Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

“Wie niet werkte kreeg geen eten”, blikt de Surinaamse Omenga Abisoina (20) terug op haar jeugdjaren.

Doordeweeks ging ze naar school, op zaterdag en zondag hielp ze haar moeder op het land. Samen met haar broers en zusjes bracht de jonge Abisoina de oogst naar het dorp, een wandeling van bijna een uur die ze drie keer per dag maakte. “We droegen elk 25 kilo cassave op ons hoofd. Van zeven uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds waren we aan het sjouwen onder de felle zon. Het was zwaar”, vertelt Abisoina.

Werken op het land van haar moeder beschouwt Abisoina – ook achteraf – niet als kinderarbeid. “Het is normaal om je familie te helpen”, zegt ze vrolijk. Abisoina behoort tot de 18,3 procent kinderen uit het Zuid-Surinaamse district Brokopondo, die de middelbare school niet afmaakte.

Omenga Abisoina (in het wit) Beeld door: Zoë Deceuninck

Onderwijs in Suriname is verplicht voor alle kinderen tussen de zeven en twaalf jaar. De minimumleeftijd voor het verrichten van arbeid ligt op zestien jaar. Maar volgens de Multiple Indicator Cluster Survey uit 2010, een landelijk huishoudonderzoek uitgevoerd door een aantal Surinaamse instanties 1 met financiële steun van Unicef, werkt in Suriname een op de tien kinderen tussen de vijf en veertien jaar. Kinderen tussen de twaalf en achttien jaar die stoppen met school, doen dit voornamelijk vanwege gezinsarmoede of uit gebrek aan (goede) onderwijskansen in de omgeving.

Uit onderzoek van het Surinaamse Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO) en de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) 2dat werd verricht in Suriname, blijkt dat veel meer jongens dan meisjes werken, een deel van hen zelfs meer dan 48 uur per week.

De kinderen uit de noordelijke districten werken vooral als huishoudelijke hulp, in de groot- en detailhandel, restaurants en hotels, de agrarische sector, bosbouw, jacht en visserij en in de bouw. In het zuiden van Suriname werken de jongens vooral op de goudvelden, de meisjes in het huishouden.

Uitdaging voor Zuid-Amerika

De internationale politiek, met de Verenigde Naties aan kop, wil kinderarbeid voor 2025 wereldwijd uitbannen. Dit ligt ook besloten in de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Armoedebestrijding en laagdrempelige toegang tot onderwijs, voornamelijk in geïsoleerde gebieden, kan hierin het verschil maken.

In het binnenland van Suriname zijn wel lagere scholen, maar wie na zijn twaalfde verder wil studeren moet daarvoor naar hoofdstad Paramaribo. Een dure onderneming die niet ieder huishouden zich kan veroorloven. Voor kinderen die in afgelegen gebieden of in armoede leven is het daarom veelal normaal om te werken. Een vergelijkbare situatie is te vinden in andere Zuid-Amerikaanse landen: in de helft van die landen is kinderarbeid verworden tot de sociale norm. Dit blijkt uit cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) uit elk van de twaalf Zuid-Amerikaanse landen (met uitzondering van Frans-Guyana, dat nog steeds als overzees departement bij Frankrijk hoort). Vooral in de agrarische sector, tevens de enige sector waar kinderarbeid in alle landen voorkomt, worden kinderen op het veld ingezet als onderdeel van hun ontwikkeling.

Over Colombia bestaan verschillende schattingen. Overwegend wordt vermeld dat zo’n 10 procent van de kinderen onder de 16 jaar arbeid verricht. En volgens het Bureau of International Labour Affairs verricht in Peru zelfs ruim 20 procent van de minderjarigen de zwaarste vormen van kinderarbeid.

Kinderarbeid als sociale norm

Over de kinderen die in kledingfabrieken van Bangladesh werken, op vuilnisbelten van India of in legers van Congo, bestaat geen twijfel dat zij in levensgevaarlijke situaties arbeid verrichten. Hiervoor is geen definitie van kinderarbeid nodig. Maar in veel andere gevallen is het onderscheid tussen klaarstomen voor volwassenheid en uitbuiting van kinderen minder duidelijk, en daardoor ook moeilijker te handhaven.

In Guyana bijvoorbeeld wordt kinderarbeid volgens het ILO gezien als ‘karaktervorming dat van jongs af aan benadrukt moet worden’. In Bolivia is arbeid tussen de leeftijd van tien en twaalf jaar wettelijk toegestaan, op voorwaarde dat kinderen hun eigen baas zijn. De verdediging luidt dat ‘kinderen het recht hebben om te werken’.

Het onderscheid tussen klaarstomen voor volwassenheid en uitbuiting van kinderen is niet altijd duidelijk

Een ander voorbeeld van een sociaal geaccepteerde vorm van kinderarbeid is de criadazgo 3 in Paraguay, die afstamt van het koloniale verleden en waarbinnen volgens internationale nieuwsdienst IPS zo’n 47.000 kinderen als huishoudelijk personeel worden inzet. Veel van deze kinderen worden onderworpen aan dwangarbeid, mishandeling en (seksueel) misbruik. ‘De campagnes om deze diepgewortelde praktijk uit te bannen botsen op veel weerstand, ook in het parlement. Het wordt verdedigd als solidariteitswerk, een manier om te overleven voor kinderen die in extreme armoede leven’, schreef IPS in mei vorig jaar.

In Brazilië is kinderarbeid volgens onderzoek van het Braziliaanse Instituut voor Economie (IBRE) lastig uit te bannen omdat het van generatie op generatie wordt overgedragen. Ouders die zelf ook als kind werkten sturen hun eigen kinderen op jonge leeftijd regelmatig naar het werk in plaats van naar school. Daarnaast is kinderarbeid in bepaalde sociaaleconomische klassen een vereiste, omdat het vaak de enige manier is om armoede in het huishouden tegen te gaan.

Gedoogbeleid

In 2012 stond Suriname op een Amerikaanse lijst van landen die gevaarlijke kinderarbeid toelaten. De Amerikanen baseerden zich op een onderzoek waarbij 167 kinderen verspreid over 31 Surinaamse goudmijnen waren geïnterviewd. De kinderen waren gemiddeld dertien jaar, de jongste pas zeven. Kinderarbeid in goudmijnen wordt internationaal beschouwd als gevaarlijke arbeid voor álle kinderen onder de achttien. De lijst leidde tot veel boze reacties waaronder van Michael Miskin, voormalig minister van Handel en Industrie van Suriname. Hij bevestigde tegenover Surinaamse media dat ouders hun kinderen soms meenemen op de goudvelden, maar stelde dat ‘de kinderen zelf niet in loondienst zijn’. Volgens Miskin heeft de aanwezigheid van kinderen op de goudvelden te maken met traditie.

Omdat kinderarbeid in bepaalde gebieden van Zuid-Amerika is verworden tot sociale norm, zien sommige politici – die zelf ook zijn opgegroeid met werkende kinderen in de omgeving – het niet per se als illegaal. Dit kan gedoogbeleid in de hand werken.

Al betekent dit niet dat kinderarbeid op het continent niet al aan banden wordt gelegd. In Colombia bijvoorbeeld zet de regering zich in om kinderarbeid tegen te gaan met projecten en bewustwordingscampagnes. Zo financierde de overheid onder andere het Somos Tesoro-project. Dit project biedt educatieve diensten aan in verschillende mijnbouwgebieden van Colombia. Volgens de overheid zou Somos Tesoro tussen 2013 en 2018 13.000 kinderarbeiders aan onderwijs hebben geholpen. Volgens de VN vond de grootste daling van kinderarbeid wereldwijd plaats in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Tussen 2012 en 2016 daalde de gevaarlijke kinderarbeid daar met 2,4 procent. De totale kinderarbeid (alle soorten kinderarbeid) daalde in dezelfde periode met 1,5 procent.

Onderwijs als alternatief

Negen maanden geleden besloot Abisoina haar leven om te gooien en schreef ze zich in voor de beroepsopleiding ‘Crèchepeuterleidster’ van Stichting Towards A New Alternative (TANA), een ngo die vroegtijdige schoolverlaters in Suriname laagdrempelige arbeidsopleidingen aanbiedt. Van de 25 studenten die zich hebben inschreven voor de opleiding, hebben maar vijf studenten de eindstreep gehaald. Positief nieuws is dat van de vijf, drie studenten onder wie Abisoina, inmiddels een baan hebben. “Kinderarbeid terugdringen is een moeizaam en traag proces, dat niet zal lukken zonder actieve steun van de overheid, want zij reguleert het onderwijs”, zegt Fatma Hulsman, een van de TANA-begeleiders die Abisoina over de streep hielp. En daar wringt de schoen.

Fatma-Hulsman-spreekt-de-leerlingen-van-de-crechepeuteropleiding-toe
Fatma Hulsman spreekt de leerlingen toe Beeld door: Zoë Deceuninck

Suriname heeft geen enkele organisatie die zich specifiek inzet voor het uitbannen van kinderarbeid. Het Surinaams ministerie van Onderwijs beschikt over weinig middelen en hanteert over het algemeen een gecentraliseerd beleid met een focus op de hoofdstad. In het zuiden van het land blijven structurele hervormingen uit. Het oprichten van middelbare- of vakscholen in afgelegen gebieden zou veel kinderen van arbeid kunnen weerhouden.

Armoede is een oorzaak van kinderarbeid. Maar kinderarbeid houdt armoede ook in stand

“Armoede is een oorzaak van kinderarbeid. Maar kinderarbeid houdt armoede ook in stand”, zegt Hulsman. Volgens TANA, die een analyse deed naar voortijdige schoolverlaters in Suriname, leren kinderen in de inheemse- en marrongemeenschappen in het zuiden van Suriname een aantal overlevingstechnieken, waardoor zij het idee hebben dat het aanleren van deze technieken voldoende is om te overleven. ‘Daardoor is men onvoldoende bewust van de waarde van educatie’, stelt TANA.

Het IOL berekende dat het uitbannen van kinderarbeid de wereldeconomie 20 procent groei zou opleveren. De financiële voordelen van een geschoolde bevolking wegen namelijk zwaarder dan de onderwijskosten en de gemiste inkomsten uit arbeid. Hulsman hoopt dat de leeftijd voor verplicht onderwijs in Suriname binnenkort wordt opgetrokken van twaalf naar zestien jaar. “Maar ik hou mijn hart vast, want de overheid spreekt hier al jaren over. Ondertussen proberen we toch een verschil te maken, hoe klein ook”, zegt Hulsman.

child_labour_in_vietnam.jpg

Wordt kinderarbeid eindelijk bij wet verboden?

“Het is de hoogste tijd dat uitbuiting uit onze winkels verdwijnt”

Opening Expositie ‘Bitter Chocolate Stories’ in Beursgebouw op 12 oktober 2017.

Het bittere verhaal achter onze chocola tentoongesteld

Fotograaf Joana Choumali fotografeerde vijftien kinderen die de cacaoplantages zijn…

  1. Het ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, het Bureau voor de Statistiek en het Institute for Graduate Studies & Research van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ↩︎
  2. De International Labour Organization is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties ↩︎
  3. Een praktijk waarin middenklasse en rijke families kinderen uit verarmde gezinnen als huishoudelijk personeel huisvesten. ↩︎

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
02

Zoë Deceuninck

Zoë Deceuninck is freelance journalist en werkt vanuit Suriname.
Profielpagina