Tegenwoordig woont Kamaledin in Antwerpen. Naast theatermaker is hij schrijver: realisme en fictie raken elkaar voortdurend in zijn werk. Na Oraal (2011) en Cabaret (2014) verscheen in november de roman Schoonheid raast in mij tot ik sterf, over een man die ook Hazim Kamaledin heet en gestorven is. Het is een manier om om te gaan met zijn tumultueuze verleden. "Ik plaats gebeurtenissen in de toekomst om mijn verleden kritisch tegen het voetlicht te houden." In gesprek met de schrijver over het schrijfproces, censuur en confrontaties met de dood.

Wat is uw favoriete passage van het boek?

Voor mij is dit boek vooral een ervaring. Keer op keer wanneer ik het boek open, krijg ik er een trauma van. Elk woord, elke zin, elke komma die geschreven is, is een favoriet van mij. Ik houd me noodgedwongen op afstand, omdat ik er niet dichtbij kan komen. Ik hoef maar één zin te lezen en dat roept al talloze associaties en stromen van herinneringen op. De vertaalster heeft het zo kunnen vertalen, dat als ik de tekst in het Nederlands lees, het net is alsof het in het Arabisch is geschreven. Het leest bijna hetzelfde.

Hoe bent u begonnen met schrijven?

In 2013 diende ik een tekst in bij een Arabische uitgever, maar daar was censuur. De uitgever heeft het een en ander van me geëist. Ik was een beetje zwak. Ik had weinig zelfvertrouwen, dus ik ben bezweken aan zijn voorwaarden en begon de tekst opnieuw te schrijven. Ik begon steeds meer dingen te mixen: toneelstukken, ervaringen uit het verleden en mythologieën. Ik heb het één keer herschreven, twee keer herschreven, drie keer herschreven. Hij vroeg om fundamentele veranderingen. Op een zeker moment gaf de uitgever het op, want ik voldeed niet aan zijn normen. Wel bleef ik zelf aan mijn tekst werken. Ik was inmiddels gefascineerd door wat er aan het gebeuren was: al die veranderingen in mijn tekst.

Schoonheid raast in mij tot ik sterf

Een aantal maanden later stierf een van mijn beste vrienden. Herseninfarct. De dood van deze vriend zorgde voor een van de grootste schokken van mijn leven, zelfs al heb ik al veel meer ervaringen gehad met de dood. Het hele proces van hem bezoeken in het ziekenhuis, daar raakte ik zodanig van in de war dat ik niet wist wat de dokters mij allemaal vertelden. Ze vertelden me dat hij klinisch dood was, maar ik geloofde het niet. Toen ik zag dat zijn borstkas op en neer ging – hij ademde – stormde ik naar hem toe om hem door elkaar te schudden en wakker te maken en te zeggen: houd ons niet voor de gek! De dokters dachten dat ik gek was geworden. Ik zag de beademingsmachines niet omdat het er zoveel waren. Na zijn dood gingen we naar het mortuarium. Door mijn islamitische achtergrond heb ik maar weinig opgebaarde mensen gezien. En daar zag ik hem. Mijn vriend lag opgebaard, in vol ornaat en met gesloten ogen. Toen ik dichtbij hem stond, was ik geschokt, want ondanks zijn gesloten ogen zag ik hem kijken. Ik wist niet wat me bezielde. Dat beeld – zien door gesloten ogen – is de sleutelrol van mijn roman.

Ik had een mysterieus soort schuldgevoel ten opzichte van mijn vriend, al wist ik niet waarom. Ik bleef schrijven en schrijven en schrijven alsof de dood me op de hielen zat. Ik was heel hard geconfronteerd met de dood want hij was even oud als ik. We waren bevriend, we hebben samen gestudeerd in Irak. Dus ik dacht dat ik dood was. Ik was niet bang voor de dood, maar ik dacht wel altijd na over praktische dingen. Wat als mijn dochter op een ochtend wakker wordt en ik niet meer levend ben? Hoe wordt mijn erfenis verdeeld onder mijn kinderen, gaan ze onenigheden creëren? 

En wat gebeurt er met mijn archief – ik heb als theatermaker heel veel archief, manuscripten en video's. Mijn buren zijn allemaal twintig jaar ouder dan ik, maar ik heb hen toch gevraagd om op mijn deur te kloppen als ze mij twee dagen niet zien, zodat ze mijn stank niet ruiken als ik sterf. Ik heb een vriend gevraagd om elke dag naar mij te bellen, om er zeker van te zijn dat ik niet dood ben. Ik verspreidde kopieën van mijn sleutels onder kennissen. Kortom: een jaar lang leefde ik terwijl ik wel dood leek. En elke keer als ik mijn hoofd op het kussen legde dacht ik: morgen word ik niet wakker. Het strijden tegen de confrontatie met de dood bracht me ertoe om over de dood te schrijven.

Mensen zijn bang voor de dood, maar het aanzien van de dood kan je ook tot leven wekken

De dood komt veelvuldig voor in mijn teksten. En dat is krachtig, omwille van mijn geschiedenis: ik ben ter dood veroordeeld in de tijd van Saddam Hoessein – en gevlucht. Ik heb veel meegemaakt met de dood. Dat heeft mij uiteraard heel erg beïnvloed. Veel mensen zijn bang voor het mysterie van de dood, voor het onbekende. Of mensen zijn bang voor het niets, bang om niet meer te bestaan. Misschien moet ik de dood bestrijden door te creëren. Als ik schrijf, laat ik iets achter. Dus de dood heeft mij kracht gegeven om veel werk achter te laten en deel uit te maken van de mensen die de wereld willen verbeteren.

Creëert u afstand door in de derde persoon te schrijven?

Ja en nee. Ik zal vertellen hoe ik schrijf. Eerst schrijf ik een hoofdstuk in haast fotografisch realisme. Daarna vervreemd ik de namen, de plaatsen en de gebeurtenissen. Door het vervreemden verander ik veel details: ik verplaats een gebeurtenis bijvoorbeeld naar de toekomst. Dat levert mij afstand op. Ook kritiek op realistische gebeurtenissen creëert zo'n afstand. Hetzelfde geldt voor elke keer dat ik kritiek geef op mijzelf, op mijn geschiedenis, op mijn achtergrond en wat er op dit ogenblik in mijn land aan het gebeuren is. Telkens wanneer ik meer afstand neem, haal ik adem en ben ik gerust – en durf ik vervolgens weer meer kritiek te leveren. In een latere fase van het schrijven oefen ik op het vergeten van wat er écht gebeurd is. 

Ik nam afstand van de tekst door alcohol, afleiding en andere lettertypes

De ene keer stortte ik me op het regisseren van een toneelstuk, een andere keer ging ik naar het buitenland, een derde keer begon ik iets anders te schrijven, een vierde keer dronk ik te veel alcohol, of ik praatte alleen nog maar over koetjes en kalfjes. Als ik daarna weer terugkeerde naar het hoofdstuk, veranderde ik zelfs het lettertype van de tekst. Ik koos lelijke lettertypes, zodat ik ook van de tekst afkeer kreeg.

Ál die handelingen zorgden ervoor dat ik steeds meer afstand kreeg van de originele gebeurtenissen. De climax daarvan is de derde persoon – de derde persoon die ik ben. Maar de lezer ziet dat allemaal niet, al die lagen die op elkaar liggen. De lezer leest een verhaal, weliswaar niet lineair, maar hij blijft het verhaal wel volgen. Het lijkt alsof dat heel zwaar is, maar het is in feite een lichte tekst. Een parodie, een satire! Het gaat over alles behalve te serieus zijn. Ik geloof niet dat ik mensen ellende mee moet geven. Ik geloof niet dat ik er een melodrama van moet maken. Ik geloof niet dat ik moet gaan jammeren. Als je mijn boek leest, lach je erom. Je lacht en je weet dat je lacht, maar het is ook geen echte lach.

In Irak besta ik niet

Hoe reageerde uw familie?

Veel dingen zullen herkenbaar voor ze zijn, maar zij hebben het nog niet kunnen lezen. Ik hoop dat ze mij vergeven als ze mijn boek lezen. Ik wil dat mijn kinderen het lezen, want ik geef met mijn boek ook kritiek op mijn eigen achtergrond. En ik wil dat zij weten waar ze vandaan komen. Het boek is eerst in het Arabisch verschenen, in Jordanië. Omdat een deel van mijn familie in Irak is, konden zij het niet lezen. Er is geen enkel boek van mij verschenen in Irak en de pers doet hetzelfde met mij: ik besta niet in mijn eigen land. Dat is gebeurd in de tijd van Saddam Hoessein – hij heeft me ter dood veroordeeld en besloot mijn naam te verwijderen uit het Arabische collectieve geheugen. Ik geloof niet in het demonteren van ons volk, het te verdelen in sjiieten, soennieten, christenen, yezidi's et cetera. Ik geloof dat we allemaal gelijk zijn. We lagen allemaal ooit in de baarmoeder van een moeder en daarna zijn we geboren. We moeten allemaal zoeken naar manieren om elkaar te ontmoeten, niet om elkaar uit te sluiten.

Wat is uw hoop voor de toekomst?

Momenteel werk ik aan twee projecten: de een fictie en de ander toneel. Ik wissel af: als ik met fictie bezig ben, neem ik afstand van toneel. Het een versterkt het ander en het helpt altijd om afstand te nemen. En als ik eerlijk ben? Ik wil naar Irak terugkeren – naar mijn land. Om mijn ervaringen met mijn landgenoten te delen, al besef ik heel goed dat dat een onmogelijke opgave is.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief