tafel kwamen. Hoeveel koeien gestolen? En hoeveel vrouwen ontvoerd? Nog kinderen ook? Andere verhalen gingen over belastingen, Juba’s strijd tegen illegale bordelen, de staatsbegroting, tribale conflicten en de lokale voetbalcompetitie. Ook de legendarische coach Zoran (zie: Zoran and his Afican tigers) ontbrak zelden in de kolommen.

Ook was er altijd ruim aandacht voor landbouw, vol met praktische tips over hoe je bepaalde gewassen het best kon telen. Dit was de ontwikkelingsgedachte achter de New Nation, dat dankzij een ruime donatie van de  Belgische regering vijf jaar kon draaien: informatie en educatie. De helft van de oplage werd gratis verspreid op scholen die er hun Engelse lessen mee vulden. Na vijf jaar zou de krant verkocht worden aan een commercieel bedrijf, en zou het geen hulpproject meer zijn maar een bedrijf. Een Belgische TV-ploeg kwam een reportage maken en besloot met de zin: Zuid-Soedan heeft nog bijna niets, maar het heeft tenminste wèl een krant. Hoofdredacteur Els de Temmerman – voormalig Afrika verslaggeefster voor het Belgische TV nieuws en De Volkskrant – had er een pareltje van gemaakt. Verhalen werden diverse keren geredigeerd, totdat er geen komma meer verkeerd stond.

Flirten met de dood

Maar de journalistiek in Zuid-Soedan kende zijn beperkingen. Het land, pas sinds 2011 onafhankelijk, was nog tot de tanden gewapend en kende licht ontvlambare bewoners. Bij een klein verkeersongeval werd al snel een pistool getrokken. In het parlement gold een verbod op het meenemen van vuurwapens, wat in de begintijd vaker niet dan wel gerespecteerd werd. De meeste parlementsleden waren immers voormalig rebellen, niet zelden met maar weinig opleiding.
Het kantoor van de New Nation stond net buiten Juba, je moest enkele kilometers door schaars bebouwd gebied om er te komen. Verslaggevers gebruikten motorfietsen voor hun werk. Tijdens de lunch, die we meestal nuttigden buiten het kantoor onder het dak van een tukul (zie foto), hoorde ik verhalen over politici die een handwapen in een bureaula bewaarden, en dat terloops even aan de journalist lieten zien. Een andere, zeer hooggeplaatste, politicus werd er op zeker moment van beschuldigd zijn tegenstanders in een kelder van zijn huis op te sluiten. ‘Goed verhaal’, zei ik nog. ‘Kan je dat niet eens gaan na vragen?’ Niemand wilde. Dagelijks werden grote risico’s genomen, maar een verhaal schrijven wat je dood kon betekenen, daarvoor schrokken de collega’s terug. Terecht.

Tegen het eind van 2013, toen de politieke tweestrijd zich voltrok die in december van dat jaar tot een scheuring binnen het leger en een burgeroorlog leidde, werd de situatie grimmiger. De bewaker moest ’s nachts schoten lossen om inbrekers buiten te houden. Dronken soldaten hielden eens mijn auto onder schot toen ik ’s avonds laat terug reed naar het kantoor, waar de buitenlandse staf ook verbleef. Nadat we een kritisch verhaal over de regering op de voorpagina plaatsten, werd een van de verkopers in een districtshoofdstad doodgeschoten. Of er een link was met het artikel, is nooit bewezen.

Zuid-Soedan arresteerde geregeld journalisten, maar mijn collega’s ontkwamen daar gelukkig meestal aan. Of ze kwamen snel weer vrij. Toen op 15 december 2013 de oorlog uitbrak, zat een aantal medewerkers een aantal dagen te schuilen op het kantoor van de New Nation, terwijl de mortieren over vlogen. Zelf had ik geluk: omdat net de laatste krant van het jaar was uitgekomen, was ik al aan mijn vakantie begonnen.

Door de oorlog werd de New Nation een aantal maanden ‘on hold’ gezet, er was geen mogelijkheid om verslag te doen, naar de drukker (in buurland Oeganda) te gaan of de krant door het hele land te distribueren. Later werd de krant nog enige tijd voort gezet, zonder mij, totdat in 2015 de vijf-jarige subsidie op was, en niemand een krant in een land in oorlog wilde overnemen. Vlak na het einde van de New Nation werd Peter Moi, een van de talentvolste verslaggevers, onder onopgehelderde omstandigheden doodgeschoten. Saillant detail: een paar dagen eerder bedreigde president Salva Kiir journalisten nog met de dood.

De voor- en nadelen van ‘NGO-pers’

De New Nation was dus officieel een Non-Governmental Organisation (NGO), een hulporganisatie. Dankzij de steun uit België hadden we gegarandeerd inkomen voor vijf jaar, of er nu weinig of veel advertenties verkocht werden. Dit was een doorn in het oog van de paar dappere Zuid-Soedenese journalisten die hun eigen krantje drukten, op een afgeragde zwart-wit drukpers waar een uitgelopen product uit kwam. Wij drukten in de Oegandese staatsdrukkerij, op prachtig gekleurd papier. Over land (14 uur rijden) kwam het dan naar Juba toe. In de kiosken beconcurreerden wij de lokale journalistiek – en dat gebeurde ook op salarisgebied. Iedereen wilde wel voor de New Nation werken, want we konden simpelweg meer betalen.

Onafhankelijkheid is je grootste goed als krant. Wie betaalt, bepaalt immers. Ook in Nederland willen adverteerders – vooral als ze heel groot zijn – nog weleens pogen berichtgeving een bepaalde kant op te duwen. Door financieel onafhankelijk te blijven van adverteerders kon de New Nation behoorlijk vrij haar zakelijke verslaggeving doen. Ook was ze niet financieel afhankelijk van de Zuid-Soedanese overheid. Diezelfde overheid probeerde wel de duimschroeven van de media aan te halen. Enerzijds door allerlei belastingen (we betaalden een licentie aan het land, aan de deelstaat, en zelfs aan de gemeentelijke autoriteiten van Juba) maar anderzijds door met allerlei mediawetgeving te komen en nu en dan de media de les te lezen over ‘goede’ en ‘slechte’ journalistiek.

Opeens kwam eind 2013 het decreet dat alleen nog mensen met een opleiding die hoog genoeg was, het vak uit mochten oefenen. Wetende dat de meeste journalisten, wegens decennia van oorlog, nooit verder zijn gekomen dan een paar jaar middelbare school is dat een effectieve manier om al actieve journalisten te dwarsbomen.  De meeste media legden dit gebod dan ook naast zich neer. De enige die zich in theorie met de inhoud had kunnen bemoeien, waren de Belgische geldschieters, maar ik kan me niet herinneren dat ik van hen ooit iets over te volgen redactioneel beleid gehoord heb, anders dan het ‘opbouwende element’ in berichtgeving. Tegenwoordig met een mooi woord constructieve journalistiek genoemd, ook bij OneWorld nogal in zwang.

Na de New Nation

Journalistieke vaardigheden bijbrengen en verbeteren van de schrijfstijl. Eindredactie doen over artikelen. Het kantoor draaiende houden. Het waren de belangrijkste doelen van mijn aanwezigheid bij de New Nation, deels vanuit Kampala en deels ter plekke in Juba. Geregeld stond ik ’s avonds laat de generator bij te vullen, of een monteur op te halen als het kreng weer eens stuk was, dat soort praktische zaken.

De grote vraag* is of het nu zo slecht is om ‘NGO-media’ in een land te hebben. Mij lijkt van niet. Jarenlang hebben we duizenden lezers geïnformeerd over de belangrijke zaken in hun land. Hen voorzien van allerlei nuttige informatie en achtergronden over landbouw, politiek en de wereld buiten Zuid-Soedan. En tevens natuurlijk vermaakt, met de laatste nieuwtjes over Atla Bara FC of de wulpse zangeres Mary Boyoi.

Als er geen oorlog was uitgebroken had de New Nation een goede kans gehad om voort te blijven bestaan, op commerciële basis. Wellicht waren dan de inkomensverschillen met de andere media in het land ook minder groot geworden, en was er een wat gelijker speelveld gekomen.

Dronkenlap schopte het tot in de VS

En de voormalige collega’s van de New Nation? Fotograaf Jok Solomon werkt nu voor Reuters, en was onlangs nog op pad met OneWorld’s Hans Ariens. Een aantal van hen werkt nu in communicatiefuncties bij internationale NGO’s. De man die ik persoonlijk liet ontslaan wegens dronkenschap op kantoor (de eerste paar keer kon ik er nog om lachen, later werd het een structureel probleem) verblijft nu in Amerika, zie ik op Facebook.  Een ander verging het minder goed: hij werd door Els de Temmerman aangetroffen in een vluchtelingenkamp in Oeganda. En Peter Moi? Ik hoop dat hij in vrede rust.

 

* In een artikel op de Correspondent werd onlangs minutieus verslag gedaan van een ruzie tussen de (eind)redactie van Radio Tamazuj, werkzaam in de Sudan’s, en haar oprichter/geldschieter, het Nederlandse Free Press Unlimited. De redactie had iets geschreven wat de directie niet goed uit kwam, zakelijk gezien. Waarop de directie hard ingreep. Het artikel, dat vraagtekens stelt bij de door goede doelen opgezette media,’ deed me terugdenken aan mijn eigen tijd in Zuid-Soedan.  

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust met OneWorld en draag bij aan een rechtvaardige wereld.

Dat kan al vanaf 6 euro per maand

Ontvang onze beste verhalen in je mailbox

Volg ons