De vraag hoe de wereld beter kan, moeten we niet uitbesteden aan traditionele ontwikkelingsorganisaties, maar gebruiken als uitgangspunt voor nieuwe vormen van betrokkenheid, betoogt Daniel Knoop. Hij verruilde zijn baan bij de Verenigde Naties voor een eigen cassaveverwerkingsbedrijf in Congo.

Toen ik van 2006 tot 2009 voor de Verenigde Naties in Centraal-Afrika werkte, kwam het regelmatig voor dat Afrikaanse partners in slaap vielen tijdens workshops. Ik kon me dat wel voorstellen: onze kunstmatige concepten hadden vaak weinig raakvlak met hun werkelijkheid. We waren niet zo interessant, behalve dan vanwege onze status en ons geld.
Wat dat aangaat is er weinig veranderd. Een vriend vertelde onlangs over een strategiesessie van enkele ontwikkelingsorganisaties. In het kort kwam het er op neer dat het Nederlandse ICCO zich wilde profileren als ‘innovator in sociaal ondernemerschap’, maar toegaf ook niet precies te weten hoe dat dan zou moeten.

Ik zou zeggen: schoenmaker, blijf bij je leest. Maar wat is die leest van ontwikkelingsorganisaties eigenlijk? Vele trends gingen de belangstelling voor sociaal ondernemerschap voor. In een lange traditie van paradigmaverschuivingen zagen we eerder allerhande economisch jargon ten tonele verschijnen. Relevante thematiek, maar de aandacht voor economische ontwikkeling heeft weinig goede ideeën opgeleverd om hier vanuit de ontwikkelingssamenwerking aan bij te dragen.

Ondernemerschap
Investeren in verantwoord ondernemerschap is misschien wel de meest effectieve manier om blijvende verandering en ondernemerschap teweeg te brengen. De Nederlandse ontwikkelingsorganisatie SNV, waarmee ik namens de VN in Kameroen samenwerkte, liep destijds voor de troepen uit. De organisatie worstelde echter met de vraag hoe ze aan duurzame verandering kon bijdragen en schakelde adviesbureau Berenschot in. Uiteindelijk stond de nieuwe strategie van SNV vol gelikte concepten, maar concrete ideeën ontbraken.

Naar de buitenwereld communiceerden wij (namens de VN en SNV, red.) echter grote kundigheid en hoogdravende doelstellingen – een voorwaarde om donorgeld binnen te slepen. Maar waarom investeerden we niet gewoon écht in Afrikaanse ondernemers? Die vraag luidde het einde in van mijn carrière als ontwikkelingswerker.

Volgens mij ontbeert het ontwikkelingsorganisaties aan de juiste cultuur en ervaring om ondernemers effectief te helpen. Ze komen voort uit schuldgevoel, medelijden, naastenliefde, maakbaarheidsidealen of dienen ter compensatie van nationale realpolitik. Het donorkader is bepalender dan lokale kansen. Vandaar die slapende Afrikaanse partners.

De jarenlange conditionering van ontwikkelingsorganisaties door donorgelden heeft een dure cultuur doen ontstaan die haaks staat op ondernemerschap. Om iets voor ondernemers in ontwikkelingslanden te betekenen, moet je als een ondernemer kunnen denken. Je oplossing moet uiteindelijk meer opleveren dan die heeft gekost.

De pijnlijke waarheid: wie zich structureel onttrekt aan economische wetten door zich afhankelijk te maken van subsidies, loopt het risico overbodig te worden.
Wie op zoek is naar structurele oplossingen, doet er dan ook goed aan om wereldproblematiek niet langer uit te besteden aan traditionele ontwikkelingsorganisaties.

Groter probleem
Het afnemende vertrouwen in ontwikkelingssamenwerking als hapklare oplossing legt echter een groter probleem bloot: wij, wereldburgers, worstelen met enorme vraagstukken die steeds meer grensoverschrijdend zijn.
Die worsteling laat zich begrijpen in het licht van de globalisering. In de huidige wereld liggen onze grootste uitdagingen buiten de grenzen van onze directe invloedsfeer. Ze liggen in Europa, in handen van wereldleiders, of in de jurisdictie van onbetrouwbare overheden. Onze afnemende invloed leidt tot een wankelend vertrouwen in ons vermogen de toekomst vorm te geven.
Daar komt bij dat we verblind zijn door profijt op korte termijn. Een aandeel in een beursgenoteerd bedrijf blijft tegenwoordig gemiddeld zo’n drie weken in handen van één eigenaar. Vroeger was dat, zeg, tien jaar. Huizenbubbels, exotische financiële producten – de financiële markten hebben overwegend oog gehad voor de korte termijn.

Neem risico!
Die eenzijdige focus is funest, want de grootste uitdagingen waar wij voor staan vragen om langetermijninvesteringen en een bereidheid om risico’s te nemen die verder gaan dan een gokje op de beurs. De vraag die daarom centraal staat in mijn werk als cassavemeelproducent in Congo is: in wat voor wereld wil ik leven? Ploegen we eerst de laatste biodiversiteit om, of investeren we nu – nu het nog kan – in hoogproductieve landbouw? Onze investeringen moeten niet zijn ingegeven door winstbejag op korte termijn, maar door kansen om toekomstige welvaart te creëren.

Ontwikkelingsorganisaties zouden er goed aan doen zich minder te laten leiden door de vraag hoe subsidies op korte termijn voor hun overleving kunnen zorgen. Als je een idee denkt te hebben dat écht goed is, neem dan het risico dat nodig is om er een succes van te maken.

Daniel Knoop is oprichter en eigenaar van het bedrijf Cassava Solutions Congo. Zijn cassavemeelfabriek, op 325 km van de Congolese hoofdstad Kinshasa, biedt boeren  voor het eerst in bijna veertig jaar weer uitzicht op een inkomen. Van 2006 tot eind 2009 werkte Daniel in Centraal-Afrika voor FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Deze bijdrage is onderdeel van een langer artikel dat hij nog over dit onderwerp wil publiceren.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief