Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Op 8 juli 2016 dienden de twee vakbonden hun eerste aanklacht in tegen een kledingbedrijf. Drie maanden later, op 11 oktober, daagden ze een tweede kledingbedrijf. Beide multinationals zouden zich volgens IndustriALL Global Union en Uni Global Union niet hebben gehouden aan de afspraken van het Bangladesh Akkoord: de fabrieksveiligheid zou derhalve niet op orde zijn en de arbeiders zouden gevaar lopen.

Bangladesh Akkoord
Na de instorting van het gebouwencomplex Rana Plaza in Bangladesh, waarbij ruim 1100 mensen om het leven kwamen, werd het Bangladesh Akkoord in het leven geroepen. Het akkoord moest structurele verbeteringen op het gebied van veiligheid in kledingfabrieken in gang zetten. Sinds 2014 zijn ruim 1600 productielocaties van de aangesloten merken gecontroleerd.
Het akkoord zou aanvankelijk eind van dit jaar aflopen, maar inmiddels heeft een deel van de bedrijven, waaronder H&M, Primark en C&A, ingestemd met een verlenging ervan.

Kledingbedrijven hebben gefaald

Hoewel de zaak dus al ruim een jaar loopt, bracht het Hof er pas deze maand informatie over naar buiten. Uit de rechtbankdocumenten blijkt dat de vakbonden eerst de stuurgroep van het akkoord hebben ingeschakeld. Ze claimden daar dat de kledingbedrijven hadden gefaald bij het doorvoeren van de verbeterplannen binnen de verplicht opgelegde termijn. Ook zou er niet onderhandeld zijn over de commerciële voorwaarden om het financieel haalbaar te maken voor hun leveranciers om de kosten van sanering te dekken.

De Stuurgroep van het Akkoord kon echter geen overeenstemming bereiken over de vraag of de aanklacht gegrond was (de ene helft van de stuurgroep leden vond van wel, de andere helft niet), waarna de vakbonden het recht hadden om over te gaan tot arbitrage.

Uit de rechtbankdocumenten blijkt verder dat het Hof heeft besloten om de namen van de kledingbedrijven niet openbaar te maken. Dit tot ongenoegen van de vakbonden: die hadden liever een “volledig transparante aanpak” gezien, laat een van hen per mail weten.

Volgens Joris Oldenziel, hoofd publieke zaken van het Bangladesh Akkoord, heeft het Hof aangegeven een afweging te hebben gemaakt tussen het publieke belang en het belang van de bedrijven. “Daarbij is gekozen om wel periodiek te rapporteren over de voortgang van de zaken maar niet om de namen van de bedrijven bekend te maken, om mogelijke reputatieschade voordat de uitspraak is gedaan te voorkomen.”

Unieke zaak

Hoewel de eerste zitting pas in maart 2018 plaatsvindt, noemen kenners het nu al een unieke zaak. Het is namelijk vrijwel onmogelijk om bedrijven op deze manier op hun verantwoordelijkheid aan te spreken, vertelt Mariëtte van Huijstee, senior onderzoeker bij SOMO. Ze houdt zich bezig met internationale normenkaders voor bedrijfsleven en mensenrechten, en wijst op de Guiding Principles on Business and Human Rights van de Verenigde Naties. “Er zijn wel richtlijnen waar internationaal opererende bedrijven zich aan moeten houden, maar die zijn niet of nauwelijks afdwingbaar. Als jij in Ecuador, Brazilië, Honduras of Tanzania door een mijnbouwbedrijf, een dam of kledingbedrijf in je belangen wordt geschaad, is er meestal geen betrouwbaar loket waar je kunt aankloppen.”

Bijzonder aan het Bangladesh Akkoord is dat het die mogelijkheid juist wel biedt. “Het is een juridisch bindende afspraak tussen vakbonden en kledingbedrijven”, aldus Oldenziel. “Alle ondertekenaars van het Akkoord kunnen een zaak voor bindende arbitrage indienen als zij menen dat andere ondertekenaars zich niet aan de afspraken binnen het Akkoord houden.”

Waarschijnlijk zijn de twee aangeklaagde kledingbedrijven niet de enigen die de afspraken van het Bangladesh Akkoord schenden. Op de website van het akkoord zijn alle voortgangsrapporten na te slaan. Daaruit blijkt dat liefst 1300 fabrieken achterlopen op schema en hun bedrijfsvoering dringend verbetering behoeven. Welke bedrijven in deze fabrieken produceren, is niet openbaar. Zeker is wel dat er meer kledingbedrijven achter lopen op schema. Van Oldenziel: “Er zijn er inderdaad veel meer die achterlopen. Waarom de vakbonden hebben gekozen om juist deze twee bedrijven eruit te pikken, zou je aan hun moeten vragen.” IndustriALL Global Union en Uni Global Union zelf willen in dit stadium niet op hun motivatie ingaan. Duidelijk is wel dat de kledingbedrijven zich verzetten tegen de aanklacht; ze vinden de bezwaren van de bonden niet gegrond.

Wat nu?

“Het is nu aan het Hof om hier uitspraak over te doen”, aldus Oldenziel. Wat de consequenties kunnen zijn voor de kledingmerken, is een open vraag. Worden de bedrijven inderdaad schuldig bevonden aan nalatigheid, dan zal het Hof tevens sancties bepalen. “ls het Hof de aanklacht gegrond verklaart dan kan de arbiter een ‘arbitral award’ vaststellen wat neerkomt op een schadeloosstelling of een bepaald bedrag om de openstaande herstelwerkzaamheden in de fabrieken te bekostigen.”

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
emydemkes2

Emy Demkes

Redacteur fair fashion

Emy Demkes is freelance journalist en schrijft voornamelijk over de achtergronden van onze kleding. Van de arbeidsomstandigheden in …
Profielpagina