Wat een feest. Denk ik dan. Wat een voorrecht. Iets te ontdekken wat niet eerder deel van je leven is geweest. En nog wel in Ghana, een van die landen in Afrika die zich erop toe lijken te leggen om het verblijf van gasten zo aangenaam mogelijk te maken.
Ik ken de man, een Nederlander, niet persoonlijk; ik kom hem in Ghana enkel tijdens een afspraak met iemand anders heel even tegen. Die ander is ook een Nederlander, en zal de gastheer zijn in de hoofdstad Accra, waar hij een even ruim als aangenaam huis bewoont.
Om het met een bijna in onbruik geraakt woord te zeggen: Die Nederlandse gast boft toch maar.

Vreemde insecten

Denk ik dan. Maar ik hoor dat hij zijn allereerste uren in Ghana, ‘s avonds buiten op de veranda doorgebracht, toch ‘een beetje eng’ heeft gevonden. Want ja, vreemde insecten, en zo. Afrika, en zo.
Ik kan het begrijpen. En ik kan het niet begrijpen. Om met het tweede te beginnen: ik schreef niet voor niets dat Ghana het zijn bezoekers zo aangenaam mogelijk lijkt te maken. Het is een opmerking die is gebaseerd op mijn eigen observaties en ervaringen. Dus wat zeurt zo’n man nou?

Hij heeft het over ‘Hutsi’s en Tutu’s’ en ik moet moeite doen niet in de lach te schieten.

Maar toch kan ik het begrijpen. Of beter gezegd: ik moet het begrijpen. Het ‘enge’ gevoel van de man afdoen als enkel gebaseerd op dommige vooroordelen, doet hem ongetwijfeld te kort. De schuld van een verkeerde inschatting van de situatie, als daarvan al sprake is, ligt niet bij hem. Die ligt bij mijzelf.

Een sprong terug in de tijd, naar 1998. Voor ik aan de slag ga als Afrika-correspondent, spreek ik in Nederland met een collega over Rwanda, het land waar ik zal gaan wonen. Hij heeft het over ‘Hutsi’s en Tutu’s’ en ik moet moeite doen niet in de lach te schieten. Want weet hij dan na jaren verslaggeving over Rwanda (genocide, en zo; Afrika, en zo) nog steeds niet dat het gaat om Hutu’s en Tutsi’s?

Na al die jaren

Blijkbaar niet. Is het nu veel anders? Gisteravond, thuis in Nairobi, sprak ik met een Nederlandse collega aan de telefoon over Burundi. En jawel, hij had het over ‘Hutsi’s’. En dat na al die jaren waarin ikzelf vanuit Afrika verslag heb gedaan.

Ik moet het begrijpen. Ik heb als journalist mijn werk niet goed genoeg gedaan.
Ja, misschien wel voor u, lezer van OneWorld. U wist wellicht alles al over de conflicten tussen etnische groepen in Centraal-Afrika, toen mijn journalistieke blik nog op heel andere delen van de wereld was gericht. U hoef ik niets wijs te maken.
Of toch wel?

Opdat Hutsi’s weer Hutu’s kunnen worden, en ‘eng’ kan veranderen in ‘boeiend’

Vooroordelen, leer mij wat, kunnen uiterst hardnekkig zijn. Als het gaat om het continent waar ik als correspondent actief ben, pretendeer ik mijn werk met open vizier te verrichten. Gewoon, omdat dat zo hoort. Maar ook in de hoop daardoor bij lezers, luisteraars en kijkers in Nederland mogelijke vooroordelen weg te nemen en een betere kijk op ontwikkelingen in Afrika mogelijk te maken. Opdat Hutsi’s weer Hutu’s kunnen worden, en ‘eng’ kan veranderen in ‘boeiend’.

Die poging houdt mij inmiddels al een poosje bezig. OneWorld geeft me vanaf nu de gelegenheid om maandelijks mijn kijk op Afrika ook eens op een andere manier te presenteren.

Boeiend wel. Denk ik dan.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Kees Broere is de Afrika-correspondent van onder andere de Volkskrant. Hij woont en werkt sinds 1998 in Nairobi, Kenia. Vanaf maart 2012 is …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief