In het onderwijs lijkt iedereen het er over eens: het is belangrijk leerlingen door burgerschapsonderwijs voor te bereiden op hun toekomst in de Nederlandse samenleving. Méér en beter dan dat dit nu gebeurt. Maar hoe kunnen docenten, schoolleiders én beleidsmakers burgerschapsonderwijs stimuleren? Bram Eidhof deed onderzoek naar factoren die kunnen bijdragen aan effectief burgerschapsonderwijs, en vond dat onder andere investeren in taalvaardigheid daarbij een rol kan spelen.

Eidhof licht zijn onderzoek toe. "Hoewel in de afgelopen jaren op allerlei manieren is gewerkt aan het versterken van burgerschapsonderwijs, stagneert de ontwikkeling ervan volgens de Inspectie van het Onderwijs. Het ministerie verplichtte in 2006 aandacht voor ‘actief burgerschap en sociale integratie’ in het basis- en middelbaar onderwijs, maar laat de invulling over aan de scholen zelf. Volgens docenten en schoolleiders is er weinig tijd, en de tijd die er is besteden ze misschien wel liever aan de basisvaardigheden zoals taal en rekenen. Maar diezelfde docenten en schoolleiders willen hun leerlingen wél zo goed mogelijk voorbereiden op deelname in de Nederlandse samenleving en vinden burgerschapsonderwijs dus wel belangrijk. Het is daarom belangrijk te kijken naar wat nu bij kan dragen aan effectief burgerschapsonderwijs."

Combinatie van taal en burgerschap werkt

"Investeren in taalvaardigheden van leerlingen is één van de zaken die daaraan kan bijdragen. Taalvaardigheid blijkt, in tegenstelling tot rekenvaardigheid en intelligentie, positief samen te hangen met burgerschapskennis en –houdingen. Met andere woorden; leerlingen die het Nederlands beter beheersen scoren ook hoger op de lessen in burgerschap. Daarom kan juist de combinatie van specifiek burgerschapsonderwijs én inzetten op taalontwikkeling zorgen voor effectiever burgerschapsonderwijs. Zo kan het onderwijs twee vliegen in een klap slaan.

Over het onderzoek
 

Bram Eidhof promoveerde 15 maart 2016 aan de Universiteit van Amsterdam. Voor zijn onderzoek naar burgerschap maakte hij gebruik van data uit het Cohort Onderwijsloopbanen Onder Leerlingen (COOL) en de European Value Surveys (EVS) studies. Ook organiseerde bij speltheoretische experimenten om onderzoek te doen naar samenwerken, waarin het gedrag van groepen proefpersonen in spanningsvolle situaties werd geobserveerd.

In het onderzoek kwam ook ongelijkheid in burgerschapskennis aan de orde, en dan specifiek de relatie met de taalomgeving. In andere woorden: maakt het nu uit, als je zelf laagtalig bent (een laag taalniveau hebt), of je in een klas zit met allemaal hoogtalige leerlingen of in een klas met allemaal laagtalige leerlingen? Laagtalige leerlingen blijken hoger te scoren op burgerschapskennis in klassen met een gemiddeld hoger taalniveau én vooral ook als er meer variantie is in taligheid (als er meer verschillen zijn in het taalniveau tussen leerlingen)."

Toekomstig docenten beter toerusten

"De combinatie van taal en burgerschapsontwikkeling is één van de effectieve factoren die burgerschapsonderwijs kunnen versterken, maar dat alleen zal niet voldoende zijn. Het kan wel helpen om concreter te maken wat we onder burgerschapsonderwijs verstaan. Daarnaast moet er door de lerarenopleidingen gewerkt worden aan het beter toerusten van toekomstig docenten voor burgerschapsonderwijs. Nog te vaak stellen docenten dat ze niet weten wat ze met maatschappelijke dilemma’s in de klas aan moeten. En voor scholen – schoolleiders en docenten – moet burgerschap tastbaarder worden en beter en moeten ze dit makkelijker in de les kunnen integreren."

Twee soorten burgerschapsdoelen

"Om burgerschapsonderwijs binnen de school en de huidige lessen in te passen, zou je kunnen werken met twee burgerschapsdoelen; consensusdoelen  en ‘contested’ doelen. Over de consensusdoelen bestaat breed gedeelde overeenstemming, ze gaan over algemene democratische waarden en de Nederlandse grondwet. Over de ‘contested’ doelen bestaat meer meningsverschil. Scholen kunnen deze veel meer verbinden aan hun eigen identiteit; een katholieke basisschool kan daarbij een andere nadruk leggen – zoals het belang van de gemeenschap – dan bijvoorbeeld een openbare basisschool. Deze typologie biedt mogelijk houvast bij de vraag waar veel schoolleiders en docenten mee worstelen: wat is goed burgerschap? Ik hoop dat het makkelijker wordt voor docenten en schoolleiders om hiermee zelf een visie op burgerschap neer te zetten, waarbij ook de autonomie van het kind wordt gewaarborgd."

Brede én specialistische benadering

"Burgerschapsonderwijs zal echter pas echt effectief zijn als leerlingen er door de hele school mee in aanraking komen. De lessen maatschappijleraar of levensbeschouwing lenen zich hier goed voor en moeten ook gebruikt worden, om dieper in te gaan op specifieke dilemma’s en deze van allerlei kanten te belichten. Maar burgerschap past ook in ‘technische’ vakken als natuurkunde of scheikunde, denk maar aan discussies over de omgang met afval of het verminderen van CO2-uitstoot. Juist zo’n brede benadering in de school gecombineerd met specifieke verdieping geeft leerlingen de baggage die ze later nodig hebben."

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Lette Hogeling doet bij NCDO onderzoek naar wat Nederlanders weten en vinden van mondiale vraagstukken en hoe dit in hun gedrag tot …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief