Nog nooit is er meer geld aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) uitgegeven: liefst 135 miljard dollar (ruim 100 miljard euro) in 2013. Zo begint het lijvige rapport Development Cooperation 2014 van de OESO, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van de rijke landen. Wat niet in het rapport staat: het is slechts een absoluut record, relatief hebben de rijkere landen wel eens meer geld aan ontwikkelingshulp uitgegeven. De definitie van ‘officiële ontwikkelingshulp’ stamt nog uit 1972. De OESO sorteert vast voor op een nieuwe definitie die past bij de wereld van nu: meer actoren, minder landen, nieuwe thema’s en misschien wel een kleinere rol voor de OESO zelf. De ondertitel van het rapport is veelzeggend; ‘mobilising resources for sustainable development’.

De OESO Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking (DAC) bepaalt wat ‘officiële ontwikkelingshulp’ is. De OESO meet ontwikkelingshulp al sinds de jaren ’60 en daarbinnen  is in 1972 ook de officiële definitie van ODA vastgesteld. Kortweg: geld-, goederen- of dienstenstromen naar zowel landen en gebieden die op de DAC-lijst van hulpontvangers staan als naar multilaterale ontwikkelingsorganisaties. Discussies over verandering van de hulpdefinitie zijn binnen de OESO in volle gang. Een overzicht van belangrijke vraagstukken bij een nieuwe definitie. 

Meer actoren?
In de oorspronkelijke definitie staat dat het geld ‘beschikbaar moet zijn gesteld door de overheid’. De ondertitel van het OESO-rapport 2014 is echter duidelijk: ‘mobilising resources for sustainable development’. Er zijn meer financiële bronnen nodig voor duurzame ontwikkeling dan alleen geld van de overheid. Zo zoekt de OESO naar een verbreding van de partners die officiële ontwikkelingshulp kunnen bieden. Vooral het bedrijfsleven wordt een grotere rol toegedicht, maar ook ontwikkelingsbanken als de FMO, of particuliere stichtingen zoals de Bill & Melinda Gates Foundation worden gezien als belangrijke partners om duurzame ontwikkeling te bereiken.

Minder landen?
Liefst 148 landen in de wereld ontvangen nu officiële ontwikkelingshulp. Daaronder zitten middeninkomenslanden die de laatste jaren economisch behoorlijk in de lift zitten, zoals Turkije, Brazilië en China. En juist deze middeninkomenslanden hebben de afgelopen jaren steeds meer hulp ontvangen. Hulp naar de arme, fragiele staten neemt juist af terwijl zij juist sterk afhankelijk zijn van hulpstromen. Voor sommige landen bestaat meer dan 50 procent van hun Bruto Nationale Product (BNP) uit ontwikkelingshulp.

Nieuwe thema’s
Het hoofddoel van ontwikkelingshulp is het bevorderen van economische ontwikkeling en welvaart. Voor veel donorlanden, inclusief Nederland,  stond armoedebestrijding hierbij centraal. Het OESO-rapport sluit aan bij een nieuwe, bredere focus op ‘duurzame ontwikkeling’. Daarbij is er discussie of armoedebestrijding niet een te ‘smalle’ focus is voor ODA. In het OESO-rapport wordt bijvoorbeeld verkend of onderwerpen als klimaatverandering, migratie, belastingontwijking, militaire veiligheid en handel ook onder de nieuwe hulpdefinitie kunnen vallen.

0,7 procentsnorm
Ook de (niet dwingende) internationale norm om 0,7 procent van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking te spenderen komt van de OESO. Maar weinig landen voldoen aan deze norm. Gemiddeld halen de OESO-landen slechts 0,3 procent. Ook Nederland haalt de norm niet meer. Er is daarentegen een aantal landen die wel aan de norm vasthouden of meer aan hulp besteden. Zo haalt het Verenigd Koninkrijk dit jaar voor het eerst de 0,7 procentsnorm. Hoe het nu verder moet met deze norm is ook onderdeel van de discussie. Zeker als er meer onderwerpen onder ‘officiële ontwikkelingshulp’ gaan vallen, lijkt een ruimere definitie meer op zijn plaats. In zijn bijdrage aan het rapport noemt professor Age Bakker van de Vrije Universiteit, die zich ook in Nederland al in een rapport over een nieuwe ODA-definitie boog, een norm van 2 procent van het BNP als een redelijke optie voor alles wat valt onder ‘internationale samenwerking’.

OESO zelf?
De OESO is een club van ‘traditionele’ donoren, zoals de Europese landen, VS, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland. Echter, steeds meer landen geven ‘ontwikkelingshulp’ zoals de BRICS-landen. Zo spendeerden de Verenigde Arabische Emiraten 1,25 procent van hun BNP aan ODA. De nieuwe donoren werken vaak op een andere manier, bijvoorbeeld door het leveren van infrastructuur in ruil voor grondstoffen. Zijn de traditionele donoren dan wel de goede ‘scheidsrechter’ van officiële ontwikkelingshulp of is het niet beter om de Verenigde Naties belangrijker te maken? Financiering van ontwikkelingssamenwerking wordt (ook) in VN-verband volop bediscussieerd.  

De komende maanden zullen deze discussies verder worden gevoerd als opmaat naar de post-2015 ontwikkelingsagenda op http://www.oneworld.nl/subsite/4928, de opvolger van de millenniumdoelen. 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Ries Kamphof werkt op de thema's grondstoffen, Europa, handel, sport en voedsel. Ries doet onderzoek naar mondiale thema’s …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief