Afstand tussen Dakar in Senegal en Bamako in Mali: ruim duizend kilometer. Reistijd per bus tussen Dakar in Senegal en Bamako in Mali: ruim vijftig uur. Gemiddelde snelheid aldus: rond de twintig kilometer per uur.

Leuk, dacht ik, een bustrip door de Sahel. Ik had dat traject eerder al eens afgelegd, in de jeep van een collega, en dat was een ontspannen reis. West-Afrikaans openbaar vervoer is – ik druk mij mild uit – beduidend minder comfortabel, weet ik sinds kort.

Het begon allemaal nog best voorspoedig. De bus vertrok een uur te laat uit een volkswijk van Dakar. Eenmaal buiten de stad trof me voor de tweede maal de schoonheid van het landschap. Tot aan de horizon overal Baobab-bomen, praktisch bladerloos en soms metersdik, de een nog vreemder gevormd dan de ander. Hier en daar een dorp. Soms een herder met een kudde geiten. Ik hou ervan onderweg te zijn.

De eerste stop. Nog voor de bus stilstond overstroomden verkopers van fruit en frisdrank het gangpad. Bij de uitgangen vormden zich menigtes schreeuwende collega’s. Tot zover niets nieuws. Alleen: waarom bleef de bus meer dan een uur stilstaan? Ik wist het niet, maar niemand maakte zich er druk om, dus dat deed ik dan ook maar niet. When in Rome, act like the Romans. Vier vergelijkbare stops verder begon het me toch wat te irriteren.

Aan het eind van de middag opnieuw halt. Duur: vier uur. Reden: onbekend. In het busstation keken we een oorlogsfilm waarin Amerikaanse soldaten Irakese gezinnen overhoop schoten.

Een nacht zonder veel oponthoud verder arriveerden we bij de grens. Die barrière – twee gebutste oliedrums in het groen-geel-rood van de Malinese vlag, verbonden door een houten slagboom – zouden we pas acht uur later slechten. Tja, formaliteiten hè, dat kost tijd, zei de buschauffeur. Blijkbaar normaal hier om een werkdag te doen over het stempelen van een stapel paspoorten.

Dan te bedenken dat de bus niet eens goed gecheckt was. Bij de derde Malinese politiepost (lang wachten telkens, inderdaad) sloeg een oplettende douanier alarm. Smokkelwaar! Als door de bliksem getroffen bestegen zijn collega’s ons voertuig, waar ze eensgezind begonnen met het naar beneden gooien van de balen textiel waarom het ging, plus alle andere bagage. Met veel gekraak pletterde een koffer kapot. Mijn reisgenoot stormde geschrokken de bus uit toen haar backpack naar beneden zeilde. Laptop erin laten zitten.

Toen alles beneden lag meldden de douaniers dat ze de bus niet meer verder lieten rijden. Punt. Daar sta je dan – de tweede nacht van de reis was inmiddels gevallen -, in een naamloos gehucht. Gelukkig snorden enkele assertievelinge medepassagiers verbazend snel (waar kwam dat ding ineens vandaan?) een vervangende bus op. Die moesten we wel zelf betalen, maar soit, we konden verder. Op naar Bamako.

Tegen de ochtend werden we bus nummer twee uitgeveegd op een groezelig industrieterrein in een buitenwijk van de Malinese hoofdstad. Nu nog naar het stadscentrum. Maar hoe? Een behulpzame medereiziger troonde ons mee naar een weg verderop, waar hij met een achteloos handgebaar een wrakkig minibusje aanhield. Hup, instappen. Eenmaal gezeten, knieën nog net niet achter mijn oren, telde ik het aantal passagiers eens. Eénentwintig. Niet slecht voor één laadruimte.

In mijn hotelbed – wat een genot – moest ik denken aan het oproer dat in Nederland steeds weer ontstaat als de NS zijn dienstregeling in de soep laat lopen (mijn favoriete excuus tot dusverre: bladeren op de rails). Hier gaat dat toch aanmerkelijk anders. In twee etmalen reizen van geen passagier ook maar een onvertogen woord gehoord. Mijn eigen inwendige scheldkannades daargelaten, uiteraard.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief