Kleine ontwikkelingsorganisaties doen het liefst alles zelf. Maar als ze zouden samenwerken, zouden hun projecten beter lopen. Waarom doen ze het dan niet? Er valt een wereld te winnen als we onze krachten bundelen.  Door Mirjam Vossen Hans Vissenberg van Centrum Internationaal zou het dolgraag willen: samenwerken met organisaties die zich, net als zijn eigen…

Kleine ontwikkelingsorganisaties doen het liefst alles zelf. Maar als ze zouden samenwerken, zouden hun projecten beter lopen. Waarom doen ze het dan niet? Er valt een wereld te winnen als we onze krachten bundelen.  Door Mirjam Vossen

Hans Vissenberg van Centrum Internationaal zou het dolgraag willen: samenwerken met organisaties die zich, net als zijn eigen stichting, inzetten voor onderwijs in Ethiopië. Centrum Internationaal organiseert onder meer bijscholing voor onderwijzers, zodat zij leren omgaan met kinderen met een handicap in hun klas. Een prachtig project, zegt Vissenberg, maar het komt niet verder dan de stad Bahir Dar, in het noordwesten. Daarom zoekt hij contact met anderen. Vooralsnog vergeefs. Een aantal organisaties dat hij benaderde gaf niet thuis. “Je belandt er in de wacht”, zegt Vissenberg. “Zij benaderen jou wel als het hen uitkomt.” Sommige bleken te zeer met andere dingen bezig. Zo maakte Vissenberg dit voorjaar kennis met een organisatie voor beter onderwijs in Indonesië. “Zij steunen een katholieke school in een moslimgebied. Wij willen kinderen met een handicap een plek bieden op school. Hun problemen zijn anders. Het contact bloedt dan snel dood.”

Coördineren
Riky de Roo, Stichting HoPe
“Onze stichting zet zich in voor Hooglandindianen in Peru. HoPe Peru, onze partnerorganisatie in Cusco, werkt samen met enkele andere stichtingen met dezelfde doelstelling. Dat zijn niet alleen lokale en regionale Peruaanse organisaties, maar ook een aantal kleinschalige Nederlandse stichtingen. De samenwerking met de stichting Spelende Wijs is hiervan een mooi voorbeeld. Spelende Wijs heeft, in tegenstelling tot HoPe, geen permanente vertegenwoordiging in Cusco. Daarom heeft die organisatie ons team gevraagd om de uitvoering van hun projecten, zoals activiteitenbegeleiding en ‘spelen en leren’ van indianenkinderen, te coördineren. Het contact tussen HoPe en Spelende Wijs is door de jaren heen gegroeid: de oprichtster van Spelende Wijs heeft eerst als vrijwilligster bij HoPe gewerkt. Op haar vraag hebben we zonder aarzelen ‘ja’ gezegd. Dat moeten wij onze Nederlandse financiers wel uitleggen. Zij willen weten wat ons aandeel is in deze projecten en waar wij precies verantwoordelijk voor zijn.”

Kleinschalige ontwikkelingsorganisaties werken zelden samen. Dat valt niet alleen Hans Vissenberg van Centrum Internationaal op. Ook organisaties die het werk van vrijwilligersgroepen onderzoeken en ondersteunen, zoals het CIDIN, Wilde Ganzen en het COS, merken dat kleinschalige goededoelenorganisaties het liefst alleen werken, met hun eigen vrijwilligers en hun eigen contactpersonen in Afrika of Latijns-Amerika. Hans Vissenberg. “Ons mooie proefproject willen we graag uitbreiden: wat wij hebben gedaan, kunnen andere scholen misschien ook proberen. De vraag is hoe we die andere scholen bereiken. Daarvoor willen we graag gebruikmaken van het netwerk van anderen. Er zijn vast meer organisaties die scholen in Ethiopië steunen. Je kunt dan kennis en contacten uitwisselen.”

Kleine stichtingen lijken zo druk bezig om hun eigen wiel uit te vinden, dat ze niet eens merken dat anderen al bezig zijn met het produceren van de banden. Ondersteunende organisaties zien dat soms met lede ogen aan. “Uitvoerders van projecten zitten met dezelfde problemen en trappen in dezelfde valkuilen”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Ze beginnen bijvoorbeeld met het inzamelen van lesmateriaal voor een school in Afrika. Andere organisaties hebben allang ervaren dat dat doorgaans weinig zinvol is. Het is daarom ontzettend belangrijk dat mensen hun kennis en expertise delen. Zo kun je elkaar voor missers behoeden en zorgen dat je project effectiever wordt.”

Vuistbijl

Niet samenwerken, geen kennis delen, dat betekent kansen missen op vooruitgang. Hoe groot die gemiste kans kan zijn, maakt bioloog en schrijver Matt Ridley duidelijk in zijn boek De Rationele Optimist. Daarin trekt hij een onverwachte lijn tussen een vuistbijl en een computermuis. De vuistbijl is gemaakt door één mens en bedoeld voor diezelfde mens. Aan de uitvinding van de computermuis hebben miljoenen mensen hun vindingrijkheid, kennis en arbeid bijgedragen. Onze vooruitgang, zegt Ridley, danken we aan ons vermogen om samen te werken, ideeën uit te wisselen en onze krachten te bundelen. In de steentijd wist iedereen hoe hij een vuistbijl moest maken, maar niemand kwam een stap verder. Vandaag kan niemand zelf een computermuis moet maken, maar samen kunnen we dat wel.

Financieren
Frits Brouwer, Stichting Ecologische Landbouw Projecten Ghana
“Onze stichting wilde een vakschool financieren voor landbouwonderwijs. Daar was veel geld voor nodig, zowel voor de bouw als voor het runnen van die school. Via het Holland-Ghana Platform kende ik Equal Opportunity Fund (EOF). Ze zeiden: ‘Wij werken ook aan landbouwonderwijs. Kunnen we het samen doen?’ Die kans greep ik met beide handen aan. Het EOF had een budget dat aanvulde wat wij tekort kwamen. Zo werd het een gezamenlijk project. We werken bovendien samen met mensen van Stichting Bouwen, die de regie voeren over het bouwproject. Zij geven advies over de tekening, de constructie en de materialen en wij betalen hen daarvoor. Maar dat verdienen we dubbel en dwars terug. Ze kwamen met het advies om niet één groot, maar twee kleinere schoolgebouwen neer te zetten, wat uiteindelijk goedkoper uitvalt. Dat zouden we nooit zelf hebben bedacht. Onze eigenheid inleveren? Zo heb ik dat nooit gevoeld. Het gaat om wat we dáár voor elkaar krijgen.”

De boodschap van Ridley is niet alleen bedoeld voor uitvinders van computermuizen. Hij is ook interessant voor mensen die een einde willen maken aan armoede en ongelijkheid. Sterker nog, de oproep om samen te werken, geldt in het bijzonder voor hen. Veel kleinschalige ontwikkelingswerkers beginnen immers als amateur, zonder veel kennis en ervaring, met weinig mankracht en nog minder tijd. Het ligt dan ook voor de hand dat juist zij elkaar opzoeken. Om te leren, om krachten bundelen en om ervoor te zorgen dat ze samen tot nieuwe en betere projecten komen.

Die vanzelfsprekendheid staat in schril contrast met de praktijk van het kleinschalige ontwikkelingswerk. Het is de vraag of dat erg is. Is het een probleem wanneer organisaties liever zelf ontdekken hoe het moet, desnoods met vallen en opstaan? Het antwoord is ja. Want wie zich inzet voor mensen aan het andere eind van de wereld, is verplicht omdat zo goed mogelijk te doen. En wie denkt alles zelf te kunnen, vergroot de kans dat hij het project minder efficiënt uitvoert. En dat hij fouten maakt. En dat hij, uiteindelijk, minder kan betekenen voor de mensen voor wie hij zich inzet. Dat hoeft geen ramp te zijn. Maar het is wel iets om bij stil te staan.

Schaars

Ook iets om te overdenken is de vraag waarom het veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties zoveel moeite kost om elkaar op te zoeken en het contact te benutten. Een voor de hand liggende belemmering is een praktische. Samenwerken kost tijd. Je moet om je heen kijken. Weten welke organisaties er nog meer zijn. Vertrouwen opbouwen. Kijken wat je samen kunt doen. En juist die tijd is voor veel vrijwilligersgroepen een schaars goed. Dat ervaart ook Frits Brouwer, een van de initiatiefnemers van het Holland-Ghana Platform, een losvast samenwerkingsverband voor groepen met projecten in Noord-Ghana. “Je moet het allemaal organiseren”, zegt Brouwer. “Je moet een website optuigen en bijhouden. Je moet af en toe bij elkaar komen. Dat kost allemaal tijd. En je wilt je geld en inspanning toch zoveel mogelijk inzetten voor je eigen project.”

Netwerken
Els Govers, Platform Zimbabwe
“Vier jaar geleden heb ik het initiatief genomen voor het Platform Zimbabwe. Ik vond dat veel kleinschalige ontwikkelingsorganisaties te solistisch werkten. Mijn doel is mensen bijeen te brengen, ervaringen te laten uitwisselen en kritisch naar elkaar te laten kijken.
Zo’n 25 organisaties zijn aangesloten. Mensen blijken elkaar eerst te vinden op praktisch terrein. Iemand stuurt een container naar Zimbabwe en biedt aan spullen van andere organisaties mee te nemen. Maar een open discussie vindt de website van ons platform amper plaats. Mensen steken het liefst tijd in hun eigen project.
Toch gebeurt er achter de schermen meer. Mensen bouwen netwerken op, bezoeken elkaars projecten en maken van elkaars diensten gebruik.
Uitwisseling moet verder gaan dan ‘samen een container sturen’. Met een vijfkoppige werkgroep denken we na over de toekomst: willen we bijvoorbeeld gaan samenwerken met grote organisaties?”

Tijd is niet het enige bezwaar. Het ontbreekt vrijwilligers ook aan het idee dat ze iets aan elkaar kunnen hebben. Wie betrokken is bij een landbouwproject voor Indianen in Bolivia, meent dat hij weinig te zoeken heeft bij een groep die zich inzet voor weeskinderen in India. “Vaak is dat ten onrechte”, zegt Natasja Insing van Wilde Ganzen. “Veel lessen uit het kleinschalig ontwikkelingswerk zijn uitwisselbaar en staan los van een land of project. Mensen lopen tegen vergelijkbare problemen aan. Ze worstelen bijvoorbeeld met de vraag of je de de mensen om wie het gaat kunt laten bijdragen aan een project. De een zegt dat dat onmogelijk is, omdat de doelgroep te arm is. De ander steunt echter een scholenproject waarbij ook arme gezinnen een deel van het schoolgeld zelf opbrengen. Ze kunnen elkaar tips geven over de aanpak.” Ook goed communiceren met partners in ontwikkelingslanden, creatief fondsen werven en projecten evalueren zijn onderwerpen die bij alle projecten aan de orde zijn. Insing: “Het blijkt mensen echter te veel tijd en energie te kosten om boven hun concrete project uit te stijgen.”

Naast ‘geen tijd hebben’ of ‘het nut ervan niet inzien’, ligt het grootste obstakel misschien wel op het emotionele vlak. Veel vrijwilligers voelen zich met huid en haar verbonden met ‘hun’ project. Ze putten immense voldoening uit het feit dat ze het zélf doen. Het is de voldoening die je voelt wanneer je je eigen tomaten oogst. Of wanneer het lukt om zelf de badkamer te betegelen. Sommigen noemen dat ronduit eigenwijs, eigengereid of halsstarrig. Natasja Insing van Wilde Ganzen houdt het positief: “Mensen die een project in het Zuiden ondersteunen, zijn vaak doeners. Ze zijn sterk gemotiveerd en hebben een grote wilskracht. Daar hoort ook bij dat je het allemaal graag zelf uitzoekt.”

Goed bezocht

Wie van de vuistbijl een computermuis wil maken, moet de eigenzinnigheid echter voorbij. Anno 2011 zien we dit terug in trainingen, ontmoetingsdagen en netwerkbijeenkomsten voor kleinschalige ontwikkelingsorganisaties. Het goede nieuws is dat er de afgelopen jaren een forse groei is van evenementen als deze. En dat zij vaak goed worden bezocht. Zo trok de recente ontmoetingsdag van Wilde Ganzen ruim driehonderd mensen. Collega-organisatie Impulsis moest de inschrijvingen voor zijn jongste partnerdag voortijdig sluiten wegens te grote belangstelling. Ook landenplatforms en websites bouwen bruggen tussen PI’ers. Op myworld.nl, de website van dit magazine, kwam een stroom reacties op gang nadat een lezeres haar dilemma rond een project in Afrika met anderen deelde.

Campagne voeren
Dik Bol, Stedenband Haarlem-Mutare

“Samenwerken zit ons in het bloed. We zijn een kleine organisatie met weinig geld. En we hebben niet zelf alle goede ideeën in ons hoofd. Door dingen samen te doen, krijg je iets terug. Zo vingen we een tijd terug signalen op dat er in Zimbabwe een enorme leeshonger is, maar ook een groot gebrek aan boeken. Samen met theatermaker Rieks Swarte organiseerden we de campagne ‘Leeshonger’. Met alle bibiotheken in de regio Kennemerland hebben we twee voorleesavonden gehouden met prominente schrijvers als Herman Koch en Renate Dorresteijn. Ze lazen voor uit werk van Zimbabwaanse auteurs. De bibliotheken voerden bovendien actie voor het inzamelen van boeken. Resultaat: vijfduizend boeken en een nieuwe bibliotheek in Hobhouse, een wijk in de stad Mutare, gerund door lokale vrijwilligers.Je moet ruimte in je hoofd hebben om zulke dingen te doen. Nu maken we ons zorgen om geld, waardoor we te veel naar binnen kijken en niet meer openstaan voor wat er om ons heen gebeurt.”

Op deze plekken weten vrijwilligers elkaar te vinden. Ze leren er bijvoorbeeld hoe ze een beter projectplan moeten schrijven. Het brengt hen op ideeën hoe ze het vastgelopen contact met ‘hun’ school in India vlot kunnen trekken. Het helpt hen, om bij Matt Ridley te blijven, om een betere vuistbijl te maken. Maar het blijft een vuistbijl.

Om écht een stap verder te zetten, op weg naar een computermuis, is uitwisseling alleen niet genoeg. Het is samenwerking die uiteindelijk tot iets nieuws leidt. Tot iets beters. Tot iets voorbij de vuistbijl.

Veel duurder

Dat zien we terug in partijen die écht de handen ineenslaan. Zoals bij de drie stichtingen die samen een vakschool voor landbouwonderwijs bouwen in Ghana: Stichting Equal Opportunity Fund (EOF), Stichting Ecologische Landbouw Projecten Ghana (ELPG) en Stichting Bouwen. De organisaties troffen elkaar op een ontmoetingsdag van Partin, de brancheorganisatie voor kleinschalige particuliere initiatieven. Frits Brouwer van ELPG: “Zonder EOF hadden we het geld voor dat gebouw nooit bij elkaar gekregen, en zonder de kennis van Stichting Bouwen was het gebouw veel duurder geworden. Wanneer een van ons drieën het project op eigen kracht had willen uitvoeren, was deze school er nooit gekomen.”

Voorbeelden zoals deze zijn schaars. Maar ze laten wel zien dat het de moeite waard is stil te staan bij de kansen die samenwerking met anderen biedt. Ze dwingen je je af te vragen waar je mee bezig bent: zit je nog steeds je eigen vuistbijl te slijpen? Of sleutel je aan de ontwikkeling van een computermuis?

In het veld

Bas Hoevenaars was als projectleider voor de Stichting Bouwen vijf maanden lang ‘de man in het veld’ bij de bouw van de landbouwschool in Sirigu, Noord-Ghana, een samenwerkingsproject met de stichtingen EOF en ELPG. Hoe verging het hem en zijn Ghanese partner?

“Ik heb er van genoten”, zegt Bas Hoevenaars. Maar het project was ook behoorlijk complex. ELPG en het Equal Opportunity Fund waren zijn opdrachtgevers aan de Nederlandse kant. Beide organisaties mailden regelmatig met praktische vragen. Ook Wilde Ganzen, die het project financieel ondersteunt, meldde zich tussentijds om de voortgang te beoordelen.En aan de Ghanese kant had hij te maken met Peter Anoah van het Sirigu Ecological Initiative for Sustainable Development SEISUD.
Pech in het veld maakte het nog ingewikkelder. Voor de biologische landbouwschool was gekozen voor een ‘organische’ bouwtechniek, waarbij aarde, modder en een beetje cement in een houten bekisting uitharden tot fraaie, natuurlijk ogende muren. Vanwege hevige regenval lukte het uitharden niet en stokte de bouw. “Het was vreselijk en ondraaglijk”, zegt Peter Anoah van SEISUD.
Hoevenaars merkte dat zijn opdrachtgevers de voortgang van het project vooral van hem wilden horen en Anoah soms oversloegen. Elke twee weken verzorgde hij een voortgangsrapportje met foto’s. Anoah zelf heeft daar niet onder geleden, zegt hij. Vooral de samenwerking met Hoevenaars, die bij hem thuis logeerde, beschrijft hij als ‘hartelijk’. “En over een paar maanden kunnen we het eerste gebouw opleveren.” Ook Hoevenaars houdt er een goed gevoel aan over. “Ik kon veel overlaten aan mijn voorman, die ook de communicatie verzorgde met de werkers die geen Engels spraken. Van de vijftien werkers waren er toch zeker drie die doorhadden dat ze nieuwe opdrachten konden verdienen door goed mee te werken.”

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief