Tijdens de landing zet ik me inwendig vast schrap. Straks, als ik het vliegveld van Accra uitloop, wacht me de gebruikelijke stormaanval van taxichauffeurs, straatverkopers en andere figuren die het voorzien hebben op vermoeide reizigers. Het is nog avond ook. Slechte timing.

Maar – niets van dit alles. Precies één taxichauffeur vraagt beleefd of ik wellicht, mocht het zo uitkomen, een ritje in zijn wagen zou blieven. Hij dringt niet eens aan als ik weiger. Wat is hier aan de hand? Nog kauwend op deze vraag – ik ben inmiddels ingestapt bij een vrolijke rasta van het hostel waar ik heb gereserveerd – verbaas ik me alweer: er zitten helemaal geen gaten in de weg. Nog eens kijken: nee echt, spiegelglad asfalt. Ongelooflijk.

Dat Ghana echt een heel ander land is dan Nigeria wordt me definitief duidelijk als ik aankom in mijn onderkomen aan het strand. Bob Marley, goh, tijd niet meer gehoord. Aangenaam. En ruik ik daar nou… ja verdomd, daar aan de bar zitten warempel een paar gasten te blowen. Nou moet het toch niet gekker worden.

De heren blijken jammer genoeg net wat teveel ganja te hebben verteerd voor een zinnig gesprek, en aangezien ik verder de enige gast ben, knoop ik maar een praatje aan met Maria, het meisje achter de bar. Het verhaal dat ze me vertelt over haar verloofde – hoe we op het onderwerp kwamen is me vreemd genoeg ontschoten – doet me voor de zoveelste keer die avond mijn wenkbrauwen optrekken.

Ze ontmoette hem toen hij geiten bij haar kwam kopen in haar geboorteplaats. Met dat meisje ga ik trouwen, zei hij meteen tegen zijn broer, die hem vergezelde. Ter plekke deed hij Maria een aanzoek. Zij kon nog net ‘ja’ uitbrengen, zo onder de indruk was ze van de stoere militair die voor haar stond.

Die ontmoeting is inmiddels ruim een jaar geleden. Sindsdien heeft het aanstaande echtpaar elkaar precies één keer gezien, ook al wonen ze sinds Maria in het hostel werkt in dezelfde buitenwijk van Accra. Maria wil namelijk eerst dat haar verloofde formeel om haar hand vraagt bij haar ouders. Maria’s vader zal dan, mits hij instemt met het huwelijk, een lijst zaken presenteren die hij van zijn toekomstige schoonzoon verlangt: geld, kleren, sieraden, mogelijk meubilair en wat vee.

Maria’s verloofde onderneemt echter maar geen actie. Het enige dat hij voor haar doet is beltegoed voor haar kopen zodat ze hem dagelijks even kan bellen. Hij wil dat Maria stopt met werken. Zij weigert zolang hij geen aanzoek doet. Eigenlijk zijn ze elkaar langzaam maar zeker een beetje gaan wantrouwen. Steeds vaker vraagt hij of Maria niet stiekem vriendjes heeft. Zij op haar beurt is bang dat hij minaressen heeft of, erger nog, al getrouwd is met een ander en alleen maar tussen haar benen wil. “Hij zegt van niet, maar je kunt nooit weten”, zegt ze met een ernstig gezicht. “Maar waarom zoeken jullie elkaar dan niet af en toe op?”, suggereer ik. “Dan kunnen jullie elkaar rustig wat beter leren kennen.” Verontwaardigd schudt Maria haar hoofd “Ik ben een echte Christen, niet zo’n meisje dat zomaar aanpapt met jongens.” Dan weet ik het ook niet meer.

Als ik even later uitgeput in mijn bed plof besef ik verwonderd dat ik vanochtend nog wakker werd in een ander land. Reisdagen kunnen soms behoorlijk intensief zijn.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief