Nederland kan niet meer zonder het buitenland. Maar van gelijkwaardige relaties met ontwikkelingslanden is nog geen sprake, stelt Edith van Ewijk.

De discussies over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking zijn in volle gang. En dan lijkt Nederland soms het centrum van de wereld. Op welke thema’s moet Nederland inzetten? Op welke partnerlanden moet Nederland zich focussen? Hoe kan Nederland zelf profiteren van ‘ontwikkelingshulp’? En hoe koppelen we hulp aan handel?

Hardnekkige labels
In de discussies wordt wederkerigheid wel genoemd: niet alleen geven, maar daar ook iets voor terugkrijgen. Maar dat  richt zich vooral op Nederlandse handelsbelangen naast het bieden van hulp. En hulp richt zich vooral op het uitventen van Nederlandse expertise; waar is Nederland goed in? De vraag hoe Nederland kan profiteren van ontwikkelingssamenwerking is echter iets anders dan het aangaan van banden op basis van échte wederkerigheid. Voor echte wederkerigheid is een open houding nodig op basis van gelijkwaardigheid. Het gaat er om dat beide partijen elkaar écht voor vol aanzien en open staan voor wat er van elkaar te leren valt. Wederkerigheid hangt ook samen met geld en kennis die beide partijen inbrengen, vertrouwen in elkaar en machtsverschillen. De wetenschapper MacFarlane stelde dat labels zoals ‘Derde Wereld’ en ‘ontwikkelingslanden’ lange tijd een barrière zijn geweest voor het aangaan van echte wederkerige relaties. De wereld verandert nu in razend tempo en is al lang niet meer op te delen in een rijk noordelijk deel en een arm zuidelijk deel. Toch lijken de oude scheidslijnen hardnekkig, in ieder geval in de hoofden van mensen.

Edith van Ewijk is senior onderzoeker internationale samenwerking bij NCDO en promovendus aan de afdeling Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van Amsterdam.

In elk stadje..
Er valt misschien iets te leren uit een onverwachte hoek; het internationale beleid van gemeenten. Nederlandse gemeenten zijn al langer op zoek naar samenwerkingsrelaties waar ze zelf hun voordeel mee kunnen doen, bijvoorbeeld via stedenbanden: samenwerking met een partnerstad in het buitenland. Deze focus hangt samen met het fragiele draagvlak voor internationale samenwerking in gemeenten. Zeker in tijden van bezuinigingen laaien discussies op over de vraag of gemeenten lokaal belastinggeld moeten besteden aan internationale samenwerking. Maar stedenbanden die een duidelijk voordeel opleveren voor de eigen gemeenten zijn een stuk makkelijker te verkopen. De afgelopen tien jaar hebben diverse Nederlandse steden samengewerkt met partnersteden in zogenaamde herkomstlanden, zoals Marokko en Turkije. Hierbij was het budget beperkt; veel gemeenten maakten gebruik van subsidieprogramma’s. De uitwisseling biedt gemeenten nieuwe inzichten over het versterken van sociale cohesie in de eigen stad. In Marokko en Turkije is er inmiddels op verschillende thema’s van de Nederlandse  ervaring geleerd; zoals rampenbestrijding, afvalverwerking en jongerenparticipatie. Economische motieven spelen ook een rol, al lonken veel gemeenten inmiddels  vooral naar de opkomende economieën zoals Brazilië, India en China. Op de banden met gemeenten in Marokko en Turkije is inmiddels fors bezuinigd.

Eigen belang
Het uitstippelen van nieuwe beleid en het selecteren van partnergemeenten is vaak een gevoelige kwestie waarbij veel Nederlandse belangen zijn gemoeid. Het overheersende beeld is dat Nederlandse steden selectiecriteria opstellen en vanachter het bureau uitdokteren met wie zij banden aan willen gaan. De visie en de belangen van de beoogde partners lijken dan vaak op de tweede plaats te komen. 

Nederlandse gemeenten zijn niet de enige organisaties die de herkomstlanden als samenwerkingspartner hebben ontdekt. Gemeenten in het gastvrije Noorden van Marokko ontvangen inmiddels zo veel delegaties uit Noord Europa dat ze er letterlijk moe van worden. Het is wat zuur dat al die delegaties meestal met de Noorderzon vertrekken terwijl ze ondertussen wel verwachtingen scheppen over kansen voor Marokko. Echte wederkerigheid lijkt dan ver te zoeken.

Van twee kanten
Onderzoek toont aan dat samenwerking op basis van wederkerigheid het meest succesvol en duurzaam is. Als de Nederlandse overheid blijvend wil profiteren van internationale uitwisseling moet zij oog hebben voor de veranderde wereld en de belangen van partnerorganisaties, zodat uitwisseling ook écht van twee kanten komt. Daarbij past enige bescheidenheid en het besef dat Nederland meer dan ooit afhankelijk is van andere landen, bijvoorbeeld omdat zij schaarse grondstoffen produceren. Pas dan kunnen echte gelijkwaardige en duurzame samenwerkingsrelaties ontstaan.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Edith van Ewijk is senior onderzoeker bij Kaleidos Research, onderdeel van stichting NCDO.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief