Welke slag heeft Afrika gemist? Hoe komt het dat er wel Aziatische tijgers zijn, maar geen Afrikaanse leeuwen? Het internationale onderzoeksproject Tracking Development maakt een systematische vergelijking tussen de ontwikkeling van vier Afrikaanse en vier Aziatische landen over de afgelopen halve eeuw.

Benefietconcerten
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Ben Knapen haalt tijdens de afsluitende conferentie van het vijf jaar durende onderzoeksproject de herinnering op aan het eerste grootschalige benefietconcert ooit gegeven, dat door George Harrison in New York werd georganiseerd. “Honger en extreme armoede lijken tegenwoordig Afrikaanse problemen. Maar het eerste liefdadigheidsconcert werd in 1971 gegeven voor Bangladesh. Azië ontsnapte in de jaren daarna aan extreme armoede, Afrika niet,” aldus Knapen. Coördinator van het Tracking Development project David Henley, onderzoeker bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde in Leiden, beaamt dat: “Aziaten waren in de jaren zestig gemiddeld veel armer dan Afrikanen. Vandaag de dag zijn Aziaten bijna tweeëeenhalf keer rijker.”

Onderzoek
Tracking Development vergelijkt ontwikkeling door ‘gepaard onderzoek’. Dit betekent dat de acht onderzochte landen in koppeltjes zijn verdeeld, van steeds één sub-Sahara Afrikaans en één Zuidoost-Aziatisch land, op basis van gezamenlijke eigenschappen. Zo is Indonesië aan Nigeria gelinkt, omdat ze een halve eeuw geleden in dezelfde fase van ontwikkeling zaten, beide landen lange tijd militair bestuurd werden,dichtbevolkt zijn, over veel olie beschikken  en de corruptie er even erg is. Kenia is gekoppeld aan Maleisië, omdat beide landen kozen voor de ‘kapitalistische weg’ naar ontwikkeling, met vertrouwen in privatisering en buitenlandse investeringen. Tanzania en Vietnam hebben daarentegen lang voor de staat en overheidsingrepen gekozen en zijn daarom een onderzoekskoppel.

Indonesië en Nigeria
De ontwikkelingsverschillen tussen Indonesië en Nigeria zijn illustratief voor het gehele onderzoek, dat antwoord geeft op de vraag waarom armoede in sommige landen succesvol is bestreden en in andere landen niet. Henley: “1967 was een keerpunt in de ontwikkeling van Indonesië. Er werd geïnvesteerd in de landbouw. De overheid koos er bewust voor om de plattelandsbevolking van Indonesië te steunen met irrigatie, infrastructuur en minimumprijzen voor rijst. Het doel was om met dit beleid een zo groot mogelijke groep mensen te bereiken, waarbij de impact direct merkbaar zou zijn. De landbouw op het platteland werd productiever door subsidies en boeren kregen de vrijheid om te verbouwen wat ze wilden en om producten te verkopen aan wie ze wilden.”

Waar Indonesië koos voor investeringen in de landbouw, koos de Nigeriaanse regering voor investeringen in de industrie. Henley: “Het verschil tussen het Westen en ontwikkelingslanden was de aanwezigheid van zware industrie. Het Nigeriaanse regeringsbeleid was erop gericht om dit verschil uit de weg te ruimen. Maar industrie leverde weinig arbeid op. De arme bevolking werd niet bereikt met deze maatregelen en de verschillen tussen arm en rijk werden groter.”

In Indonesië verstrekte de staat subsidies, maar legde verder geen beperkingen of eisen op aan de boeren. Waar de staat en de markt in Azië vaak complementair aan elkaar waren door enerzijds subsidies en anderzijds economische vrijheid voor kleine boeren, werd de landbouw in Afrika gedomineerd door de staat óf puur aan de werking van de markt overgelaten, zo concluderen de onderzoekers. Ontwikkeling kwam in Azië tot stand doordat de staat eerst in de landbouw investeerde en vervolgens kleine boeren economische vrijheid gaf.

Macro-economische stabiliteit
Het keerpunt in de ontwikkeling van Indonesië kon niet tot stand komen zonder macro-economische stabiliteit, lezen we in het onderzoeksrapport. Inflatie werd door het regime van Suharto onder controle gehouden en de concurrentiepositie voor exportproducten werd overeind gehouden door de waarde van de nationale munt niet te ver op te laten lopen. De andere Aziatische landen begonnen ook pas aan een langdurige economische groei tegen een achtergrond van macro-economische stabiliteit. Macro-economische stabilisering vond in Afrika pas in de jaren negentig van de vorige eeuw plaats. Uganda bracht bijvoorbeeld met hulp van internationale financiële organisaties een inflatie van 100 procent eind jaren tachtig, terug naar tien procent midden jaren negentig. Henley: “Macro-economische stabiliteit geldt als noodzakelijk, maar niet als voldoende, voor ontwikkeling. Het cruciale verschil tussen Afrika en Azië zijn de armoedebestrijdende investeringen in het platteland geweest.”   

Landbouw
Kort samengevat: Aziatische landen investeerden in de landbouw, Afrikaanse landen poogden snelle economische groei te bereiken door te investeren in de industrie. In Azië werden de armen rijker, in Afrika werden de rijken nog rijker, maar waren van ‘trickle-down effecten’ geen sprake. Dit betekent dat de armen niet profiteerden van investeringen in de al welvarende bedrijven, omdat de economie als geheel zich niet verbeterde. Henley: “In Kenia werd er wel in de landbouw geïnvesteerd, maar niet in de kleine boeren die het het hardst nodig hadden. De al welvarende boeren kregen het geld, omdat de regering dacht dat zij innovaties het beste konden toepassen.” De snelle groei die Aziatische landen in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw doormaakten, hadden ze te danken aan export van industriële producten als kleding, elektronica en speelgoed. Maar de industrie was niet tot stand gekomen als het platteland zich niet eerst had ontwikkeld. Dit kwam onder meer doordat investeringen in landbouw zorgden voor een ruime hoeveelheid goedkoop voedsel. Hierdoor konden salarissen laag en stabiel gehouden worden. En daardoor werden Aziatische landen voor buitenlandse partijen aantrekkelijk voor investeringen in arbeidsintensieve industrie.

Corruptie en investeringen
Waarom is er geen enkel Afrikaans land dat het Aziatische model volgde? De oorzaak wordt vaak gezocht in corruptie en slecht bestuur. Henley: “In Azië is men hier sceptisch over. Corruptie is geen specifiek Afrikaans fenomeen, in Azië komt het ook veel voor.”Jan Kees van Donge, onderzoeker bij het Afrika Studiecentrum, ziet meerdere verklaringen voor de ontwikkelingsverschillen: “De keuzes die werden gemaakt in het beleid hebben het verschil gemaakt. Maar er is geld nodig om beleid uit te voeren. Zuidoost-Azië had meer geld tot z’n beschikking dan sub-Sahara Afrika. Investeringen in de landbouw zijn voor een groot deel betaald met buitenlandse hulp. Zo betaalden de Verenigde Staten de ontwikkeling van de Thaise landbouwinfrastructuur. De eerste investeringen in de Indonesische landbouw werd bijna volledig betaald met hulpgeld. Aziatische staten konden ook meer lenen dan Afrikaanse landen. Doordat het landbouwbeleid en de economische stabiliteit voor groei zorgden, bleef de staatsschuld behapbaar. In Afrika leidden de investeringen niet tot groei, waardoor er minder geleend kon worden.”

Toekomst
De resultaten van het onderzoek zijn niet bijzonder vernieuwend. Een studie van de Wereldbank uit 1993 (onder de titel: The East Asian Miracle) kwam met een vergelijkbare conclusie: beleid dat gericht is om ‘gedeelde groei’ te realiseren leidt tot ontwikkeling. Maar niet eerder werd deze uitkomst bewezen met een zo gedetailleerde analyse en werden ontwikkelingssuccessen zo nadrukkelijk gekoppeld aan landbouwbeleid en voedselproductie. We leren uit het onderzoek hoe directe investeringen in een zo groot mogelijk deel van de bevolking economische groei kan realiseren. Maar kunnen we op basis van dit onderzoek concluderen dat armoedebestrijdende investeringen in de landbouw zullen leiden tot ontwikkeling in sub-Sahara Afrika? We leven in een andere tijd dan halverwege de vorige eeuw. Mobiele telefoons, mijnbouw en land grabbing veranderden de context. Maar volgens Henley biedt de ontwikkeling in Zuidoost-Azië wel “de beste handleiding die we kunnen vinden, een historisch model.” Volgens staatssecretaris Knapen stemmen de resultaten positief: “Niet de geografie of de geschiedenis van een land bepalen ontwikkeling, maar beleidskeuzes en economische vrijheid voor de plattelandsbevolking.”

Foto: (cc)

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief