Het is vroeg in de ochtend als ik in een goedkoop autootje van Koreaanse makelij het chaotische verkeer van Ulaanbaator binnengehobbeld wordt. 'Het verkeer is af en toe wat gevaarlijk hier', schreeuwt het meisje dat me van Chinggis Khaan International Airport is komen ophalen, terwijl ze de auto op de valreep tussen een aanstormende tegenligger en een aanzienlijk gat in de weg door weet de slalommen. 'Binnen een tijdsbestek van een paar jaar is deze stad in sneltreintempo gegroeid.'

Mongolië ligt ingeklemd tussen Rusland en China en kent een extreem landklimaat. Door heftige koude de afgelopen winters, en massale veesterfte als gevolg daarvan, zijn veel nomadische herders die eeuwenlang op de uitgestrekte steppen leefden, beroofd van hun traditionele inkomstenbron en massaal naar de hoofdstad getrokken. Een hoofdstad die daar totaal niet op is voorbereid. Want waar het stadscentrum in rap tempo moderniseert, zijn de berghellingen aan de randen van de stad in korte tijd veranderd in een ongeorganiseerd getto van provisorische houten afscheidingen en gers.

Een ger is een traditionele Mongoolse nomadentent. Het ding is rond, makkelijk te transporteren, en simpel warm te houden door de kachel die in het midden staat. Ideaal om te overleven op de woeste Mongoolse hooglanden. Maar nu bijna de helft van de bevolking in Ulaanbaator woont, worden de tenten, inclusief opgefokte waakhonden, lukraak in de stad neergekwakt.

Met alle problemen van dien, denk ik terwijl ik om me heen kijk. Ik ben per ongeluk een gerwijkje ingelopen. Ik was onderweg naar het net buiten het stadscentrum gelegen Gandanklooster. In plaats daarvan word ik verbaasd aangestaard door kettingrokende Mongolen die allerlei gebruiksvoorwerpen door de modder zeulen. Kwestie van een verkeerde afslag nemen. Ik schrik me een hartverzakking als er plotseling een enorme waakhond op me afspringt. Gelukkig zit er nog een hekwerk tussen. Maar dat ziet er niet al te stevig uit. Ik loop zo rustig mogelijk door. Mijn hart klopt in mijn keel. Een dronken man schreeuwt iets onverstaanbaars. Heel vriendelijk klinkt het niet. De herders klitten samen in deze armoedige wijkjes. Veelal zonder beroepsmatige vaardigheden waar je in de stad iets aan hebt. Vaak werkloos en aan de drank. Wodka. Chinggis Khaan Black.

Ik vind de ingang naar het kloostercomplex. De plotselinge serene rust wordt wat verstoord als een monnik naar een dikke Lexus toeloopt en de sleutel in het sleutelgat steekt. Tot zover 'onthechting'. Vergezeld door een groep zwerfhonden die me op een afstandje volgt, valt me op dat er van de beloofde eeuwig blauwe hemel verdomd weinig te zien is. Het verkeer is waanzinnig en mensen dragen mondkapjes tegen de uitlaatgassen. Ik loop langs een oudere man die met een fles goedkope wodka in zijn hand op straat ligt te slapen. En sta vervolgens oog in oog met een gigantisch warenhuis met een dozijn dure Hummers voor de deur. Op de bovenverdieping ligt een nagenoeg verlaten fastfoodrestaurant. De schaarse klandizie kijkt wat verveeld uit het raam terwijl ik bij een vrouwtje op de stoep voor omgerekend tachtig eurocent een zak nootjes bestel.  

Lopend over het centrale Sukhbaatarplein staart een enorm beeld van Djenggis Khaan me aan. De Mongoolse strijdheer die in de dertiende eeuw een wereldrijk stichtte, is anno 2012 nog steeds de nationale held bij uitstek voor de Mongolen. Verder is men het er over eens dat onder het socialisme alles beter was en dat de Chinezen de vijand zijn. Terwijl het grootste deel van de Mongoolse economie afhankelijk is van export naar China – de meeste grondstoffen verdwijnen linea recta uit de Mongoolse bodem richting machtige zuiderbuur. Waar de enorme winsten vervolgens terechtkomen is niemand echt helemaal duidelijk, maar het aantal Hummers op straat neemt toe. Het aantal werkloze alcoholisten in gers ook.

Ondertussen zingt een jongetje in een afgeragd trainingspak op een straathoek boeddhistische liedjes in de hoop wat tugriks te verdienen terwijl de stroom claxonnerend verkeer zich een onzekere toekomst in begeeft. Ik  moet echt moeite doen om dit land te begrijpen, denk ik terwijl ik zittend op een stoepje in de ijzige kou een slok goedkope wodka neem. 

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief