Afgelopen week was ik gaan eten bij een vriend van me. Franco, een Italiaan die zijn goedbetaalde baan als fabrieksmanager opgaf voor het najagen van zijn droom: het organiseren van motorvakanties door Afrika. Aparte man, Franco. Laatst vond ik hem op een feestje slapend naast de dansvloer. Vreemde naam ook. In Spanje wordt je ongetwijfeld gelyncht als je je kind zo noemt.

Franco woont in Yoff, een normaal gesproken rustige buitenwijk van Dakar. Ditmaal echter bemerkte ik bij het verlaten van zijn huis een vreemd sfeertje op straat. Gejaagd. Opgewonden. Verwachtingsvol. Groepjes opgeschoten jongeren renden joelend voorbij. Her en der stonden mensen naar draagbare radio’s te luisteren of druk in mobiele telefoons te brullen. Winkels hadden hun rolluiken neergelaten.

Toen rook ik het ineens: brandende autobanden. En jawel, in de verte sloegen de vlammen de hemel tegemoet, compleet met van die dikke zwarte rookwolken. Helemaal zoals ik ze kende uit journaalbeelden.

Twee dagen eerder was het in Yoff ook al bal geweest. Bewoners waren naar een kerk in hun (islamitische) wijk getogen, niet toevallig net toen daar een mis gaande was. Nadat ze de kerkgangers eruit hadden gemept, hadden ze het gebouw afgebroken en, nogal ten overvloede, de restanten in de hens gezet. Barren in de buurt die alcohol verkochten waren op eenzelfde behandeling getrakteerd. Barren en kerk, zo luidde naderhand de verklaring, werden beschouwd als ‘agressie tegen onze religie.’

Weer een paar dagen dáárvoor waren er in heel Dakar zware onlusten uitgebroken. Die rellen waren uitgelokt door grondwetswijzigingen die de regering erdoor dreigde te drukken, teneinde een derde ambtstermijn van de hoogbejaarde president mogelijk te maken, en gelijk zijn zoon vast als opvolger te parkeren. Dat verzet was een doorslaand succes, want staatshoofd en co annuleerden pardoes al hun plannen.

Afijn, eigenlijk had ik er na Franco’s feestmaal (pasta, inderdaad) weinig zin in, maar je bent journalist of niet, en ik had de eerdere rellen gemist, dus hup: op die fik af. Daar aangekomen bleek de eigenlijke bron van alle leut zich een eindje verderop te bevinden: een nog veel grotere brand.

Dat vreugdevuur woedde voor de deur van het lokale kantoor van Senelec, Senegals totaal disfunctionerende staatselektriciteitsbedrijf, en werd vooral gevoed door enkele terreinwagens. Van omstanders – hele gezinnen waren gezellig komen kijken – begreep ik dat zich in andere stadsdelen dezelfde taferelen afspeelden. Oplopende woede over Senegals voortdurende stroomstoringen was tot uitbarsting gekomen.

Terwijl ik zo stond te keuvelen sloopten buurtbewoners in alle rust (in twee uur tijd heb ik geen agent gezien) alles van waarde uit het gebouw. Airconditioners, computers, deuren, ramen, meubilair – zelfs het ijzeren hekwerk voor de deur werd vakkundig afgevoerd. Het herinnerde me aan de eigenaar van een van de verwoeste barren, die me had verteld dat zijn ongenode gasten ook eerst zorgvuldig zijn hele tent hadden leeggeroofd, zijn alcoholvoorraad incluis, voordat ze hem kort en klein hadden geslagen.

Het is een dunne scheidslijn, blijkbaar, die tussen legitiem volksverzet en banaal jatwerk.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief