De vele NGO’s die de afgelopen decennia in Indonesië zijn ontstaan, aarzelen om structurele veranderingen voor armen te eisen. Ze beperken hun werk tot noodhulp aan geloofsgenoten. Dat stelt de religiewetenschapper Hilman Latief (Tasikmalaya, 1975) die op 30 augustus promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Hij bestudeerde de recente geschiedenis van NGOs in zijn geboorteland Indonesië,…

De vele NGO’s die de afgelopen decennia in Indonesië zijn ontstaan, aarzelen om structurele veranderingen voor armen te eisen. Ze beperken hun werk tot noodhulp aan geloofsgenoten.

Dat stelt de religiewetenschapper Hilman Latief (Tasikmalaya, 1975) die op 30 augustus promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Hij bestudeerde de recente geschiedenis van NGOs in zijn geboorteland Indonesië, het grootste moslimland ter wereld. Dragen zij bij aan de oplossing van het armoedeprobleem en het creëren van gelijke kansen?

Groeiende middenklasse

Liefdadigheid in Indonesië bestond lange tijd uit directe hulp van welgestelden aan armen. De elite gaf aalmoezen, bouwde huizen voor de armen in de eigen (Moslim) gemeenschap, of zorgde voor een weeshuis, kerk, school of ziekenhuis in het dorp. Dankzij de economische voorspoed ontstond in de jaren negentig een grote groep nieuwe weldoeners: moslims uit de groeiende middenklasse. Er kwamen NGO’s zoals Dompet Dhuafa, Rumah Zakat Indonesia, DPU-DT, AAPen Bulan Ssabit Merah Indonesia. Deze NGO’s richten zich op armoedeverlichting, maar ook op religieuze en politieke activiteiten. Zij slagen er in ook nationaal te opereren. Dompet Dhuafa (DD), bijvoorbeeld, is een initiatief van de nationale krant Republika, die landelijk donateurs werft. Latief (Tasikmalaya, 1975) bestudeerde ontwikkelingsprojecten op vier belangrijke thema’s: gezondheidsvoorzieningen voor armen in sloppenwijken, ontwikkelingsprojecten voor tienermeisjes uit lage inkomenshuishoudens, dakwah (‘missie’)-activiteiten en hulp aan de Palestijnen.

Versnipperd

De wetenschapper concludeert dat Indonesische NGOs zich veelal beperken tot kortetermijnhulp: voedselhulp, kleding en onderdak. Ze aarzelen om in de politieke sfeer te treden en te proberen om meer rechten en kansen te eisen voor minderbedeelden. Hierdoor ‘concurreren’ de verschillende organisaties met elkaar in plaats van structurele vooruitgang te boeken. De belangrijkste oorzaak hiervan ziet Latief in de versnipperdheid.  Religieuze en culturele verwantschap blijft essentieel bij de vorming van NGOs. Zij neigen hun werk te beperken tot nauwkeurig gedefinieerde begunstigden die dezelfde godsdienst of dezelfde stroming binnen de godsdienst. Latief twijfelt zelfs of NGOs niet meer betekenen voor de gevers dan de ontvangers. Zij versterken hun onderlinge netwerk en profileren zich als weldoeners. “Zonder betere samenwerking en het ontwikkelen van een gezamenlijke visie zullen de liefdadigheidsorganisaties geen oplossing vormen voor het complexe armoedeprobleem in Indonesië”, betoogt Latief.

Hilman Latief promoveert op 30 augutus 2012 aan de Universiteit Utrecht. Zijn proefschrift is getiteld ‘Islamic Charities and Social Activism. Welfare, Dakwah and Politics in Indonesia’. Promotor is Martin van Bruinessen, emeritus hoogleraar Arabische en Islamitische studies. Hilman Latief is momenteel docent aan de Faculty of Islamic Studies, University Muhammadiyah Yogyakarta (UMY).

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief