Voor ik in zal gaan op de relatie tussen Nederlandse en lokale ontwikkelingsorganisaties wil ik eerst graag mijn waardering uitspreken voor het discussiestuk, het non-paper genoemd, van staatssecretaris Ben Knapen. Terecht wordt een aantal fundamentele vragen gesteld over de wijze waarop de overheid moet omgaan met NGO’s. De regering beantwoordt niet alle vragen direct zelf. Dat maakt het voor ons mogelijk om daarover met elkaar in debat te gaan.

In het non-paper wordt verwezen naar de Focusbrief van de regering. Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid spitst zich toe op water, voedselveiligheid, seksuele gezondheid en veiligheid en goed bestuur. Een keuze, die door de VVD van harte wordt gesteund. Onderwerpen waar Nederlandse kennisinstituten, bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld, een toegevoegde waarde hebben. Daarnaast wordt in het non-paper de zelfredzaamheid van partnerlanden als uitgangspunt genoemd. Dit zijn belangrijke uitgangspunten voor de beantwoording van de vragen die de staatssecretaris oproept.

Nederlands karakter
De staatssecretaris vraagt zich af in hoeverre het van belang is dat opererende maatschappelijke organisaties een Nederlands karakter hebben en houden. Dat kan mijns inziens alleen als het toegevoegde waarde heeft voor het te bereiken doel. Algemeen onderwijs bijvoorbeeld valt terecht niet onder de vier focusgebieden waar de Nederlandse ontwikkelingshulp zich op toespitst, omdat een meer gestructureerde en brede inzet van internationale organisaties veel meer kan bereiken dan de beperkte en versnipperde inzet van Nederland. Daar is het Nederlands karakter daarom minder van belang dan bijvoorbeeld bij water, waar Nederland veel expertise heeft. Maar ook op het gebied van de speerpunten zal samengewerkt moeten worden met lokale organisaties die de lokale omstandigheden kennen. Nog veel belangrijker is die lokale samenwerking bij seksuele gezondheid. Het begrijpen van de lokale cultuur is van evident belang voor het slagen van projecten op het gebied van seksuele gezondheid. Ter illustratie: gratis condooms worden in veel ontwikkelingslanden gewantrouwd, omdat je kwaliteitsproducten niet gratis weggeeft. Bovendien is het sterk cultureel bepaald of en hoe condooms gebruikt worden.

Financiering zuidelijke NGO’s
Als lokale NGO’s het werk beter kunnen doen dan Nederlandse NGO’s, dan moeten we niet ‘onze’ NGO’s willen opdringen. Rechtstreekse financiering van lokale NGO’s is dan ook zeker niet uitgesloten.

Ik zou nog wel een stap verder willen gaan: veel landen, waar arme mensen wonen, zijn midden-inkomenslanden. Zij zijn voor bepaalde hulp nog steeds afhankelijk van donoren, maar kunnen op andere onderwerpen zelf een bijdrage leveren. We moeten dus niet alleen samenwerken met NGO’s in ontwikkelingslanden, maar ook met de rest van het apparaat in die landen afstemmen wat wij voor ze kunnen betekenen en wat zij vooral zelf kunnen doen.

​Voor Nederlandse NGO’s betekent dit dat ze zich flexibel moeten aanpassen aan de veranderende situatie in de partnerlanden. Dat betekent ook dat Nederlandse NGO’s heel goed bij zichzelf te rade moeten gaan wat hun toegevoegde waarde is. Niet alleen ten opzichte van NGO’s in ontwikkelingslanden, maar ook ten opzichte van elkaar. De VVD is groot voorstander van fusies van Nederlandse NGO’s, om op die manier efficiënter te kunnen werken.

​Met betrekking tot de financiering van zowel Nederlandse als zuidelijke NGO’s is overigens voor de VVD van groot belang dat we spreken over echte niet gouvernementele organisaties. Daarom dienen NGO’s ten minste 50% van hun financiering uit niet-overheidsbronnen te halen, in tegenstelling tot de huidige 25%. Dat stimuleert de zelfredzaamheid en onafhankelijkheid van NGO’s in Nederland, en in de partnerlanden.

Conditionaliteit partnerlanden
De Nederlandse ontwikkelingsrelatie mag niet het doel van zelfredzaamheid van de partnerlanden ondergraven. Dat is in het verleden al teveel gebeurd met begrotingssteun aan donordarlings zoals Tanzania. Het kan dus ook niet zo zijn dat Nederlandse NGO’s de rol overnemen van lokale NGO’s, als die lokale NGO’s worden gehinderd door de lokale overheid. Toch is de vraag die de staatssecretaris oproept, wat de Nederlandse overheid en Nederlandse ontwikkelingsorganisaties kunnen doen om de bewegingsvrijheid voor lokale organisaties in ontwikkelingslanden te vergroten en te beschermen, een lastige.

​Daar waar mogelijk moeten de lokale onderdrukte organisaties wel ondersteund worden. Nederlandse NGO’s kunnen hier wel een bijdrage aan leveren. Het doel is dan vooral om de vrijheid van vereniging, vrijheid van meningsuiting en vrouwen- en homorechten in partnerlanden te ondersteunen. Ook al vindt dit partnerland dat misschien niet leuk.

Ingrid de Caluwé is Tweede Kamerlid voor de VVD en woordvoerder ontwikkelingssamenwerking.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief