Rwanda is ontzettend mooi en als je de stad uitrijdt, is het landschap al helemaal prachtig. Zoveel verschillende tinten groen, overal mensen. En heuvels zo ver je kan kijken, die allemaal zijn opgedeeld in kleine vierkantjes want elke vierkante meter is gecultiveerd. De eerste keer dat ik uit de stad ging, was op weg naar een dorp met Genocide-weduwen met een groep Amerikanen. Toen we daar aankwamen begonnen ze allemaal voor ons te zingen en te dansen. De Amerikanen met wie ik mee was steunen dat dorp al jaren en dit was een ceremonie van wederzijdse speeches, dankuitingen, getuigenissen van de weduwen over de genocide, bidden en preken, en geiten overhandigen. Zo gaan die charity-dingen hier over het algemeen. Het was onwerkelijk om te bedenken dat al die vrouwen tegenover mij tijdens de genocide verkracht zijn en waarschijnlijk ook hun hele familie zijn verloren. Ik dacht dat als ik hier zou zijn, ik het allemaal beter zou kunnen bevatten, maar het wordt alleen maar onbegrijpelijker.

Helemaal onwerkelijk waren de kerken in Ntarama en Nyamata die ik vorige week heb bezocht. Samen met een studiegenootje bezocht ik de herdenkingsplekken waar in totaal meer dan vijftienduizend mensen zijn vermoord tijdens de genocide in 1994. Waar baby’tjes tegen de muur zijn doodgegooid. Het is te ziek voor woorden. Bizar. Barbaars. Maar zou je dat zo kunnen noemen? Want eigenlijk is het menselijk, kennelijk, de geschiedenis staat er vol mee. Menselijk dus, en het punt is dat iedereen het kan doen, het kan overal gebeuren, daar ben ik van overtuigd. Daar stonden we in die kerken, vol met kleren onder een laag roestkleurige stof. Kapotte ramen en muren, kapotte schedels en botten, uitgestald op rekken. Toen ik er was kon ik het niet bevatten, alsof het plaatjes waren in een boek waar je doorheen bladert. Ik weet het allemaal wel, ik heb er zoveel over geleerd, maar het blijft zo onbegrijpelijk. Hoe bang moeten die mensen toen geweest zijn, hoe verdrietig om iedereen die ze al waren verloren, doodgehakt voor hun ogen. Hoe onzeker over hun lot en het lot van geliefden. Hoe hoopvol om gered te worden in deze kerk, die kerk waar de pastoor hun eerder ook had kunnen redden, bij geweldsuitbarstingen in 1990 en 1992. Die kerk waar bijna iedereen de dood zou vinden – en diegenen die overleefden waarschijnlijk spijt hadden dat hen niet hetzelfde lot ten deel was gevallen. Helemaal alleen op de wereld..

Hoe verschrikkelijk dit ook is, dit kunnen we ons wel indenken: ”Want ik heb meer gemeen met de slachtoffers, dan de daders,” zong Lange Frans in dat nummer over zinloos geweld. Maar is dat wel zo? Kunnen we daar wel zo zeker over zijn? Het is moeilijk om je in te denken, maar ook die daders zijn mensen met emoties als boosheid en liefde, haat en blijdschap. Moet je ziek in je hoofd zijn om zo ver te komen?

Nee: Die dader had een gezin waar hij voor moesten zorgen. Veel te weinig eten in een overbevolkt land. Hij vreesde voor hun veiligheid, want de vijand waar ze al zoveel over hadden gehoord, kwam dichterbij. Dichterbij dat veilige dorp waarin hij woonde. Maar daarnaast kon iedereen infiltrant zijn, dat zeiden ze al maanden op de radio. Dat je geen Tutsi meer kan vertrouwen, je buurman niet, je beste vriend niet. Dat het kakkerlakken zijn die vertrapt moeten worden… En dan weer die honger, niet eens van jezelf maar van je twee jaar oude dochtertje. Het land is te vol, en de rebellen rukken op! En dan ook nog een pistool op je hoofd: ”Als je die man niet vermoord, vermoord ik jou.”

Die kakkerlak of een dochtertje dat zonder vader moet zien te overleven in een land vol kakkerlakken. Wat zou je doen? 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief