Schone lucht, voldoende water en voedsel voor iedereen. Dáár moeten we aan werken in plaats van hulp geven aan arme landen. Maar hoeveel kosten zulke global public goods eigenlijk? En hebben we daar nog steeds de 4 miljard euro uit het ontwikkelingspotje voor nodig?

Als de onderhandelingen in het Catshuis ergens goed voor waren, dan was het wel een verhitte discussie over het nut van het ontwikkelingshulpbudget, ook buiten de muren van Ruttes ambtswoning. Veel voorstanders van ontwikkelingssamenwerking zaten daarbij in een soort spagaat: ja, we willen graag het budget in stand houden, maar nee, we willen niet blijven doen wat we deden. Want zowel voor- als tegenstanders weten: de tijd van schooltjes en ziekenhuizen bouwen is voorbij, en eigenlijk ook die van geld overmaken naar de begrotingen van arme landen.

Wat de hoeders van het ontwikkelingsbudget dan wél willen, is in vier kernpunten te vatten: investeren in plaats van geven, steun bieden aan fragiele staten, ‘mondiaal burgerschap’ bevorderen en verantwoordelijkheid nemen voor mondiale publieke goederen. Deze global public goods (GPG’s) zijn de nieuwe buzzwords van de internationale samenwerking. We moeten met z’n allen werken aan schone lucht, voldoende water, voedselzekerheid, wereldwijde gezondheid en financiële stabiliteit. Dáár, maar ook zeker hier, want wat we hier doen en laten, heeft daar ook grote effecten. Dat klinkt mooi, maar de vragen dienen zich meteen aan. Onder wiens verantwoordelijkheid vallen de GPG’s? Onder die van de Verenigde Naties, afzonderlijke landen, of is het ieder voor zich? En, niet onbelangrijk in tijden van bezuinigingen, hoeveel kosten die GPG’s ons eigenlijk? Is het huidige budget voor ontwikkelingssamenwerking te hoog, te laag of precies goed?

Nieuwe agenda, nieuw prijskaartje
Om te beginnen met die laatste vraag: we hebben geen idee welk prijskaartje er aan het oplossen van alle wereldproblemen hangt, zo blijkt uit een rondgang van OneWorld, en of ze met het huidige hulpbudget aan te pakken zijn. De meest gehoorde reactie: ‘Vast meer dan de huidige 4 miljard. Er moet zo veel gebeuren…’
Een eerder verkennend onderzoek naar de ‘invloed van global public bads (de andere kant van de ‘goods’, dus klimaatverandering, onveiligheid, waterschaarste etc.) op ontwikkelingslanden’, naar aanleiding van een Kamervraag van Arjan El Fassed (Groenlinks) leverde ook geen bevredigend antwoord op. De kosten en invloed daarvan zijn ‘niet te kwantificeren op individuele partnerlanden’.

Volgens Nanno Kleiterp, directeur van ontwikkelingsbank FMO, is best een inschatting te maken van het prijskaartje dat aan de GPG’s hangt. “Op dit moment betalen alle rijke landen samen 140 miljard per jaar aan hun ontwikkelingsbudget (ODA, Official Development Aid, red.). Een onderzoek van de Wereldbank beraamt de kosten voor een Klimaatveranderingsfonds op 150 miljard per jaar. Bijna gelijk aan ODA dus, al komen daar nog de kosten voor aanpassingen in de eigen landen bovenop – naar schatting 70 tot 100 miljard per jaar. En dan hebben we ’t enkel nog over geld om in te spelen op klimaatveranderingen.”
Het toonaangevende Centre for Global Development (CGD) bestempelde de officiële ‘ODA’-hulp drie jaar geleden al als ‘stervende’. Want de wereld is veranderd. In het ‘rijke’ Westen woedt de crisis. Veel landen in Afrika kennen een economische groei van meer dan 7 procent. Landen die vroeger arm waren, zoals China, India en Brazilië, zijn opkomende wereldmachten. Toch herbergen deze middeninkomenlanden meer dan de helft van de armen in de wereld. En het moge duidelijk zijn: het sturen van ‘wit’ geld naar ‘zwart’ Afrika is daarvoor geen oplossing.

Moeten we ‘ODA’ dan maar afschaffen? Of er een miljard afsnoepen, zoals het kabinet van plan lijkt (we schrijven dit voor de uitkomsten van de Catshuis-onderhandelingen bekend zijn)?
Nee, adviseert het CGD. We moeten ODA omvormen tot Global Policy Finance. Te gebruiken voor ‘het promoten van economische groei in ontwikkelingslanden, het bevorderen van menselijk welzijn en het voorzien in global public goods’. De oude ODA-norm voor rijke landen van 0,7 procent van het Bruto Nationaal Inkomen zou gebruikt moeten worden om één van de drie onderdelen te financieren. In totaal moeten rijke landen 1 à 1,5 procent reserveren – in het geval van Nederland dus richting 8 miljard.

Hoge heren
Kees Zevenbergen, voormalig ontwikkelingswerker voor organisatie SNV en nu ‘vrij man’ in de hulpsector, maakt zich geen zorgen over het prijskaartje: “Investeren in de mondiale publieke goederen is in ons eigen belang en nodig om de wereld goed achter te laten voor onze kinderen, dus veel makkelijker uit te leggen dan armoedebestrijding ver weg. Het idee leeft ook bij de hoge heren in het bedrijfsleven.” Niet voor niets investeren Unilever, Friesland Campina, Ahold en vele andere bedrijven in de verduurzaming van hun productieketens. De woordvoerders ontwikkelingssamenwerking in Den Haag zien ook het belang van de publieke goederen, zegt Zevenbergen. En staatssecretaris Knapen maakte de GPG’s met zijn speerpunten voedsel, water en vrede en veiligheid zelfs tot basis van zijn beleid. Al is het wachten nog steeds op de door Knapen aangekondigde ‘globaliseringsagenda’, waarin de inzet van het hele kabinet duidelijk wordt.

Lappendeken
PvdA-woordvoerder internationale samenwerking Jeroen de Lange vindt dat Nederland het voortouw zou moeten nemen bij drie mondiale problemen. “Waterschaarste, voedselzekerheid en Internationaal recht, want Den Haag is ‘the legal capital of the world’. Dat sluit mooi aan bij de speerpunten die Knapen al heeft benoemd.”
Maar wat doet Knapen straks met een gesnoeid budget? Als er bezuinigd moet worden, is dat het makkelijkst op ‘nieuw beleid’. Dat ligt namelijk niet vast in allerlei contracten en langjarige afspraken. De reserveringen voor Knapens speerpunten staan dus zwaar onder druk.

Misschien is dat niet zo vreselijk als het klinkt. De oude hulp betekende grote bedragen verplaatsen van Noord naar Zuid, van regering naar regering. In de nieuwe agenda gaat het vooral om afspraken maken, verantwoordelijkheid nemen – die niet meteen geld kosten. En ze vragen vooral om een goed functionerend en krachtdadig mondiaal bestuur. Daar zit ‘m de crux, zegt Rolph van der Hoeven, hoogleraar ontwikkelingseconomie aan het International Institute of Social Studies. “De VN, Wereldbank, IMF (Internationale Monetaire Fonds en ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) zijn een soort lappendeken, ze willen allemaal hun eigen beleid houden. Regeringen moeten zich sterker maken om dat te veranderen.”

De realiteit is dat bij allerhande internationale onderhandelingen en afspraken – zoals de Doha-rondes over eerlijke handel, de klimaatonderhandelingen in Kopenhagen – weinig resultaten zijn behaald. En volgens de Verenigde Naties besteedden de rijke landen in 2010 89 miljard dollar minder dan afgesproken aan het behalen van de millenniumdoelen, ook zo’n belangrijke internationale afspraak.

Wereldfonds
Dat is deels omdat de GPG’s weliswaar gepresenteerd worden alsof ze politiek neutraal zijn. Maar je hebt altijd winnaars en verliezers. En zelfs als iedereen wel dezelfde belangen heeft, is het moeilijk om tot een overeenkomst te komen. Het zou bijvoorbeeld beter zijn als staten en bedrijven niet vechten om de laatste druppels olie (waarvoor milieu en lokale gemeenschappen vaak een hoge prijs betalen), maar samen zouden investeren in alternatieve energie-technologieën, en de resterende olie tot die tijd via een wereldfonds zouden beheren. Maar als één land of bedrijf niet meedoet en zich op de olie stort, faalt het hele plan. En daarom durft niemand eraan mee te doen.
Daarnaast is er nog het probleem van de ‘free riders’. Als een GPG beschikbaar is, profiteert iedereen daarvan – ook degenen die niet meegeholpen hebben. Het is verleidelijk om te wachten tot andere landen een probleem oplossen.
“Er zijn ook internationale afspraken die wel slagen”, benadrukt Jeroen de Lange. “Als we het maar graag genoeg willen. Denk aan het Internationaal Strafhof dat we hebben opgezet, of aan het verbod op landmijnen en clustermunitie.”

Voortouw
“Nationale en internationale afspraken worden niet gemaakt als leiders er niet voor gaan”, merkt Jan Gruiters, directeur IKV Pax Christi, op. Wat Nederland betreft is de vraag of onze leiders dat wel doen. “Kan een staatssecretaris die én Europa én ontwikkelingssamenwerking doet dat wel?”, vraagt Jeroen de Lange zich af. En daarnaast ook nog de coherentie van het beleid van andere ministeries in de gaten houden? De PvdA’er pleit daarom voor een fair politics agenda bij het ministerie van Algemene Zaken. Die zorgt dat we met onze dumpproducten geen markten verstoren in Afrika bijvoorbeeld. “Iemand met mandaat moet erbovenop zitten.” De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid lanceerde het idee van een algemeen coördinatiepunt. “Maar deze regering hapsnapt uit het WRR-rapport”, zegt Rolph van der Hoeven. “De kritiek op de oude ontwikkelingshulp is opgepikt, maar de ideeën voor innovatie niet.”

Bij de eerste ronde bezuinigingen sneuvelde de 0,1 procent die Nederland bovenop het officiële ODA-geld aan ontwikkeling uitgaf. Dit was het geldpotje dat grotendeels bestemd was voor GPG’s klimaat en energie. Daarover klagen is nu niet meer aan de orde. De angst leeft nu dat het werken aan de global public goods volledig voor rekening van ontwikkelingssamenwerking wordt gebracht.
Terwijl het verzachten van de gevolgen van klimaatverandering, of het stabiliseren van het wereldwijde financiële systeem ook in ons eigen belang zijn. Rolph van der Hoeven: “We belijden met de mond dat global public goods belangrijk zijn, maar willen daar geen implicaties aan verbinden.”

 

Belasting voor banken
Als het Catshuis flink kort op het budget van ontwikkelingssamenwerking, zijn er alternatieve methoden om de GPG’s te financieren. Bijvoorbeeld middels een belasting van 0,1 procent op internationale geldtransacties. Dat levert een constante geldstroom op die kan worden ingezet ten behoeve van de public goods, en heeft een geringe impact op het handelsvolume. Daarnaast maakt de taks de handel in valuta veel minder interessant, en dat draagt bij aan een wereldwijde prijsstabiliteit.

 

GLOBAL PUBLIC GOODS VOOR DUMMIES
Global Public Goods (mondiale publieke goederen) zijn ‘goederen’ binnen het publieke domein die voor alle mensen in de wereld van belang zijn, zoals schone lucht of vrede. ‘Pure’ publieke goederen zijn in beginsel vrij beschikbaar voor iedereen, en als iemand er gebruik van maakt, blijft er voor een ander nog voldoende over.

Meestal worden de mondiale publieke goederen opgedeeld in vijf sectoren: milieu, gezondheid, veiligheid en vrede, kennis en bestuur. Als het aan de markt wordt overgelaten, wordt daar onvoldoende in voorzien. GPG’s houden zich niet aan landsgrenzen. Daarom moeten landen samenwerken om GPG’s te realiseren .

Nederland is een van de landen die het meest profiteren van wereldwijde economische integratie. In 2011 was ons land de vijfde exporteur ter wereld, en exporteerden we goederen ter waarde van 660 miljard dollar. Dat werd mogelijk gemaakt door nieuwe global public goods als telecommunicatie, afspraken voor internationaal transport, en een wereldwijd monetair beleid. Maar Nederland wordt hierdoor ook extra geraakt door global public bads – negatieve effecten van globalisering. Denk aan de bankencrisis die over de grenzen doorwerkt, internetfraude en een grotere kans op ziektes door toegenomen reisverkeer.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelt in het rapport Minder pretentie, meer ambitie dat ‘potentiele mondiale schaarsten en het toenemende belang van mondiale publieke goederen hoog op nationale en internationale agenda’s staan’, en dat het ‘verbinden van de ontwikkelingsagenda met andere terreinen nu kansrijker en urgenter dan ooit is’.

 

Dit artikel verscheen in OneWorld 4, 2012 en is geschreven voor de onderhandelingen in het Catshuis werden afgebroken. Tekening: Martyn F. Overweel.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
sanne_terlingen_hires

Over de auteur

Onderzoeksjournalist

Sanne Terlingen is onderzoeksjournalist voor OneWorld. Ze won de Loep aanmoedigingsprijs 2013 voor haar verhaal over kindersekstoerisme in …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief