Hoe word ik een goede bondgenoot?

Hoe bestrijd je onrecht dat jou niet persoonlijk treft? Sander Philipse – wit, man en hetero – besloot zich te gaan uitspreken tegen racisme en seksisme. Maar hoe doe je dat? De belangrijkste les: het draait niet om jou.

Dit artikel krijg je cadeau van OneWorld. Word abonnee
Ik ben een nogal witte heteroman. Opgegroeid in Brabant, in een wit, middenklasse-D66-gezin in een wit dorp. Mijn scholen waren ontzettend wit en werden gedomineerd door hetero’s die ook nog cisgender waren (met andere woorden: ze identificeerden zich met het geslacht dat op hun geboortekaartje stond). Ik kan me twee moslims op toch wel honderden leerlingen herinneren.

Aan de Technische Universiteit studeerde ik met bijna uitsluitend witte mannen – en twee vrouwen. Nu neigde ik zelf altijd wel naar ietwat progressieve denkbeelden: ik vond dat er gelijke rechten voor iedereen moeten zijn, dat een sterk sociaal vangnet nodig is, dat niemand arm zou moeten zijn, dat soort zaken. Maar ik had ondertussen net zo goed de overtuiging dat racisme geen echt probleem was in Nederland. Ook was ik van mening dat seksisme voornamelijk onder conservatieve religieuzen voorkwam, en dat politiek vooral over economie en klasse zouden moeten gaan.

Dat is niet bepaald de achtergrond van iemand die zich nu elke dag online uitspreekt tegen racisme, seksisme en andere vormen van onderdrukking. En toch ben ik die persoon geworden, die soms wordt omschreven als ‘bondgenoot’: iemand die onrecht aankaart dat niet hemzelf, maar anderen raakt. Vaak krijg ik de vraag hoe het kan dat ik vanuit een positie van wit privilege bij antiracisme ben aanbeland, en hoe ik mijn rol als bondgenoot invul.

Opeens zag ik de echte impact van die studiegenoot die een vrouw op haar kont sloeg

Voor mij lag het omslagpunt ergens begin jaren 10. Ik zat toen voor mijn werk als sportjournalist veel op Twitter en kwam in aanraking met zwarte en feministische denkers uit de Verenigde Staten. Vooral hun alledaagse, persoonlijke ervaringen met seksueel geweld en seksisme raakten me. Ik las opeens wat de werkelijke impact was van die keer dat een studiegenoot een vrouw op haar kont sloeg, iets waar ik destijds amper bij stil had gestaan. Of hoe het voor een zwart persoon is om elke dag racistische grapjes te horen en ook nog de verwachting te voelen dat je zou moeten meelachen. Het waren perspectieven die ik daarvoor amper was tegengekomen. Of beter: waar ik niet naar had geluisterd.

Vrouwen als Feminista Jones (pseudoniem van Michelle Taylor), Flavia Dzodan, Moya Bailey en Trudy van de blog Gradient Lair (haar achternaam geeft ze nooit prijs) schreven niet alleen over hun levenservaring als vrouwen van kleur. Ze deelden ook theorieën rond racisme en seksisme die mij handvatten gaven om die persoonlijke verhalen in grotere, systematischere structuren te zien. Zo vonden Bailey en Trudy de term ‘misogynoir’ uit, die gebruikt wordt om de specifieke mix van seksisme en racisme die zwarte vrouwen tegenkomen te duiden.

Klik-moment

Dat ik deze ervaringen eerst via Amerikaanse media leerde kennen, maakte het misschien makkelijker te accepteren: er zat nog afstand tussen het probleem en mijn wereld. Maar het zorgde wel voor een klik-moment: als je eenmaal begrijpt hoe seksisme en racisme werken, kun je het nooit meer níét zien. Als je hetzelfde in Nederland ziet, kun je er niet omheen. Ik begon te zien dat ik vaak precies datgene deed waar de mensen waarvan ik nu veel leerde zich aan stoorden: door vrouwen heen praten, racisme niet serieus nemen of gesloten witte-mannen-kliekjes vormen. Het werd mij duidelijk hoe kleine dingen systematische problemen kunnen zijn. En hoe omvangrijk en structureel racisme is.

Als je eenmaal begrijpt hoe seksisme en racisme werken, kun je het nooit meer níét zien

Dus toen kunstenaar Quinsy Gario rond die tijd twee jaar achter elkaar werd opgepakt voor zijn protesten tegen Zwarte Piet, was het voor mij glashelder dat hij onrechtvaardig behandeld werd. De emotionele reacties op zijn pleidooi maakten duidelijk dat Nederland nog een lange weg te gaan had in het debat rond racisme. Vervolgens kwam ik erachter dat al die analyses die ik over de VS had gelezen, al lang werden toegepast in en aangepast aan Nederland door wetenschappers als Philomena Essed en Gloria Wekker, of activisten als Simone Zeefuik. Zoals dat Zwarte Piet blackface is – een karikatuur van zwarte mensen – en dat die term dehumaniserend werkt. Dat was geen recent ontstaan besef, maar al tientallen jaren een Nederlandse analyse.

Ik probeerde mijn nieuwe inzichten met mijn witte, mannelijke vrienden te bespreken, maar die vonden het voornamelijk gezeik. Hoezo is Zwarte Piet racisme? Hoezo is het een probleem als je constant begint over welke vrouw ‘lekker’ is? Sommige vrienden ben ik door de talloze discussies kwijtgeraakt. Anderen heb ik een beetje overtuigd. De rest zie ik nog wel, ook al zijn we het grondig oneens.

Het hielp dat één vriend mij wel serieus nam en met eenzelfde proces bezig was. Wij kwamen tot de conclusie dat we onderdeel waren van een probleem én dat we dat wilden veranderen. We begonnen elkaar aan te spreken op seksistische of racistische taal, stuurden elkaar links toe naar interessante artikelen en discussieerden veel.

Niets zo vervelend als iemand die denkt heel behulpzaam te zijn, maar eigenlijk vooral in de weg zit

In ons ‘radicaliseringsproces’ probeerden we vooral solidair te zijn met mensen in verdrukking. Dat is wat anders dan een bondgenoot zijn. Een bondgenoot is een identiteit, solidair zijn met mensen is een actie. Mia McKenzie van de website en het boek Black Girl Dangerous – over de relatie tussen ras, klasse en gender – opperde in 2013 al dat je beter van ‘currently operating in solidarity with’ (‘momenteel opererend in solidariteit met’) dan van ‘bondgenoot’ kunt spreken. Bondgenoten kunnen soms moeilijk accepteren dat ze iets verkeerd doen: ze zijn toch bondgenoot, wat zeuren mensen nou? Ik laat dan ook liever aan de mensen met wie ik solidair ben over of ik wel of geen bondgenoot ben. En ik hoop dat ze mij in positieve en negatieve zin ter verantwoording roepen. Niets zo vervelend als iemand die denkt heel behulpzaam te zijn, maar eigenlijk vooral in de weg zit.

Helper whitey

Welke positie neem je in als bondgenoot of solidair opererend persoon? Essentieel is in elk geval dat je jezelf tot op zekere hoogte kunt wegcijferen. Tien jaar geleden had de satirische tv-serie Better Off Ted daar een vooruitziende aflevering over. De multinational waarvoor de hoofdpersoon werkte, had het hele gebouw voorzien van bewegingssensoren die alle apparaten automatiseerden, behalve dat de sensoren zwarte medewerkers niet konden zien. Gelukkig was er een oplossing: de multinational huurde een wit persoon in voor iedere zwarte medewerker, die alle apparaten voor hen bediende.

Helper whiteys: witte mensen die zorgen dat systemen of mensen die niet naar zwarte mensen luisteren, dat toch doen

Eigenlijk waren dit een soort bondgenoten (maar dan betaald). Een soort helper whiteys: witte mensen die ervoor zorgen dat systemen of mensen die niet naar zwarte mensen luisteren, dat toch doen. De zwarte komiek Jessica Williams introduceerde die term in een sketch uit 2015; daarin huurde ze een helper whitey in om witte vrouwen te vertellen dat ze van haar kapsel af moesten blijven en om witte politieagenten te vertellen dat ze niet gevaarlijk was. De kern van zowel de Better Off Ted-aflevering als de sketch van Williams is dat er niet naar zwarte mensen wordt geluisterd, maar wel naar witte mensen – en dat witte mensen daarom niet alleen kunnen helpen, maar misschien soms zelfs nodig zijn om de boodschap en acties van zwarte mensen te versterken (wrang, maar het is de huidige realiteit).

Dat probeer ik dan ook te doen: mijn privilege en kennis inzetten om te zorgen dat er naar andere mensen met een minder bevoorrechte positie wordt geluisterd. Ik probeer via Twitter, in artikelen en in het dagelijks leven concepten en termen toe te lichten en een antiracistisch verhaal te verdedigen. Om uit te leggen – voor de zoveelste keer – dat Gloria Wekker heus niet schrijft dat witte mensen een erfzonde hebben, of dat antiracisten echt niet vinden dat witte mensen minderwaardig zijn.

Ik zet mijn privilege in zodat er naar anderen met een minder bevoorrechte positie wordt geluisterd

Helper whitey is complimenteus bedoeld. Maar toen beleidsmedewerker en podcastmaker Mariam El Maslouhi de term in Nederland introduceerde, in een interview in NRC Handelsblad samen met drie andere vrouwen van kleur, waaronder Seada Nourhussen, gebeurde er iets heel typisch: de Nederlandse intellectuele wereld reageerde beledigd. NRC-journalist Wilfred Takken beschreef een helper whitey als ‘een witte goeddoener die zich met een zaak bemoeit die hem niet aangaat’. Joop de Vries van De Groene Amsterdammer vond de term ‘spot die zich op de witte man richt’. Socioloog Jolande Withuis noemde het in een opiniestuk in NRC zelfs ‘een door en door racistisch woord dat geen mens in de mond zou moeten nemen’.

Dit is een bizarre interpretatie van de term. Naar de vrouwen van kleur die ’m introduceerden werd amper geluisterd, maar een witte, hoogopgeleide man als ik wordt eerder geloofd en serieuzer benaderd als ik inhoudelijk iets probeer uit te leggen. Zeker door journalisten, die wel eens aan mij vragen iets op het gebied van racisme uit te leggen. Ik heb nooit een doodsbedreiging ontvangen na een kritische tweet of artikel, noch ben ik seksueel lastiggevallen naar aanleiding van mijn meningen, terwijl dat voor veel uitgesproken vrouwen van kleur aan de orde van de dag is.

Omdat ik een goed betaalde baan heb in de IT, hoef ik me ook geen zorgen te maken over de consequenties voor mijn professionele leven: die zijn er eigenlijk niet. Toen de kritische, Amerikaanse publicist Sarah Kendzior in debatcentrum De Balie zou spreken, werd mij door activisten gevraagd om haar op Twitter uit te leggen dat De Balie racistische sprekers een podium had gegeven en recentelijk zelfs een debat had georganiseerd waarin etnische zuivering van moslims werd besproken. Dat leverde me veel tegenwind op Twitter op, maar had geen professionele of persoonlijke gevolgen.

Racistische grappen

Ook in mijn werk- en privéleven probeer ik racistisch, seksistisch en homofoob gedachtegoed tegen te spreken. Zo kan ik gelijk een bepaalde witte solidariteit doorbreken: vaak durven mensen dat soort grappen of opmerkingen bij mij in de buurt te maken omdat ze verwachten dat ik het, als witte man, met ze eens ben.

Zoals de collega die aannam dat ik Sylvana Simons vervelend vond, want ja, dat is toch logisch? Of de witte collega die niet inziet waarom hij het n-woord niet zou mogen gebruiken: dan leg ik uit dat het beledigend is en connotaties met slavernij heeft, dat het door witte mensen dehumaniserend en denigrerend gebruikt is. Dat leidt vaak tot ruzie, maar dat heeft nooit mijn beoordelingen of werk beïnvloed. De gevolgen blijven beperkt tot chagrijnige blikken en een tijdelijke, ongemakkelijke sfeer. Voor de duidelijkheid: dat is een privilege dat niet iedereen heeft.

Ook al zijn witte mensen het vaak niet met mij eens, ze houden over het algemeen wel rekening met mijn standpunten. Het n-woord hoor ik na zo’n ruzie zelden meer. Ik hoop dan ook dat mensen die door dergelijke opmerkingen geraakt worden, zich er zelf minder tegen hoeven uit te spreken. Dat ik ze de emotionele en intellectuele arbeid uit handen neem. En op termijn worden mensen in elk geval bekend met argumenten over en visies op racisme die ze anders niet of alleen karikaturaal hadden gekend – zo heb ik vrienden die het nooit met mij eens zijn, maar wel vertellen dat ze mijn argumenten gebruiken in discussies.

Over je ego heenstappen

Het gevaar: dat ik voor anderen spreek en iets beweer waar ze het niet mee eens zijn

Het gevaar van dit alles is wel dat ik gemarginaliseerde mensen naar de zijlijn druk, of dat ik voor hen spreek terwijl ik dingen beweer waar ze het niet mee eens zijn. Daarom probeer ik zo veel mogelijk te verwijzen naar boeken, blogs, tweets en uitspraken van gemarginaliseerde mensen zelf, om hun geluid te versterken, en niet het mijne te laten domineren. Waar het soms misgaat, is als mensen zichzelf antiracistisch vinden maar tegelijkertijd graag hun stempel ergens op willen drukken. Of verwachten dat anderen hen dankbaar zijn. Zodra het eigenlijk om jouw stem en doelen draait, wordt het moeilijk om kritiek te accepteren als je de plank eens misslaat.

Want ik ben best wel eens de mist in gegaan, en daarop gewezen. Toen ik bijvoorbeeld online bezwaar maakte tegen een artikel dat bokser Badr Hari neerzette als een ‘bad guy’ in een wedstrijd, en een zwarte vrouw me erop wees dat ik iemand verdedigde die van huiselijk geweld is beschuldigd. Of toen iemand zei dat ik vooral vrouwen aansprak op racisme op Twitter. Kritiek is niet fijn, je moet over je ego heenstappen, maar uiteindelijk dwingt het me na te denken, iets te leren, en mezelf mogelijk te corrigeren.

Voor mij is die kritiek een teken van respect en erkenning. Ik heb dat liever dan de kritiekloze dankbaarheid waar sommige zelfverklaarde bondgenoten op lijken te hopen. Mensen die buddy-buddy zijn met antiracisten, totdat ze zelf een keer kritiek krijgen op een onderdrukkende opmerking, en dan lijken te denken ‘zo hoeft het niet, hoor’. Bij de boekpresentatie van Anousha Nzume’s Hallo Witte Mensen was er bijvoorbeeld een witte man die het vooral wilde hebben over waarom antiracisme moeilijk is voor witte mensen, dat hij zich buitengesloten voelde door termen als ‘wit privilege’ en er daardoor geen zin meer in had. Dat is dus ook een privilege: dat je elk moment op kunt houden om aandacht te besteden aan racisme.

Overstem de mensen die je probeert te helpen niet en bepaal ook niet wat goed voor hen is

Uiteindelijk probeer ik mensen waarmee ik solidair ben te helpen om hun doelen te bereiken, op manieren die voor mij makkelijker zijn dan voor hen. Wat dat inhoudt zal voor ieder- een verschillen – voor sommigen betekent het dat je naar demonstraties gaat en zwarte mensen tegen politiegeweld probeert te beschermen, voor anderen dat je ze helpt met zichzelf organiseren of dat je geld doneert aan projecten door en voor gemarginaliseerde mensen, zoals de Marokkaanse Vrouwen Vereniging Nederland. Het belangrijkste: wat je ook doet als helper whitey, overstem de mensen die je probeert te helpen niet en bepaal ook niet wat goed voor hen is.

Mooie momenten

Waarom ik niet gewoon in alle rust geniet van mijn privilege? En in plaats daarvan mijn tijd besteed aan het bestrijden van onderdrukking? Nou, ik heb er ook wat aan: ik vind het interessant hierover te leren, ik begrijp beter hoe de samenleving in elkaar steekt en ik zie hoe seksisme en racisme ook mij beperkingen opleggen. Zo wordt er van mij verwacht dat ik hetero ben, dat ik het oké vind om over vrouwen als lustobjecten te praten en dat ik antiracisme gezeik vind. Het wit-gedomineerde, imperialistische, kapitalistische patriarchaat schrijft iederéén voor hoe zich te gedragen, om te spreken met de feministische hoogleraar bell hooks (expres zonder hoofdletters omdat ze niet zichzelf maar haar boodschap wil benadrukken).

Uiteraard is het prettig als jouw hulp gewaardeerd wordt. De mooiste momenten zijn als iemand het jou toevertrouwt om te helpen: dan voel ik erkenning en vertrouwen. Zoals toen Anousha Nzume mij voor haar boek Hallo Witte Mensen vroeg om een citaat over de geschiedenis van racisme. Ook heeft antiracisme mij nieuwe vrienden en warme ontmoetingen opgeleverd.

Als bondgenoot moet je accepteren dat je vooral steunt, en dat jouw activisme niet om jezelf draait

Maar daar doe ik het niet voor. Het zou bizar zijn als mijn bondgenootschap om mijn persoon draaide. Het gaat uiteindelijk om de mensen die direct geraakt worden door onrecht. Om hun leven en doelen, niet de mijne.

Er is nog een heel belangrijke kanttekening: dat zwarte mensen of witte vrouwen of andere gemarginaliseerde groepen mij als bondgenoot zien, wil niet zeggen dat ik daarmee ook onderdeel ben van hun gemeenschap. Er zijn evenementen waar ik niet bij hoor te zijn – wat heb ik te zoeken bij een bijeenkomst voor zwarte vrouwen die hun ervaringen met elkaar bespreken? Je hoort nogal vaak van witte mensen dat ze zich ‘buitengesloten’ voelen in de strijd tegen racisme. Maar dat is ook een realiteit: ik ervaar geen anti-zwart-racisme en ook geen seksisme. Als bondgenoot moet je dus accepteren dat je vooral steunt, en dat jouw activisme niet om jezelf draait. En dat is juist mooi.

Dit artikel verscheen eerder in OneWorld magazine en online op 6 februari 2020.

Racisme op een Brabantse dag

'Seksisme en racisme zijn geen meningen'

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust met OneWorld en draag bij aan een rechtvaardige wereld.

Dat kan al vanaf 6 euro per maand

Ontvang onze beste verhalen in je mailbox

Volg ons