Ibrahim (32) is overgelukkig. Gisteren, vertelt hij, is zijn eerste kind geboren – een zoon nog wel!

Ibrahim – slecht gebit, troebele ogen, onwaarschijnlijk gespierd – is mij net enthousiast de hand komen schudden op de vismarkt van Nouakchott, de hoofdstad van Mauretanië. Voor deze woestijnstaat geldt een negatief reisadvies sinds een serie ontvoeringen van Westerlingen, en dus zijn mijn reisgenoot en ik, bij wijze van geïmproviseerde vermommingen, naar Nouakchott gereden getooid in tulbanden.Volgens mijn Lonely Planet – onafscheidelijk metgezel van de zichzelf respecterende globetrotter – is de vismarkt hét hoogtepunt van Nouakchott, dat verder vooral stof te bieden heeft. Ik vind het er onaangenaam. Een ondraaglijke stank ligt als een klamme deken tussen de kramen en het is er uitzinnig druk. Getuige het spervuur aan kreten (begroetingen? verwensingen?) dat ik naar mijn hoofd geslingerd krijg weet bovendien werkelijk iedereen van mijn aanwezigheid.

Ibrahim is ontzettend blij dat ik zover heb gereisd om zijn land te bezoeken. “Ik zag het gelijk: jij hebt een goed hart”, zegt hij plechtig. Om zijn dankbaarheid te tonen wil hij mij absoluut een kettinkje cadeau doen.
Op dat moment beginnen er al vagelijk alarmbellen te rinkelen, maar toch accepteer ik het ‘geschenk’.

Dan plaatst Ibrahim zijn aanval. In zijn cultuur, zegt hij, geven mensen geld aan iemand die net een kind heeft gekregen. Dat brengt geluk. “Wens je mijn zoon soms geen voorspoed?”, vraagt hij, voor het eerst licht dreigend, als ik weiger te betalen. Ik zit klem, besef ik, maar in plaats van weg te lopen ga ik dom genoeg in discussie. Dat ik zijn kind natuurlijk alle goeds wens, dat daar waar ik vandaan kom alleen geen geld tegenover staat, dat hij dat toch wel begrijpt? Nee dus. Ibrahim is nu openlijk vijandig. “Jij wilt niet dat mijn zoon een goed leven krijgt!” Oké, hoog tijd om de plaat te poetsen. Ibrahim ontfutselt me nog snel zijn kettinkje.

Met bonkend hart vind ik in de chaos een taxi. Veilig… Totdat de chauffeur ineens een verlaten zijstraat inslaat. Beroving!, denk ik in mijn paranoia meteen. Al rijdend gooi ik de deur open en heb al één been buiten als de taxi met piepende banden tot stilstand komt. “Ik neem alleen een kortere weg!”, roept de chauffeur, een Senegalees die naar Nouakchott is gekomen om te werken. Even rustig nu, prent ik mezelf in. Ik sla mijn portier weer dicht.

Voor mijn hotel geeft de chauffeur – hij heeft mijn paniek natuurlijk ook gezien – me even later veel te weinig wisselgeld. Ik ben te afgemat voor een woordenwisseling. Fuck die paar euro’s, ik wil mijn hotel in. Ook dit hoort bij reizen, besef ik als ik op mijn bed plof. Maar echt wennen doet het nooit.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief