Het Grote Vleesschandaal

24-09-2013 Bron: OneWorld
te veel – 

Westerse mensen eten een buitensporige hoeveelheid vlees. De gemiddelde Nederlander eet 42 kilo vlees per jaar. Dat is het dubbele van vijftig jaar geleden, toen elke dag vlees eten niet als normaal werd beschouwd. Dat is een ramp voor milieu, het hongervraagstuk en dierenwelzijn.

Voor al dat vlees dat we eten, hebben we een dubbele hoeveelheid vee nodig. En die beesten moeten eerst zelf eten: elke kilo vlees kost 6 tot 10 kilo voer. Dat betekent dat enorme lappen grond over de hele wereld worden ontgonnen voor het verbouwen van soya, veevoer. Wel 1/3 van alle landbouwgrond wordt gebruikt voor ons veevoer. En 20.000 voetbalvelden aan bos en ander natuurlijk land wordt per jaar, in vooral Zuid-Amerika vernietigd.

Met een toenemende bevolking en beperkte beschikbaarheid van landbouwgrond rijst de vraag hoeveel koeien (en ander vee) de aarde nog aan kan. De mondiale vraag naar dierlijke producten stijgt en zal dat in de toekomst voorlopig blijven doen. Er zijn immers nog 3,5 miljard mensen die onvoldoende eiwitten en voedingswaarden binnenkrijgen. Arme landen moeten een inhaalslag maken en landen als China, India en Brazilië zijn daar reeds mee bezig.

Landbouworganisatie FAO voorspelt dat de wereld in 2050 nog 73% meer vlees zal eten. Dan hebben we nog een extra wereldbol nodig.

Luxe of noodzaak?
Opkomende economieën in Azië (China, India) en Latijns-Amerika (Brazilië) profiteren nu van welvaart en economische groei. Bij een groeiende middenklasse komt er meer brood op de plank. En dus meer en beter vlees op tafel. Naarmate het inkomen stijgt, groeit ook de consumptie van dierlijke eiwitten. Vlees en zuivel zijn niet langer luxegoederen.

Een dergelijk fenomeen signaleerden we hier zo’n zestig jaar geleden. Na de Tweede Wereldoorlog was er sprake van intensivering en schaalvergroting van de veeindustrie. Zowel de vleesproductie als -consumptie steeg. Tegenwoordig is de schnitzel – evenals roomboter, yoghurt en kaas – hier niet meer uit de supermarkt weg te denken. Sinds 1950 is de veestapel wereldwijd vervijfvoudigd.

Opvallend is echter dat in OESO-landen met hoge inkomens nu de vleesconsumptie bij middenklasse gezinnen licht afneemt. Wel consumeren we in Europa zo’n 100 gram eiwitten per persoon per dag (dat is meer dan nodig is), waarvan 60 procent afkomstig is uit dierlijke bronnen. Vlees en zuivel (en vis) zijn bronnen van aminozuren en eiwitten die het lichaam nodig heeft. Vegetariërs met een gevarieerd eetpatroon krijgen in principe genoeg voedingsstoffen binnen. Voor veganisten, die puur plantaardige eiwitten eten, is het ook belangrijk dat ze vitamine B12 binnenkrijgen, die ze kunnen halen uit bepaalde algen of zeewier.

MEAT THE TRUTH - Nederlandse versie from Nicolaas G. Pierson Foundation on Vimeo.




Minder vlees = minder auto’s
Een gemiddelde vleeseter stoot 40 procent meer broeikasgassen uit dan een vegetariër. Als je puur plantaardig eet, ben je nog ‘schoner’ bezig. Alhoewel melkkoeien minder belastend voor het milieu zijn. Dit omdat ze voor zowel vlees als zuivel worden gebruikt.

Volgens de Food & Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties is de vleessector wereldwijd verantwoordelijk voor 18 procent van alle broeikasgassen. Ter vergelijking: de transportsector stoot 13 procent uit. En één dag geen vlees eten per jaar levert dezelfde besparing op als één miljoen auto’s van de weg te halen, zo berekende het Instituut voor Milieuvraagstukken van de VU.

Koeien, varkens en kippen vervuilen zelf ook met hun winden en oprispingen. Ze stoten meer methaan en CO2 uit dan alle auto’s bij elkaar. Methaan is 25 keer zo verzuilend als CO2. Daarnaast draagt de mest die een boer over zijn land sproeit, ook nog eens bij aan verzuring van de bodem. De uitstoot van ammoniak en fosfaat tast de bodem en het grondwater aan en vormt een bedreiging voor ecosystemen.

Voer voor discussie
Voor 1 kilo rundvlees is er 6 tot 10 kilo graan of sojavoer nodig. En daarmee beginnen de problemen. Neem Brazilië, dat bekend staat om zijn enorme sojaplantages. Grote lappen landbouwgrond zijn nodig om dit veevoer te verbouwen. Door nood aan vruchtbare gronden worden bossen en soms ook uniek regenwoud platgebrand. Deze branden maken dat de CO2-uitstoot in Brazilië tot de hoogste van de wereld behoren. En dat terwijl door ontbossing ook nog eens minder CO2-uitstoot kan worden opgenomen.

Door het verdwijnen van de bossen krijgen wind en water bovendien vrij spel en ligt er erosie op de loer. De bodem wordt minder vruchtbaar, waardoor er meer kunstmatige meststoffen worden gebruikt. Sojateelt gaat gepaard met grootschaligheid, monocultuur en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dat bedreigt de biodiversiteit (en in dat laatste geval ook de menselijke gezondheid). Arbeidsomstandigheden op grote plantages laten vaak te wensen over. Kleine boeren en lokale gemeenschappen worden van hun land verdreven. En het kappen van bossen of regenwoud gebeurt dikwijls illegaal.

Het verbouwen van soja en ander veevoer slurpt ook nog eens liters water op. Onderzoekers van de Universiteit van Twente toonden aan dat voor de productie van 1 kilo rundvlees 15.000 liter water verbruikt wordt in de keten, voor een kilo varkensvlees 6.000 liter en een kilo kip 4.300 liter.

Gezondheid in het gedrang
Een ander probleem is het preventief gebruik van antibiotica in de intensieve veehouderij.Preventief antibioticagebruik wordt toegepast in de intensieve veeteelt als groeibevorderaar en om te voorkomen dat de beesten ziek worden. Als gevolg van deze onbeheerste toepassing, worden de beesten als het ware drager van bacteriën die ongevoelig zijn geworden voor antibiotica. Een aantal van deze bacteriesoorten kunnen infecties bij mensen veroorzaken. En omdat de antibiotica in de veeindustrie grotendeels dezelfde is als die voor mensen wordt gebruikt, wordt het steeds moeilijker en soms zelfs onmogelijk om een antibioticum te vinden om infecties met resistente bacteriën bij de mens te behandelen.

Dierenleed
Wat betreft het dierenwelzijn heerst er tevens felle kritiek op de intensieve veeindustrie. Vaak gaan dieren niet naar buiten, hebben nauwelijks bewegingsruimte, ervaren veel stress waardoor er ze ziek kunnen worden of doodgaan. Keurmerken als Beter Leven, Limousin, Label Rouge, EKO (of ander biologisch keurmerk) garanderen betere leefomstandigheden voor de dieren.

Gesjoemel
De laatste tijd ligt de vleesindustrie in Nederland extra onder vuur. Gesjoemel met vlees (waarbij paardenvlees vermengd met rundvlees verkocht werd als rundvlees) waarop justitie een inval deed bij een Nederlandse vleesgroothandel en 50 miljoen kilo vlees terugriep; er zijn poepbacteriën aangetroffen op vlees (omdat slachthuizen door te hoge druk onhygiënisch zouden werken) en er is gerommeld met vlees binnen het Beter Leven keurmerk. De druk om goedkoop te produceren is hoog en controles laten te wensen over.

Dit soort omstreden praktijken doen de noodklok luiden. Het moet anders. De overheid wil controles aanscherpen, ngo’s dringen aan op consuminderen, boeren gaan duurzamer produceren en experts buigen zich over geschikte alternatieven. Wetenschappers van Universiteit van Maastricht zetten in op revolutionair onderzoek naar de productie van kweekvlees. Met als primeur: een hamburger gekweekt uit stamcellen van een koe. Overigens is er ook kritiek op deze kweekburger. De hamburger kost honderden duizenden euro’s en het duurt wel even voordat deze betaalbaar op de markt verschijnt. Waarom moeten we bovendien wachten op een dure burger (komt hij sowieso niet te laat?) terwijl er al smakelijke, betaalbare alternatieven bestaan?

Hoe dan ook, de zoektocht naar het ‘nieuwe vlees’ is volop in gang. Wordt het kweekvlees, nepvlees of gaan we larven en insecten eten? Komt er een vleestax? Of zetten we in op lokaal, verantwoord geproduceerd, biologisch of kwaliteitsvlees, waar je misschien meer voor betaalt maar minder van eet. Gaan we vlees weer aanschouwen als een luxeproduct. Net als vroeger. Gezien alle arbeid, grond en energie die bij vleesproductie komt kijken, is dat misschien niet zo’n gek idee.

Leontien Aarnoudse is schrijfster van De Groene Garde, een kookboek met seizoensrecepten en verhalen over de oorsprong en impact van eten op mens en milieu. De Groene Garde is uitgeroepen tot meest duurzame kookboek 2012 (Kookboek van het jaar verkiezing).

Reacties