OneWorld presenteert:

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

In het Klimaatakkoord staat dat de Nederlandse CO₂-uitstoot drastisch omlaag moet, en dat in 2050 alle Nederlandse huishoudens van het gas af moeten zijn. De omschakeling van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen: we zitten er middenin. Om die omslag te stimuleren deelt de overheid subsidie uit aan hernieuwbare energieprojecten: in 2019 is maar liefst 10 miljard euro beschikbaar. De subsidie is bedoeld voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld zonne- en windmolenparken of waterkrachtcentrales.

Aan de subsidie betalen we allemaal mee via onze maandelijkse energierekening. De prijs voor gas en stroom is opgebouwd uit verschillende posten: netbeheerkosten, leveringskosten, belasting en iets wat opslag duurzame energie (ODE) wordt genoemd. Met die laatste post wordt de subsidie voor duurzame energieprojecten gefinancierd. Met elke kWh stroom en elke kuub gas die je afneemt, vul je deze pot dus aan.

De subsidie, met gunstige voorwaarden van de regeling, trekt veel bedrijven aan

Maar uit eerdere berichten en nieuwe gesprekken met (subsidie)adviseurs binnen de duurzame energiesector, blijkt dat dit subsidiegeld eerder wordt verstrekt aan grote, buitenlandse projectontwikkelaars, dan aan kleinere, vaak lokale ondernemingen. Dat komt door de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+), die met haar gunstige voorwaarden grote bedrijven aantrekt.

Vooral de aanleg van zonneparken in Nederland wordt op deze manier een lucratieve business, en een voornamelijk buitenlandse aangelegenheid. En dat heeft gevolgen voor de energietransitie, én voor de omgeving van nieuwe zonneparken.

Stimulering duurzame energieproductie

De overheid verleent sinds 2011 elk voor- en najaar de SDE+-subsidie aan ontwikkelaars van hernieuwbare energieprojecten, bijvoorbeeld op het gebied van biomassa, zonne- of windenergie. “Eigenlijk zou voor elke techniek die duurzame energie produceert een apart budget beschikbaar moeten zijn. 1 miljard voor wind, 1 miljard voor biogas, 1 miljard voor lokale coöperaties, et cetera. Maar dat is nu niet het geval”, zegt Dominique Doedens. Hij is duurzaamheidsadviseur voor energieprojecten bij Escozon, een bedrijf dat duurzaamheidsconcepten realiseert met oog voor lokale projecten.

Van het beschikbare geld gaat steeds meer naar zonneprojecten, schreef het FD eerder al. Zonneparken zijn namelijk relatief makkelijk te realiseren en leveren in verhouding goedkope stroom. Doedens ziet dat grote, vaak internationale, ontwikkelaars met de SDE+ meer kans krijgen om de zonneparken te ontwikkelen dan kleinere, vaak Nederlandse ontwikkelaars. Dat komt volgens Doedens doordat de SDE+ ‘kostenefficiënt’ wordt verstrekt: bedrijven die minimale kosten maken worden als eerst gefinancierd. “Hoe grootschaliger de productie van zonnepanelen, hoe goedkoper je de stroom aan de consument kunt aanbieden. Een voordeel voor grote spelers, maar lokale bedrijven blijven daardoor achter.”

Hoe werkt de subsidie Duurzame Energieproductie? 

Projectontwikkelaars die hun geproduceerde duurzame energie zo goedkoop mogelijk – voor 0,09 cent per opgewekte kWh – aan de consument aanbieden, krijgen voorrang op de subsidie. Daarna kunnen overige projecten, die achtereenvolgens 0,11 en 0,13 cent/kWh vragen, hun aanvraag pas indienen Producenten die méér dan 0,13 cent/kWh vragen, kunnen nog steeds subsidie aanvragen, maar bij hen wordt de ‘onrendabele top’ niet vergoed.

De subsidie vergoedt het verschil tussen de kostprijs van een hernieuwbaar energieproduct en de marktwaarde van traditionele energie – dat wordt de onrendabele top genoemd. Het verschil tussen de kostprijs van zonnestroom en de marktprijs van grijze stroom wordt middels de subsidie zo gladgestreken. Als de marktwaarde van zonnestroom stijgt, neemt de onrendabele top af en daalt evenredig de subsidie. Die kan dus minder worden met de jaren.

In januari 2020 gaat de verbrede SDE++ (Stimuleringsregeling Duurzame Energietransitie) van start. Het verschil tussen is dat in de nieuwe regeling ook CO2-reducerende opties ánders dan hernieuwbare energie in aanmerking komen voor subsidie. Of de nieuwe regeling rekening houdt met mogelijkheden voor kleinere projecten is nog niet duidelijk.

Lokale participatie

Is dat erg? Wat maakt het uit dat grotere, veelal internationale bedrijven de subsidies opstrijken? Het probleem zit hem volgens experts in de inspraak van de omwonenden van een zonnepark. Hoe groter en minder lokaal geworteld de bedrijven, hoe minder inspraak de omwonenden hebben. Ook blijkt dat omwonenden niets terugzien van de winst die een zonnepark in hun omgeving opbrengt.

“Als gemeente moet je iets terugdoen voor de omwonenden”, zegt Sale de Vries van Synnovem, een adviesbureau voor duurzame energie en circulaire economie. “Als je een zonnepark laat bouwen en je verleent als gemeente het grondgebied hiervoor, dan kan het niet zo zijn dat de winst van een park – betaald met publiek geld – alleen naar het buitenland gaat via investeerders of ontwikkelaars. Als gemeente verleen je de vergunning, daar mag je, naast de lokale stroom, ook iets van terugverwachten.”

Mensen horen pas van een park als de vergunning verleend is of als er al gebouwd wordt

Dit vindt ook Michiel Mulder, energieadviseur bij Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen. Hij adviseert gemeentes bij het ontwikkelen van zonneparken. “Gemeentes en beleidsadviseurs moeten al in het voortraject, bij het laten bouwen van een zonnepark, veel beter nadenken over de natuur en de omgeving. Niet alleen een investeerder moet er blij van worden, ook de omgeving moet profijt hebben.”

Volgens Mulder moet het beleid van de gemeentes daarom anders. Dat de omgeving meeprofiteert zou een vereiste moeten zijn. “Wij willen dat bewoners 50 procent eigenaarschap krijgen over een park. Als eigenaars kunnen ze dan zelf bepalen wat ze met de winsten doen. Zo creëer je meer draagvlak en gaan mensen tijdig met elkaar om tafel zitten. De meeste mensen horen nu pas van het park als er een vergunning verleend wordt, of als het al gebouwd wordt.”

Doedens stelt dat in kleinschalige gebieden ook kleinschalige zonneparken gebouwd moeten worden, om de projecten makkelijker op het lokale net aan te sluiten. Het net kan de grote hoeveelheden stroom nu namelijk nog helemaal niet aan. Daarnaast veroorzaakt een kleiner zonnepark minder overlast, zowel voor de omwonenden als voor de natuur. Het park moet volgens Doedens lokaal eigendom blijven en niet aan investeerders worden verkocht. “Als het park verkocht wordt aan een buitenlandse investeerder, moeten de omwonenden bij klachten contact opnemen met een bedrijf ergens aan de andere kant van de wereld. De omgeving raakt dan vervreemd.”

Verkeerde prikkels

Omdat subsidieaanvragen voor grotere zonneparken eerder gehonoreerd worden, zijn kleinere parken minder interessant voor buitenlandse projectontwikkelaars, zegt Doedens. “De investeringskosten en overheidskosten zijn dan te hoog voor die ontwikkelaars. Om een zonnepark te bouwen moet een bestemmingsplan komen – de kosten daarvoor zijn makkelijker uit te smeren over een groot zonnepark van 30 hectare grond dan over een klein zonnepark van 2 hectare. Een groot park wordt hierdoor sneller rendabel. Vandaar dat gemeentes vaker kiezen voor grotere projectontwikkelaars.” Omdat de overheid de subsidie uitkeert over een looptijd van vijftien jaar, blijven die bovendien vaak eigenaar van het park, waardoor de winst van een zonnepark uit de omgeving wegvloeit.

Een waterkrachtinstallatie die duurzame stroom opwekt kán nog niet goedkoop, en krijgt dus geen subsidie

Doedens pleit voor een aparte regeling voor lokale initiatieven en kleine parken. “Zodat het rendement hoger wordt en je beter kunt concurreren met grote parken. Nu moet het allemaal zo goedkoop mogelijk, waardoor kleinere lokale ontwikkelingen die de energietransitie versnellen geen kans krijgen. Een nieuwe waterkrachtinstallatie die duurzame stroom opwekt, kan bijvoorbeeld nog geen goedkope stroom leveren doordat zo’n installatie erg duur is. De kans om voor zo’n initiatief subsidie te krijgen is nu dus nihil.”

Belastingadviseur Jan de Groot is het daarmee eens: “Door de huidige SDE+-regeling hebben grotere projectontwikkelaars meer kans. Ergens snap ik dat wel, want de consument wil zo goedkoop mogelijke stroom. Subsidieer die grote projecten, maar maak óók geld beschikbaar voor nieuwe technieken die duurzame energie produceren maar nu nog wat duurder zijn. Deze technieken hebben we juist nodig in de toekomst.”

Zonnepanelen op bestaande daken?

De aanleg van zonneparken trekt door de gunstige subsidieregeling investeerders en projectontwikkelaars de Nederlandse weilanden in. In Groningen, Friesland en Drenthe is een run ontstaan op beschikbaar grondgebied. Maar een blik op het Nederlandse landschap roept de vraag op of dit logisch is. Zijn al die nieuwe zonneparken eigenlijk nodig terwijl Nederland vol ligt met daken die geschikt zijn voor zonnepanelen?

Nederland ligt vol daken van bedrijven die benut kunnen worden, stelde ook minister Wiebes. Hij pleitte er in een Kamerbrief voor om eerst daken van bedrijven en niet-productieve grond te gebruiken voor zonne-energie. Die onbenutte bedrijfsdaken hebben alles te maken met de terugverdientijd van zonnepanelen voor (grote) bedrijven. Doordat zij relatief gunstige tarieven betalen voor stroom, ontbreekt voor hen de prikkel om massaal zonnepanelen op eigen gebouwen te leggen.

Bedrijven betalen, door de grote hoeveelheden stroom die ze gebruiken, vergeleken met particulieren een veel lagere energiebelasting 1. Hoe meer stroom, hoe voordeliger de energiebelasting in verhouding is. En hoe minder een afnemer voor stroom betaalt, hoe minder snel de kosten van duurzame systemen, zoals zonnepanelen, worden terugverdiend. Die zijn dus minder rendabel. Doedens: “Er zijn bedrijven die veel kans zouden maken op de SDE+ door een grote hoeveelheid zonnepanelen op hun daken te plaatsen. Maar de accountant van zo’n bedrijf ziet daar vaak geen financieel voordeel in door de lange terugverdientijd.”

De Groot herkent dit, maar hij wil ondernemers oproepen om creatief te denken: “Door de energiebelasting en doordat ondernemers niet kunnen salderen [stroom terugleveren aan het net], zijn zij minder geneigd zonnepanelen op het dak te leggen. Toch heeft het zin om voor zonnepanelen te kiezen. Leg wel je daken vol zonnepanelen en laat omwonenden van deze stroom gebruikmaken. Zo verdien je er zelf wat aan en zorgt jouw bedrijf dat andere mensen groene stroom gebruiken.”

andreas-gucklhorn-285561-unsplash

‘Plemp Nederland niet vol met zonneparken’

Een interview met hoogleraar zonne-energie Wim Sinke.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Geeft overheid energiecoöperaties een eerlijke kans?

Overheidsbeleid zit de groei van energiecoöperaties vaak in de weg.

  1. Hoe meer energie iemand verbruikt, hoe minder energiebelasting hij relatief betaalt. Een particulier betaalt 0,09863 euro belastingenergie per kWh, tegenover 0,00058 euro per kWh voor de grootste verbruikers. Grootverbruikers betalen dus veel minder voor stroom dan particulieren, waardoor besparingsinvesteringen minder rendabel zijn. ↩︎

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
0

Esther Vreeswijk

Esther Vreeswijk is freelance onderzoeksjournalist, vooral geïnteresseerd in de energietransitie en mensenrechten. Ze heeft een bachelor …
Profielpagina