Dit artikel maakt deel uit van de serie ‘2015: The future we want’ die OneWorld in 2013 initieerde.    

Joella van Rijn kijkt terug op haar tijd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en zag het visioen van mondiale vrijhandel in een razend tempo vervagen. "Er veranderde in korte tijd zoveel, dat het voor velen voelde als een ware identiteitscrisis."

Gedetacheerd en wel bij het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap heb ik een mooie kans om op afstand naar ontwikkelingssamenwerking te kijken. Waar was ik al die tijd mee bezig? Dat is geen nieuwe vraag. Vooral de laatste vier jaar stelden we die vraag vaak, zowel binnen als buiten het ministerie. Er veranderde in korte tijd zoveel, dat het voor velen voelde als een ware identiteitscrisis. Twee dingen vielen op: De teruglopende interesse voor Beleidscoherentie voor Ontwikkeling (de mate waarin andere beleidsterreinen in lijn zijn met ontwikkelingsdoelstellingen) en het gemak waarmee de lokale verantwoordelijkheid voor de besteding van hulp (local ownership) overboord ging.

Barrières
De aandacht voor de achterliggende oorzaken van armoede is sinds het aantreden van Kabinet Rutte I minimaal geweest. Integratie van arme landen in de wereldeconomie zou bijvoorbeeld een prachtig liberaal thema kunnen zijn, maar dat werd door het Kabinet niet opgepakt. Mondiale integratie komt niet zomaar tot stand. Internationaal beleid van rijke landen werpt bewust of onbewust nog steeds talloze barrières op. Denk aan handelsverstorende landbouwsubsidies. Denk aan invoertarieven op producten als ruwe katoen, die concurreren met de eigen productie en vooral aan hoe die tarieven wereldwijd steeds hoger worden naarmate het product meer bewerkt is. Denk aan Europese vissers die (met steun van de Europese Unie) actief zijn in de viswateren van ontwikkelingslanden. Denk aan exportsubsidies voor tomatenpuree uit Europa. Denk aan kortzichtig arbeidsmigratiebeleid.

Wereldhandel
Steeds weer blijkt dat de Europese Unie – ondanks zijn grote mond over liberalisatie en zijn stelsel van handelsvoordeeltjes voor de armste landen- zijn eigen belangen tot op de millimeter bewaakt. De laatste jaren is het visioen van mondiale vrijhandel verder aan het vervagen, vooral in Nederland, denk ik soms. Ik doe een greep uit het vat van incoherente maatregelen sinds 2007:

Op het hoogtepunt van de voedselprijzencrisis besluit de Europese Unie tot een bijmengverplichting voor biobrandstoffen in de transportsector, waarmee enerzijds de prijzen voor maïs verder onder druk komen te staan en anderzijds de markt voor biobrandstoffen sterk wordt verstoord. Tot verbazing van de internationale gemeenschap besloot Nederland vorig jaar zelfs wat extra gas te geven!

Joella van Rijn werkte tot voor kort bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken als adviseur bij het Directoraat-generaal Internationale Samenwerking (DGIS). Momenteel is zij gedetacheerd bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 
Volg Joella op Twitter: @JPvanRijn.

Het voorgenomen vrijhandelsverdrag tussen de Europa en de Verenigde Staten is een ander triest voorbeeld van de gang van zaken. Een verdrag waar ontwikkelingslanden volledig buiten staan! Je hoeft toch geen handel-diehard te zijn om de tegenstelling te zien in de bewoording ‘bilaterale vrijhandel’?! Verbazingwekkend dat Minister Ploumen, in de eerste week na haar aantreden, dit Europese voorstel zonder enige bedenking omarmde.

Op verzoek van het parlement (motie mw. Ferrier en dhr. El Fassed) startte het ministerie vorig jaar een pilot om het effect van Europees beleid op de economie in Bangladesh en Ghana te meten. Het zal niemand verbazen dat het ontzettend moeilijk bleek om een duidelijk verband te vinden. Er zijn immers zo veel factoren die groei beïnvloeden; marktbarrières vanuit de Europese Unie maken daar slechts een deel vanuit.

Politieke samenwerking
Wat wel opviel was het gebrek aan dialoog tussen onze ambassades en het partnerland op dit punt. Ambassades kunnen een belangrijk doorgeefluik zijn van incoherenties in het buitenland beleid. Maar de partnerlanden zijn niet meer ingesteld op een dergelijke brede dialoog, omdat de samenwerking met Nederland steeds meer thematisch is georganiseerd rond de speerpunten.

Daarmee kom ik op de tweede kwestie, local ownership, dat in de moderne ontwikkelingssamenwerking vrijwel is verdwenen. Nederland gaat in de partnerlanden doen waar wij goed in zijn. Dit is niets meer of minder dan aanbodgestuurde hulp. Zonder iets aan de voor- en tegenargumenten af te doen, is volgens mij een belangrijke negatieve bijwerking dat de dialoog met partnerlanden minder interessant is geworden en er minder aanknopingspunten voor politieke samenwerking uit voortkomen.

Toekomst
En nu naar de toekomst. Hulp verbetert de kwaliteit van leven van mensen maar draagt veel minder bij aan de mondiale veranderingen die nodig zijn voor ontwikkeling. Beleidscoherentie voor Ontwikkeling (de mate waarin andere beleidsterreinen in lijn zijn met ontwikkelingsdoelstellingen) is een instrument waarmee die verandering wél wordt bevorderd.

Mijn advies: breng de lokale verantwoordelijkheid voor de besteding van de hulp op peil en bewaak – samen met partnerlanden – de coherentie van het buitenlandbeleid met ontwikkelingsdoelen.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief