Iedere dag krijgen één miljoen kinderen in Ghana een schoolmaaltijd waardoor meer kinderen naar school gaan. Mariska Lammers schreef haar scriptie over de hobbels in de weg: geld, samenwerking en fraude staan niet totaal in de weg van een succesvol project.  

Het lijkt op papier een fantastisch idee: je geeft kinderen op school een warme maaltijd en slaat zo drie vliegen in één klap. Meer kinderen volgen onderwijs, er is minder ondervoeding en je stimuleert ook nog eens de lokale landbouw. Dit was exact wat de Ghanese overheid voor ogen had met het Ghana School Feeding Programme (GSFP) en waarom de Nederlandse overheid een belangrijke donor was van dit programma. Vandaag de dag voedt het GSFP dagelijks ongeveer één miljoen kinderen. 

Corruptie  
Mijn onderzoek laat zien dat het uitvoeren van zo’n fantastisch idee in de praktijk nog knap lastig blijkt te zijn. Corruptie, gebrekkige samenwerking tussen overheden en problemen met de geldstromen bleken obstakels die overwonnen moesten worden. 
Ghana wordt geroemd als het wonderkind van Afrika, toch komen er ook daar regelmatig corruptieschandalen voor. Dit was de belangrijkste reden dat in 2008 de Nederlandse overheid haar steun terugtrok voor het programma. Er bleek geld verdwenen te zijn bij het secretariaat van het GSFP. Ook werd het programma door Ghanese politici ingezet in de verkiezingsstrijd. In plaats van de maaltijden te serveren op publieke scholen in de armste gebieden in het Noorden van Ghana, werden zij geserveerd in het rijkere Zuiden waar de meeste stemmen te winnen waren. Dit type probleem lijkt grotendeels verholpen, maar vanwege de omvang van het programma blijft het kwetsbaar voor fraude.

Gebrekkige samenwerking en haperende geldstromen
Hoewel op papier de regio’s en districten een belangrijke rol spelen, is het programma in de praktijk sterk gecentraliseerd. Daarnaast is er nauwelijks samenwerking tussen de departementen. Alleen de onderwijsambtenaren zijn met het programma bezig terwijl de collega’s van de gezondheid- en landbouwdepartementen in Tamale in hetzelfde gebouw zitten. Naast een gebrekkige samenwerking, is ook de geldstroom van nationaal naar district niveau problematisch. Verschillende cateraars vertelden me dat ze al maanden geen geld hadden gekregen omdat het district ze niet kan betalen, Eén van de cateraars: ‘Ik moet mijn eigen geld gebruiken om het eten te kopen. De afspraak was dat ik betaald zou krijgen maar ik heb nooit geld gezien. Ook vertelden ze ons dat het World Food Programme ons eten zou geven maar dat is nog niet gebeurd. Toch ga ik door met mijn werk want ik zie de schoolkinderen als mijn eigen kinderen.’

Eisen voor scholen en betrokkenheid van de buurt
Op lokaal niveau bleken er ook tal van uitdagingen. De scholen die de maaltijden willen serveren, moeten aan een aantal eisen voldoen. Ze moeten een keuken, voorraadruimte en sanitaire voorzieningen bouwen en water, brandhout of houtskool regelen. Ook de lokale bevolking moet zijn steentje bijdragen: zij worden gestimuleerd om hun landbouwproducten aan de cateraar te verkopen en schooltuintjes aan te leggen zodat de maaltijden meer verse groenten bevatten. Kortom: het programma werkt duidelijk volgens het principe 'voor wat hoort wat'. In de praktijk valt dit tegen: uit mijn enquête onder 42 schoolhoofden in Tamale Metropolitan District blijkt dat maar 36% van de scholen een keuken heeft gebouwd. En in 12% van de gevallen is er totaal geen betrokkenheid van de buurtbewoners. Gevolg is dat de maaltijden soms onder onhygiënische omstandigheden worden gebreid met weinig verse ingrediënten. Bovendien verdienen lokale boeren nauwelijks iets aan het programma omdat de cateraars het eten in de stad kopen omdat dat goedkoper en efficiënter is.

Daarnaast lijkt er ook nog een belangrijke stap gemaakt te moeten worden binnen het programma over de rollen van mannen en vrouwen. Het zijn vooral vrouwen die de schoolmaaltijden bereiden, maar ze zijn amper betrokken bij de besluitvorming. Zoals één van de kokkinnen opmerkte: ‘Omdat we vrouwen zijn, zijn er sommige zaken waar we ons niet mee willen bemoeien. Mensen zullen ons hypocriet noemen omdat het de mannen zijn die dit regelen.’

Toch een succes
Ondanks de obstakels krijgen bijna één miljoen kinderen dagelijks een schoolmaaltijd en dus is het programma zeker een succes te noemen. Het overgrote deel van de Ghanezen vindt het GSFP een geweldig initiatief:

Schoolmaaltijden helpen ouders en kinderen. Kinderen eten nu op school en gaan niet in de pauze naar huis omdat ze honger hebben. (…) Zelfs ouders die niet werken of die geen geld hebben sturen nu hun kinderen naar school.

De Nederlandse initiatiefnemer, dhr. Hans Eenhoorn is erin geslaagd om donoren enthousiast te maken voor zijn idee en zo kon de Ghanese overheid in korte tijd een grootschalig ontwikkelingsprogramma uitrollen.

Nu Ghana de status heeft bereikt van middeninkomensland en de donoren ontwikkelingshulp afbouwen, rust er steeds meer verantwoordelijkheid op de schouders van de Ghanese overheid. Sinds vorig jaar staat het GSFP op de nationale begroting, een belangrijke stap voor de duurzaamheid van het programma. Hopelijk blijven schoolmaaltijden een prioriteit voor Ghana en zullen de missende ingrediënten snel worden toegevoegd.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?