“Tijdens mijn jeugd wisten de meeste leeftijdsgenoten niet wat strijd was. Maar ik had al vroeg in de gaten dat ik voor mezelf op moest komen. Mijn moeder zei altijd: ‘Glenn, hoe geaccepteerd jij je ook voelt, je zult je altijd twee keer zo hard moeten bewijzen omdat je een kleur hebt.’ Ik dacht altijd dat dit nonsens was, maar ik heb gemerkt dat ze gelijk had. Ik heb mezelf altijd bovengemiddeld moeten bewijzen en dat heeft me gevormd als artiest. Ik ben een aanpakker. Ik heb mavo, havo, vwo gedaan en ben daarna begonnen met religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam (niet afgemaakt – red.). Soms voelde dat een beetje als een middelvinger naar mensen die me eerder op basis van mijn kleur hadden afgewezen. Door de lange weg die ik heb bewandeld, heb ik heel veel algemene kennis. Daar heb ik nu nog steeds profijt van. Zo heb ik geleerd te filosoferen en hoe andere culturen met vrijheid en onvrijheid omgaan.

Ik ben een kind van de jaren tachtig: de tijd van the sky is the limit. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat we geen problemen kennen. De economische groei leek niet te stoppen, er was enorme welvaart. Maar ik zag en zie een andere kant. Een kennis van mij zei eens: ‘Met een volle mond kun je geen blokfluit spelen.’ Dat vind ik zo’n mooi symbool. Dat is wat naar mijn idee op dit moment gaande is. We lijken vrij en onafhankelijk. Het lijkt zo goed te gaan met mijn generatie dat je niet echt weet wat strijd is, alles is makkelijk gegaan. Maar we zijn afhankelijk geworden van geld. Hoeveel spullen hebben we nodig om ons vrij te voelen? Zo zit het: hoe meer spullen we hebben, hoe meer we eraan gehecht raken en hoe afhankelijker we zijn.

We lijken vrij en onafhankelijk, maar we zijn afhankelijk geworden van geld

Na het uitkomen van zijn eerste plaat, Tussen licht en lucht, wilde ik me onttrekken aan de maatschappij. Ik zat in een te comfortabele situatie. Dat was een doodvonnis voor mijn creativiteit. Het geld stroomde binnen, maar eigenlijk ging het té goed met me. De noodzaak om te creëren was er niet zo. Ik heb toen mijn huis verlaten en ben rond gaan trekken: dan weer bij een vriend, dan weer op Terschelling. Gewoon om me weer vrij te voelen. Maar de Nederlandse samenleving deed niet mee. Ik kreeg een telefoontje van de gemeente: ik móést mij ergens inschrijven, ik moest volgens de gemeente per se een huis hebben. Op zo’n moment is de vrijheid in ons land beperkt.

Ik vind het belangrijk om vrijheid te doorleven. Dat kan zitten in heel gewone dagelijkse dingen, zoals in schrijven, mediteren of wandelen in het bos ­– het geluk ervaren dat zoiets kan. Dat de vrijheid je opvalt.

Vertel het verhaal zo rond mogelijk, zodat we echt van dingen kunnen leren. Wat ligt ten grondslag aan oorlogen, waarom wordt onderscheid tussen mensen gemaakt, waarom kon iemand als Hitler zo groot worden? Wees open en eerlijk, zodat je, als het over 4 en 5 mei gaat, echt kunt zeggen: 'Dit nooit meer.' Anders is het: 'Wát nooit meer?' Het moet geen losse kreet zijn.”

Bovenstaande tekst is een passage uit Het vrijheidsboek, geschreven door Esther Captain en Maarten Dallinga en gepubliceerd in samenwerking met het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Kijk hier voor meer informatie

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Maarten Dallinga (1987) is socioloog en freelance journalist. Hij werkt(e) onder meer voor ANP, BNN, De Correspondent, EO, Nationaal …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief