Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Het is de grootste ramp in de geschiedenis van de kledingindustrie: Rana Plaza, een gebouwencomplex van acht verdiepingen hoog, stortte in op 24 april 2013 in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh. De ravage was enorm, het aantal doden ongekend. De nieuwsprogramma’s op televisie openden ermee, en elke krant schreef erover. Miljoenen mensen zagen de beelden; de brokstukken, de lichamen, het verdriet. Rana Plaza was even wereldnieuws.

En dat nieuws kwam keihard binnen. De kleren die wij dragen vormden een directe link tussen ons hier en de omgekomen mensen daar. Tussen het puin werden labels gevonden van merken als C&A, Primark en Benetton. Ineens werd duidelijk wie de werkelijke prijs voor onze goedkope kleding moet betalen. Rana Plaza werd het symbool voor wantoestanden in de kledingindustrie: lage lonen, lange werkdagen, geen vakbondsvrijheid en onveilige werkomstandigheden.

‘Dit nooit meer’, beloofden kledingmerken massaal. Vanaf nu zouden ze écht werk maken van deze misstanden, nadat ze die tientallen jaren veelal genegeerd hadden. Simpelweg omdat ze niet anders konden, na alle commotie die op het instorten van Rana Plaza volgde.

Inmiddels zijn we vijf jaar verder, en rijst de vraag: is de kledingindustrie van Bangladesh daadwerkelijk een betere plek geworden voor textielarbeiders? Tijd om de balans op te maken.

Zijn kledingfabrieken nu veilig?

In de nasleep van Rana Plaza ondertekenden 220 kledingbedrijven, waaronder H&M, Zara, C&A en Primark, het Accord on Fire and Building Safety Bangladesh (ook wel het Bangladesh Akkoord genoemd). Ze beloofden daarin een eind te maken aan de onveilige situaties in kledingfabrieken, die overigens al eerder honderden mensen het leven had gekost. Eindelijk leken ze in te zien: dit probleem lost zichzelf niet op, en wij hebben als merk een eigen verantwoordelijkheid.

Al deze bedrijven beloofden hun productielocaties kenbaar te maken bij de mensen van het Akkoord. In totaal ging dat om 1619 fabrieken. Die moesten vervolgens allemaal worden geïnspecteerd door een team van bijna 100 ingenieurs. Een enorme opgave, vertelt Rob Wayss, directeur van het Akkoord. ‘Het plan was ambitieus, en de fabrieken waren er extreem slecht aan toe.’

Dat blijkt ook wel uit de inspectierapporten. In totaal worden liefst 131.953 problemen gevonden in de fabrieken. De problemen varieerden van het niet aanwezig zijn van branddeuren, sprinklerinstallaties, vluchtroutes en brandblussers tot de constructie van de gebouwen zelf die niet veilig bleken te zijn.

Ik had gehoopt dat we alle veiligheidsrisico’s inmiddels hadden konden oplossen

Nu, vijf jaar later, is het merendeel van deze risico’s opgelost. “Over de hele linie is 85 procent van de aangetroffen veiligheidsproblemen verholpen”, vertelt Wayss. Hij is trots op dat resultaat, maar ook kritisch. “Ik had gehoopt dat we alle veiligheidsrisico’s inmiddels hadden konden oplossen. Dat is helaas niet gelukt.”

Gelukkig kunnen ze bij het Akkoord nog even doorgaan met het monitoren van de voortgang totdat alles verbeterd is: dit jaar is door merken en vakbonden ingestemd met een verlenging ervan. Waar het Akkoord in eerste instantie in mei 2018 zou aflopen, is dat nu verlengd tot mei 2021. Duidelijk is: door het Akkoord zijn veel fabrieken in Bangladesh een stuk veiliger geworden.

Toch valt er nog veel werk te verrichten. Zo zijn er nog zo’n 3.000 fabrieken die niet onder toezicht van het Akkoord vallen, maar onder die van de regering en de Alliance (een ander veiligheidsinitiatief). Maar bij die Alliance zijn er gerede twijfels over hun gepresenteerde resultaten. Zo constateerde een groep mensenrechtenorganisaties eind 2016 dat de inspectierapporten van de Alliance een veel rooskleuriger beeld van de fabrieken schetsen dan gerechtvaardigd is.
Ook de arbeidsinspectiedienst van de overheid loopt nog flink achter met het garanderen van de veiligheid in de fabrieken die onder haar toezicht vallen.

Is het loon van textielarbeiders omhoog gegaan?

Niet lang na de ramp bij Rana Plaza besloot de Bengaalse regering het minimumloon te verhogen. In plaats van 3000 taka (€28,48) kregen de kleermakers voortaan 5300 taka (€50,32) per maand. Een flinke stijging, maar nog steeds veel te weinig om fatsoenlijk van te kunnen leven.

Bovendien zijn de lonen in de vijf jaar daarna niet meer gestegen, terwijl de kosten voor levensonderhoud wel zijn toegenomen, vertelt Kalpona Akter, oprichter en directeur van het Bangladesh Centre for Worker Solidarity, een kledingvakbond. “De lonen zijn niet meegegaan met de inflatie.” Erger: de arbeider is er, ondanks de loonstijging net na Rana Plaza, in koopkracht inmiddels zelfs op achteruitgegaan.

Te hopen valt dat de overheid de lonen dit jaar gaat verhogen. In de wet staat immers dat dit eens per vijf jaar moet gebeuren. Maar waarschijnlijk zal ook het nieuwe minimumloon bij lange na niet in de buurt komen van het leefbare loon, dat op zo’n 280 euro per maand wordt geschat.

Zijn merken meer gaan betalen?

Dat het minimumloon zo laag ligt en nauwelijks stijgt, houdt verband met de concurrentiepositie die Bangladesh in stand wil houden. De lage lonen maakten dat veel merken er hun kleren laten produceren. Ruim 70 procent van de Bengaalse export bestaat uit textiel. Het land is als de dood dat kledingbedrijven hen massaal de rug toekeren als het minimumloon er wordt verhoogd.

En dat is niet zo gek: merken willen kleding voor bodemprijzen inkopen. Bengaalse fabriekseigenaren klagen dat merken nog steeds goedkoop, goedkoper, goedkoopst willen. Dat blijkt ook uit de cijfers: de prijs die merken aan fabrikanten betalen voor het produceren van kleding is tussen 2011 en 2016 circa tien procent gedaald. Sinds Rana Plaza is de druk op fabriekseigenaren dus alleen maar toegenomen.

Hebben arbeiders meer vrijheden gekregen?

Een dag voordat Rana Plaza instortte, waren er al scheuren gesignaleerd in een van de pilaren van de fabriek. De angst zat er goed in bij de arbeiders. Toch werden ze geacht de volgende ochtend gewoon te komen werken. Wie daar moeilijk over deed, hoefde niet meer terug te komen.

Opkomen voor jezelf, je mond opendoen als iets je niet zint: het wordt niet gewaardeerd door fabrieksmanagers of de Bengaalse overheid. Vakbonden zijn dan ook dun gezaaid in het land. Ze worden gezien als onrustzaaiers en bestempeld als lastig.

Toch leek het na 24 april 2013 even de goede kant op te gaan: het aantal geregistreerde vakbonden steeg explosief. Waren er voor 2013 nog geen tien vakbonden, in 2014 waren er bijna 200. Maar die groei stagneerde al snel. In 2017 waren minder dan 57 vakbonden goedgekeurd door de overheid. En volgens Akter is slechts een handjevol daarvan echt actief.

Tegelijkertijd nam de repressie tegen vakbonden de afgelopen jaren toe. Met als dieptepunt de protesten die in december 2016 uitbraken in Ashulia, waarbij tientallen mensen werden gearresteerd, mishandeld en gevangengezet.

mondiaalfnv_actie_ambassadebangladesh007.jpg

‘Bangladesh: Laat de vakbondsleiders en textielarbeiders vrij’

In Bangladesh zitten sinds december minimaal 26 vakbondsleiders, activisten en…

Vakbonden kwamen daarop wereldwijd in actie. Ook in Nederland werd voor de ambassade van Bangladesh geprotesteerd. Daarnaast boycotten grote kledingmerken, waaronder C&A en H&M, een belangrijke kledingtop in Bangladesh en stuurde de Europese Commissie tot twee keer toe een boze brief naar de Bengaalse regering. Alle moeite bleek ten spijt: Bangladesh heeft niks van zich laten horen, laat staan actie ondernomen.

Is de industrie er transparanter op geworden?

Na de Rana Plaza-ramp bleef lange tijd onduidelijk welke merken hun kleding in de fabrieken in het bedrijvencomplex hadden laten maken. Problematisch voor de slachtoffers en de nabestaanden: zij konden de merken in kwestie niet op het matje roepen en ze verantwoordelijk stellen. Na een zoektocht in het puin werden al snel tientallen labels gevonden, waaronder die van Primark, Mango, Benneton, Zara (Inditex) en C&A.

De instorting liet zien dat niet alleen de veiligheid in kledingfabrieken tekort schoot: het maakte ook duidelijk hoe weinig transparant de sector is. Zodoende kunnen arbeiders, consumenten, vakbonden en hulporganisaties om claims van bedrijven over arbeidsomstandigheden amper controleren. En als ergens iets aan de hand is, is amper te achterhalen welk kledingmerk daarop moet worden aangesproken. Met de hashtag #GoTransparant werden kledingbedrijven opgeroepen hun productielocaties aan de rest van de wereld kenbaar te maken.

fashrev_2016_impact_47.jpg

Waarom transparantie cruciaal is voor een eerlijke kledingindustrie

Vandaag is het precies vier jaar geleden dat Rana Plaza instortte. De ramp toonde…

Uit het rapport Follow the Thread: The Need for Supply Chain Transparency in the Garment and Footwear Industry dat vorig jaar verscheen, bleek dat gaandeweg meer kledingbedrijven publiceren wie hun kleding produceert. Maar de overgrote meerderheid van de merken maakt nog altijd geen informatie openbaar over hun toeleveringsketen. Deze week verschijnt een update van de zogeheten Transperency Index, waaruit moet blijken of de industrie het afgelopen jaar stappen heeft gezet.

Wat kunnen we concluderen, vijf jaar na Rana Plaza?

Duidelijk is dat er wat betreft de veiligheid in fabrieken vooruitgang is geboekt. Tegelijkertijd ligt er voor de Bengaalse regering een grote uitdaging klaar. Niet alleen moet zij bij de fabrieken die onder haar eigen toezicht vallen een flinke inhaalslag maken; uiteindelijk moet de overheid zelf alle taken van het Bangladesh Akkoord overnemen. Iets dat eigenlijk dit jaar al had moeten gebeuren, maar niet is gelukt omdat de vakbonden en kledingmerken te weinig vertrouwen hadden dat dit goed zou verlopen.

Als je kijkt naar de kledingarbeider zelf en wat zij er mee zijn opgeschoten, moet je helaas constateren: weinig. Ook vijf jaar na Rana Plaza kan ze nog niet rondkomen van haar fabrieksloon en ontbeert ze de vrijheid om zich aan te sluiten bij een vakbond.

Wat wij hier zelf als consumenten aan kunnen doen? Akter heeft er wel een idee over: “De volgende keer dat je kleding koopt, kijk dan verder dan het prijskaartje. Vraag de winkelmedewerker dat je meer wil weten over de werkster; hoe ze wordt behandeld in de fabriek, of ze een leefbaar loon krijgt, of ze werkt onder veilige omstandigheden en of er een vakbond is in de fabriek. We hebben jullie stem nodig!”

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
emydemkes2

Emy Demkes

Redacteur fair fashion

Emy Demkes is freelance journalist en schrijft voornamelijk over de achtergronden van onze kleding. Van de arbeidsomstandigheden in …
Profielpagina